Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:2415

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
03/720657-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens deelname aan een criminele organisatie die diefstal en heling tot oogmerk had (art. 140 Sr). Daarnaast vrijspraak voor diefstal, maar veroordeling voor (gewoonte) heling van met name landbouwvoertuigen. Wegens overschrijding van de redelijke termijn halvering van de straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/720657-13

Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

De verdachte wordt bijgestaan door mr. G. Stevens-Waltmans, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Het onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 maart 2020. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: al dan niet samen met anderen een loader en/of graafmachine en/of graveermachine en/of vrachtwagen heeft gestolen; subsidiair: dat hij deze al dan niet samen met anderen heeft geheeld

feit 2: al dan niet samen met anderen een grasmaaier en/of lasapparaat heeft gestolen; subsidiair: dat hij deze al dan niet samen met anderen heeft geheeld;

feit 3: al dan niet samen met anderen lasapparaten en/of grondboor en/of fietsen en/of groefmachine heeft gestolen; subsidiair: dat hij deze al dan niet samen met anderen heeft geheeld;

feit 4: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd, zoals weergegeven in de door hem overgelegde afzonderlijke pleitnota, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens een extreme overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM).

De officier van justitie stelt zich, onder verwijzing naar de toepasselijke jurisprudentie van de Hoge Raad, op het standpunt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid kan leiden. Zij is van oordeel dat deze overschrijding behoort te worden verdisconteerd in de strafmaat.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de redelijke termijn, zoals hiervoor bedoeld, in deze zaak is aangevangen op 28 januari 2014. Op 9 juli 2013 heeft weliswaar een doorzoeking plaatsgevonden in Hunsel, echter leverde deze niets op. Op 28 januari 2014 is de verdachte aangehouden en in verzekering gesteld door de Nederlandse politie. Voor de verdachte moet het vanaf dat moment duidelijk zijn geweest dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Daarmee staat buiten twijfel dat in deze zaak de redelijke termijn inmiddels ruimschoots is overschreden. Met de officier van justitie is echter ook de rechtbank van oordeel dat een overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen (Hoge Raad 17 juni 2008, LJN: BD2578). Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsvrouw dient dus te worden verworpen. De rechtbank zal de consequenties van de overschrijding van de redelijke termijn hierna bij de strafmaatoverwegingen bespreken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte bij gebrek aan bewijs dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 primair, 2, 3 primair en feit 4. Zij acht feit 1 subsidiair en feit 3 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte bij gebrek aan bewijs dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, als verwoord in de pleitnota.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 4:

Onder feit 4 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij een criminele organisatie vormde met [verdachte] en [medeverdachte 2] . Deze organisatie hield zich volgens het openbaar ministerie bezig met diefstallen en/of (gewoonte)heling.

Bij de beoordeling van de aan de verdachte verweten deelname aan een criminele organisatie stelt de rechtbank het volgende voorop

Het deelnemen aan een criminele organisatie is in artikel 140 Sr strafbaar gesteld als deelneming aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Onder het bestanddeel ‘organisatie’ moet worden verstaan: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.

Voor bewijs van het bestanddeel ‘oogmerk’ zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Het gaat bij oogmerk niet om de deelnemers, maar om de organisatie.

Er kan sprake zijn van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk of de organisatie ondersteunt.

In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 lid 1 Sr ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor "deelneming" voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Algemene overweging

De rechtbank stelt voorop dat zij van oordeel is, in tegenstelling tot de verdediging, dat de verklaringen van [medeverdachte 3] betrouwbaar zijn en voor het bewijs gebruikt mogen worden. Hoewel de rechtbank de indruk heeft dat [medeverdachte 3] niet volledig het achterste van zijn tong heeft laten zien, is datgene wat hij verklaart gedetailleerd en wordt op essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] als ook de peilbakengegevens van de auto in gebruik bij [verdachte] . De verdediging heeft daarentegen niet concreet aangegeven waarom de verklaringen van [medeverdachte 3] onbetrouwbaar zouden zijn.

Gestructureerd karakter

De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] bevat een uitgebreide beschrijving over een dadergroep die zich bezig houdt met diefstallen en heling van (landbouw)voertuigen. De vooraf zorgvuldig geselecteerde en uitgezochte voertuigen werden door middel van een (paarden)vrachtwagen gestolen. Bij het stelen werd het GPS-systeem uit het gestolen voertuig verwijderd en vervolgens werd de vrachtwagen met daarin het gestolen voertuig “koud gezet“ om te kijken of het voertuig niet alsnog traceerbaar was voor de eigenaar en/of de politie. Enkele dagen daarna werd het gestolen voertuig dan opgehaald. Verder heeft [medeverdachte 3] verklaard dat de dadergroep zich ook bediende van andere personen, vaak junks, die dan werden betaald om voertuigen te stelen. De (landbouw)voertuigen werden volgens een bepaalde werkwijze omgekat (modus operandi), waarbij een enkel nummer van het Voertuig Identificatie Nummer (hierna: VIN) werd gewijzigd in een zodanig nummer dat paste op een ander, soortgelijk voertuig. Als een potentiele koper het VIN zou checken, zou hij niet kunnen achterhalen dat het vals was omdat het toebehoorde aan een bestaand voertuig van hetzelfde type.2

Uit onderzoek is verder gebleken dat [medeverdachte 3] gestolen voertuigen verkocht aan [naam] , afkomstig uit Oostenrijk. Uit Oostenrijks onderzoek is gebleken dat van de verkochte voertuigen door [medeverdachte 3] aan [naam] de meeste voertuigen op deze wijze waren omgekat.3

[medeverdachte 3] verklaart dat naast zijn eigen loods in Maaseik, door de organisatie gebruik gemaakt werd van diverse loodsen in de omgeving van Roermond.4 Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 2] van diverse loodsen gebruik maakte, waaronder een loods aan de [adres 1] te Roermond5 en een loods aan [adres 2] te Roggel6. Bij doorzoeking werden in deze loodsen alsmede in de woningen van verdachten diverse goederen, waaronder (landbouw)voertuigen aangetroffen die van diefstal afkomstig waren. Er werden ook goederen aangetroffen die bruikbaar waren voor het plegen van diefstallen en/of het omkatten van voertuigen, waaronder een graveermachine, slotentrekker en een popnageltang. In de loods op de [adres 1] is een (paarden)vrachtwagen aangetroffen, waarvan is gebleken dat deze van diefstal afkomstig was7. Tevens werden in die loods alsmede in de woning van [medeverdachte 2] veel sleutels aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat deze toebehoren aan landbouwvoertuigen.8 [medeverdachte 3] verklaart dat de sleutels gebruikt werden om te proberen de voertuigen te starten.9

Getuige [getuige 1] verklaart dat [medeverdachte 2] tegen hem verteld heeft dat hij en [medeverdachte 1] meerdere loodsen hebben en ze veel naar Oostenrijk reden. Er stonden verschillende kleine en grote tractoren in de loods aan de [adres 1] , waaronder een laadschop waarvan de ruit kapot was. Ze reden vaker met een veewagen die omgebouwd was als paardentrailer. [medeverdachte 1] kwam vaker in de loods aan de [adres 1] landbouwvoertuigen stallen.10

Getuige [getuige 2] ziet de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] veelvuldig samen bij de loods aan de [adres 1] . Hij verklaart dat de voertuigen veelvuldig gepoetst werden en hij heeft gezien dat een mannetje met een bril ( [verdachte] draagt een bril) een nummer aan het wegfrezen was. Diverse keren heeft hij gezien dat de vrachtwagen werd ingeladen met (landbouw)voertuigen.11

Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] werden spullen aangetroffen voor het vervalsen van VIN-nummers, waaronder een graveermachines, blanco ID-plaatjes en slagnummers.12 De graveermachine is kort voor de inval bij [medeverdachte 3] opgehaald door [medeverdachte 1] , omdat [medeverdachte 1] naar zeggen van [medeverdachte 3] de loods “clean” wilde vegen.13 Er werd in de auto van [medeverdachte 1] een camera aangetroffen waarop diverse foto’s van gestolen (landbouw)voertuigen stonden. Op de achtergrond van deze foto’s zijn de loodsen aan de [adres 1] , [adres 2] en de loods van [medeverdachte 3] in Maaseik te zien.14

Uit de verklaring van [medeverdachte 3] volgt dat [verdachte] degene is die op verkenning gaat om de voertuigen te stelen. [verdachte] heeft ook de VIN-nummers / chassisnummers van de voertuigen veranderd voordat ze onder andere naar [medeverdachte 3] werden gebracht.15 Uit de peilbakengegevens van de personenauto van [verdachte] blijkt dat deze zowel op de [adres 2] , [adres 1] als op de [adres medeverdachte 1] kwam. Deze locaties werden aldus bezocht en gebruikt door alle verdachten. Middels observatie wordt gezien dat [medeverdachte 2] bij [verdachte] een (landbouw)voertuig aflevert en zij vaker met elkaar op pad gaan.16

[medeverdachte 3] verklaart dat [medeverdachte 1] degene is die aan hem (landbouw)voertuigen leverde om deze te verkopen. Volgens [medeverdachte 3] is [medeverdachte 1] de topman in de organisatie. Hij is degene die alles bepaalt, transporten regelt, contact onderhoudt met [medeverdachte 3] , voertuigen levert. Het is medeverdachte [verdachte] , aldus [medeverdachte 3] , die voertuigen uitzoekt, omkat en geld ophaalt en verdachte [medeverdachte 2] faciliteert de locaties. 17

[medeverdachte 3] verklaart dat hem door de organisatie een vals ID werd aangeleverd zodat overeenkomsten vervalst konden worden. Het ging daarbij om het verhullen van de herkomst van de voertuigen.18

De voertuigen werden voornamelijk aan het buitenland verkocht. [naam] heeft verklaard dat hij ongeveer 27 voertuigen van [medeverdachte 3] heeft gekocht. Uit peilbakengegevens is vast komen te staan dat [verdachte] in Oostenrijk is geweest om geld op te halen bij [naam] .19 [naam] verklaart hierover dat hij deze man eerder heeft gezien bij [medeverdachte 3] thuis en dat de persoon reed in een personenauto waarvan het kenteken overeenkomt met dat van [verdachte] .20

Oogmerk: misdrijven

Het oogmerk van de organisatie is onmiskenbaar (landbouw)voertuigcriminaliteit in de brede zin van het woord geweest. De verdachte, [medeverdachte 2] en [verdachte] hadden als deelnemers aan de organisatie een gemeenschappelijk doel, te weten het stelen of doen stelen en de verkoop van gestolen (landbouw)voertuigen aan verschillende afnemers. Dit laatste blijkt vooral uit het groot aantal helingen die naar voren is gekomen, waaraan door de verdachten in dit onderzoek een bijdrage is geleverd en waarvan er meerdere aan de verdachten ten laste zijn gelegd. In de loodsen en woningen van de verdachten zijn voorts voorwerpen aangetroffen die geschikt of bestemd zijn voor de diefstal dan wel omkatting van (landbouw)voertuigen en daarmee verband houdende activiteiten. Het oogmerk blijkt ook uit de inhoud van de voor het bewijs gebezigde verklaringen. Met name [medeverdachte 3] heeft gedetailleerd verklaard over de wijze waarop te werk werd gegaan en de rol die een ieder binnen de organisatie vervulde.

De rechtbank is van oordeel dat het doel van de criminele organisatie ook gericht was op het plegen of doen plegen van diefstallen. [medeverdachte 3] verklaart dat [medeverdachte 1] zelf diefstallen pleegde of liet plegen. Over [verdachte] verklaart [medeverdachte 3] dat [verdachte] op zoek ging naar te stelen (landbouw)voertuigen. Er zijn vele sleutels aangetroffen van landbouwvoertuigen, die bij diefstal geprobeerd konden worden. Uit peilbakengegevens blijkt dat [verdachte] enkele malen, soms midden in de nacht, getraceerd is in de buurt van een locatie waar vlak daarna een diefstal van een landbouwvoertuig plaatsvindt. Van een aantal aangetroffen voertuigen aangetoond dat ze al enkele dagen na de diefstal in bezit waren van de organisatie. Het onderzoek heeft geen enkele aanwijzing opgeleverd dat de organisatie de voertuigen aankocht. Aan de verkoop van gestolen voertuigen, gaat de diefstal van het voertuig noodzakelijkerwijs vooraf.

Hoewel de rolverdeling tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [verdachte] en hun aandeel in de verschillende activiteiten van de criminele organisatie, de diefstallen en de helingen, niet precies is komen vast te staan, staat wel vast dat de door ieder van hen ontplooide activiteiten onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Zonder de diefstal, geen heling, zonder het omkatten of veranderen van VIN-nummers geen doorverkoop aan derden en zonder loodsen geen plek waar deze activiteiten onopgemerkt konden plaatsvinden. Dat de verdachten daarmee van elkaar te onderscheiden rollen binnen de organisatie vervulden en “slechts” bij specifieke taken betrokken waren, maakt daarom niet dat zij niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het geheel van de activiteiten van de criminele organisatie als zodanig.

Duurzaamheid

De duurzaamheid is gelegen in het gegeven dat gedurende een periode van aanzienlijke duur tientallen helingen aan de groep van verdachten in dit onderzoek zijn toe te schrijven.

Deelname

De verdachte heeft binnen de groep, die bestond uit [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] en mogelijk nog andere, onbekend gebleven personen, een actieve rol gespeeld. De ten aanzien van hem bewezen verklaarde feiten zijn alle binnen de structuur van de groepering gepleegd. De groep voldoet aan alle kenmerken van een criminele organisatie.

De rechtbank overweegt dat uit de nog te bespreken bewijsmiddelen bij de overige aan verdachte ten laste gelegde feiten is komen vast te staan dat alle aangetroffen (landbouw)voertuigen en goederen bij zowel [naam] , als op de locaties Maaseik (België), [adres 1] , de [adres 2] en de woning van [medeverdachte 2] en gestolen goederen betroffen. De locaties behoorden toe aan, althans werden gebruikt door de criminele organisatie. De voertuigen en goederen werden aangetroffen in locaties waar de verdachten beschikkingsmacht over hadden en waar zij zich regelmatig bevonden. De rechtbank is van oordeel dat van al die gestolen voertuigen en voorwerpen mag worden aangenomen dat verdachte ten tijde van de verkrijging daarvan wetenschap had van de criminele herkomst ervan. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat er actief gezocht werd naar te stelen voertuigen, de gestolen voertuigen tijdelijk “koud werden zetten” om te bezien of het veilig was deze mee te nemen naar een van de loodsen en het omkatten van de voertuigen. Uit de verklaring van [medeverdachte 3] blijkt dat alle verdachten hierbij een rol speelden.

De rechtbank concludeert dat de verdachte wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie, onder andere het leveren, omkatten en verkopen van gestolen (landbouw)voertuigen. De verdachte heeft een bijdrage geleverd aan de organisatie en deze bijdrage heeft in aanzienlijke mate het oogmerk van de organisatie verwezenlijkt.

Dit alles in onderling verband bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven, te weten diefstallen en heling tot oogmerk heeft, als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het voorgaande kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Feit 1:

Primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Subsidiair:

Naar aanleiding van het Nederlandse en Belgische onderzoek wordt op 9 juli 2013 een doorzoeking gedaan in de loods aan de [adres 1] te Roermond. Daar worden de goederen op de tenlastelegging onder de gedachtestreepjes nr. 1 tot en met 4 in beslag genomen.21

Nr. 1: Het betreft een loader van het merk Giant. Op 13 juni 2013 wordt door [aangever 1] aangifte gedaan van diefstal van dit voertuig. Deze is in de nacht van 12 juni op 13 juni gestolen.22 Uit technisch onderzoek is door de politie vastgesteld dat het VIN nummer vervalst is.23

Nr. 2: Het betreft een graafmachine van het merk Schäffer. Op 26 juni wordt door [aangever 2] aangifte gedaan in Duitsland van dit voertuig. Deze is in de nacht van 25 juni op 26 juni gestolen.24 Uit technisch onderzoek wordt door de politie vastgesteld dat het VIN nummer vervalst is en het het voertuig van aangever betreft.25

Nr. 3: Het betreft een graveermachine van het merk Flymarker. Op 23 november 2012 wordt de Flymarker bij [naam bedrijf 1] gestolen. Zij doen hiervan aangifte.26 Het serienummer van de graveermachine komt overeen met het serienummer dat werd opgegeven bij de aangifte door de [naam bedrijf 1] .27

Nr. 4: Het betreft een vrachtwagen van het merk Mercedes Benz. Op 19 april 2011 wordt door [aangever 3] aangifte gedaan van diefstal van dit voertuig.28 Uit technisch onderzoek wordt door de politie vastgesteld dat het VIN vervalst is en het voertuig aan aangever toebehoort.29

De loods is eigendom van [getuige 3] , zij en haar partner [getuige 2] worden gehoord als getuigen. Getuige [getuige 3] verklaart dat [getuige 1] en verdachte [medeverdachte 2] gebruiker zijn van de loods.30 Getuige [getuige 2] verklaart dat zowel [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] vaak samen bij de loods waren. Ze hielden zich bezig met het poetsen van de voertuigen en [verdachte] heeft hij ook wel eens een nummer zien wegslijpen. De loods stond altijd vol met diverse (landbouw)voertuigen en werden af en aan gebracht en opgehaald.31

[getuige 1] wordt ook als getuige gehoord en verklaart dat in de loods verschillende oprijplaten, laadschoppen, grote en kleine tractoren stonden. Hij verklaart dat [medeverdachte 1] en [verdachte] vaker bij de loods aanwezig waren.32

Wetenschap

Uit de deelname aan de criminele organisatie en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] , zoals hierboven omschreven, volgt dat de verdachte zich op grote schaal bezig hield met heling. Van de tenlastegelegde goederen aangetroffen op de locatie [adres 1] is bewezen dat deze gestolen zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte wetenschap heeft gehad dat de goederen van diefstal afkomstig waren. Dit geldt tevens voor de goederen die de verkoop en het omkatten van voertuigen mogelijk maakten.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Feit 2

De rechtbank acht, eveneens als de verdediging en de officier van justitie, het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Op grond van de zich in het dossier bevinden stukken kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen goederen heeft gestolen dan wel wist dat ze van diefstal afkomstig waren.

Feit 3

Primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Subsidiair

Bij de doorzoeking van de loods aan de [adres 2] te Roggel, zijn de goederen op de tenlastelegging onder de gedachtestreepjes nr. 1 tot en met nr. 6 in beslag genomen.33

Van heling van de onder de gedachtestreepjes nr. 4 en nr. 5 genoemde goederen zal de rechtbank de verdachte vrijspreken. Deze goederen vallen buiten het vastgestelde oogmerk van de criminele organisatie en bovendien kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte op het moment van verwerving of voorhanden krijgen wetenschap van de herkomst van deze goederen had.

Nr. 1: dit betreft een lasapparaat van het merk Iwetec en een compressor van het merk Roda. Op 1 juli 2013 wordt door [aangever 4] aangifte gedaan van diefstal van beide goederen, die zijn gestolen op 29 juni 2013.34 Door de politie werd vastgesteld dat beide goederen toebehoorde aan aangever.35

Nr. 2: dit betreft een lasapparaat van het merk Jura. Op 28 mei 2013 is aangifte gedaan door [aangever 5] van de diefstal van dit lasapparaat, dat is gestolen op 22 mei 2013.36 Bij de inbeslagname van het lasapparaat bleek aan de zijkant een gele sticker te zitten van [naam bedrijf 2] uit Heythuysen. Bij het lasapparaat werd ook een factuur aangetroffen van [naam bedrijf 2] aan [aangever 5] , aangever.37

Nr. 3: het betreffen een trilmachine van het merk Weber, een hoge drukreiniger van het merk Stihl en een grondboor van het merk Stihl, Op 5 juli 2013 werd door [aangever 6] aangifte gedaan van diefstal van deze goederen, die op 4 juli gestolen zijn.38 Op alle drie de goederen zat een sticker met de tekst ‘ [naam bedrijf 3] ’.39

Nr. 6: het betreft een grondboor van het merk Rigid. Op 17 augustus 2011 werd door [aangever 7] namens [naam bv 1] aangifte gedaan van deze grondboor, die in de nacht van 16 augustus op 17 augustus gestolen is.40 Aan de hand van het ingegraveerde [naam bv 1] 11-1 kon worden vastgesteld dat de grondboor toebehoort aan [naam bv 1] .41

Medeverdachte [medeverdachte 2] had de loods op [adres 2] in gebruik. Ter terechtzitting heeft hij dit bevestigt. Uit de peilbakengegevens van de personenauto die toebehoort aan [verdachte] blijkt dat de auto veelvuldig bij de [adres 2] te kwam.42

De rechtbank is van oordeel dat uit de deelname van verdachte aan de criminele organisatie die mede tot doel had het helen van gestolen spullen, mag worden afgeleid dat de verdachte wist dat de in de loods aangetroffen goederen van diefstal afkomstig waren. Daarbij komt dat het huren van die loods en de daarin aangetroffen voorwerpen binnen het oogmerk van de criminele organisatie vielen en er geen ander gebruik van die loods aannemelijk is geworden.

Daarmee is bewezen dat de verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

hij in de periode van 18 april 2011 tot en met 9 juli 2013, in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, op na te melden tijdstippen na te melden goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, te weten

- in de periode van 12 juni 2013 tot en met 9 juli 2013 een loader merk Giant en

- in de periode van 25 juni 2013 tot en met 9 juli 2013 een graafmachine, merk

Schäffer en

- in de periode van 23 november 2012 tot en met 9 juli 2013 een graveermachine,

merk Flymarker en

- in de periode van 18 april 2011 tot en met 9 juli 2013 een vrachtauto

gekentekend [kenteken] ;

3.

hij in of omstreeks de periode van 3 oktober 2010 tot en met 10 juli 2013 te

Roggel, in elk geval in de gemeente Leudal, in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander, op na te melden

tijdstippen na te melden goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft

gehad, terwijl verdachte en zijn mededader ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van die goederen wisten dat het door misdrijf

verkregen goederen betrof, te weten

- in of omstreeks de periode van 29 juni 2013 tot en met 10 juli 2013 een

lasapparaat merk Iwetec en een compressor merk Roda en

- in of omstreeks de periode van 22 mei 2013 tot en met 10 juli 2013 een

lasapparaat merk Jura en

- in of omstreeks de periode van 4 tot en met 10 juli 2013 een trilmachine

merk Weber, een hogedrukreiniger merk Stihl en een grondboor merk Stihl en

- in of omstreeks de periode van 16 augustus 2011 tot en met 10 juli 2013 een

groefmachine merk Ridgid;

4.

hij in de periode van 18 april 2011 tot en met 28 januari 2014 in Nederland en/of in België en/of in Duitsland en/of in Oostenrijk heeft deelgenomen aan een organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het plegen van diefstallen en/of

- het plegen van (gewoonte)heling;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 subsidiair:

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd

feit 3 subsidiair:

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd

feit 4:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf en/of de maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Hiermee is de straf gelijk aan het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Zij heeft betoogd heeft bij een bewezenverklaring een schuldverklaring zonder straf uit te spreken.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan een groot aantal vermogensdelicten in zowel binnen- als buitenland. Hij maakte deel uit van een groep daders binnen een criminele organisatie die als doel had (landbouw)voertuigen stelen, omkatten en (laten) verkopen. Daarbij springt de gewiekste ‘modus operandi’ waarvan de groep zich bediende in het oog. Voertuigen werden op voorhand ‘op geschiktheid’ geselecteerd, gestolen en om er zeker van te zijn dat de voertuigen niet zouden worden getraceerd, in een paardentrailer enkele dagen langs de kant van de weg gestald. Op het moment dat de groep zich zeker waande van de zaak werden de gestolen voertuigen opgehaald en naar een van de bij de organisatie in gebruik zijnde loodsen gebracht. Ter plaatse werden vervolgens de identificatienummers/VIN-nummers zodanig veranderd dat geen argwaan zou worden opgewekt bij potentiële kopers. Wanneer die immers het nieuw ingeslagen nummer zouden natrekken, zouden zij steeds bij een bestaand voertuig van hetzelfde type uitkomen. Ook werden er valse overeenkomsten opgesteld om een legale wijze te creëren van het overdragen van de voertuigen. De loodsen van medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] dienden als uitvalbasis voor het stallen, omkatten en verkopen van deze voertuigen. Deze loodsen en de woning van de verdachte werden doorzocht en daarbij werden een groot aantal goederen aangetroffen die van diefstal afkomstig zijn, waaronder ook goederen die gebruikt worden voor het stelen en vervalsen van de voertuigen, zoals slotentrekkers, jammers, blanco ID-plaatjes, een graveermachine en slagnummers. De verkoop van de (landbouw)voertuigen, door middel van een in België wonende tussenpersoon, vond meestal plaats aan in het buitenland wonende kopers, zodat voertuigen snel uit beeld verdwenen.

Naar de overtuiging van de rechtbank staat [medeverdachte 1] aan de top van de organisatie, hij is degene die alles bepaalt, transporten regelt, contact onderhoudt met [medeverdachte 3] , voertuigen levert. Het is verdachte die voertuigen uitzoekt, omkat en geld ophaalt en verdachte [medeverdachte 2] faciliteert de locaties en stelt deze beschikbaar. En het is ten slotte de medeverdachte [medeverdachte 3] die onder andere de voertuigen voor de organisatie verkoopt tegen commissie.

Gedurende de maanden voorafgaand aan hun arrestatie hebben de daders zich onaantastbaar gewaand. Zonder enig respect voor de eigendom van anderen, hebben zij stelselmatig en op brutale wijze een groot aantal voertuigen omgekat en verkocht, de gedupeerden met vaak aanzienlijke schade achterlatend. De rechtbank heeft in haar oordeel over de strafmaat tevens betrokken dat de verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting geen openheid van zaken heeft willen geven, ondanks dat er belastend bewijs tegen hem was. Hij heeft daardoor geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden willen nemen.

Ofschoon de feiten zich al geruime tijd geleden hebben afgespeeld, laat de ernst en het aantal van de bewezen verklaarde feiten de rechtbank geen andere keuze dan aan de verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op te leggen. Alleen hiermee wordt recht gedaan aan de schade die aan de slachtoffers, maar ook aan de samenleving is berokkend.

Ofschoon de feiten zich al geruime tijd geleden hebben afgespeeld, laat de ernst en het aantal van de bewezen verklaarde feiten de rechtbank geen andere keuze dan aan de verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op te leggen. Alleen hiermee wordt recht gedaan aan de schade die aan de slachtoffers, maar ook aan de samenleving is berokkend.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij reeds eerder voor heling is veroordeeld.

Naar de rechtbank reeds hiervoor in het kader van de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer heeft geoordeeld is de redelijke termijn in deze strafzaak aangevangen op 28 januari 2014 toen de verdachte voor een eerste keer in deze strafzaak werd aangehouden en in verzekering werd gesteld. De rechtbank houdt verder rekening met het feit dat bij de opsporing en vervolging meerdere landen betrokken waren, dat de opsporing en vervolging in deze strafzaak uiteindelijk is overgedragen aan Nederland en dat het eindprocesdossier gereed was op 16 mei 2014.

Vervolgens heeft op 19 januari 2018 een regiezitting in deze strafzaak plaatsgevonden en hebben in april 2019, naar aanleiding van gehonoreerde onderzoekswensen van de kant van de verdediging van de verdachte en zijn medeverdachten, de laatste verhoren van getuigen bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. Daarna heeft de zaak stilgelegen tot aan de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting op 13 maart 2020. Als de verdachte vandaag kennis neemt van de uitspraak van de rechtbank in zijn strafzaak heeft hij daarop bijna 6 jaar en 2 maanden moeten wachten. Dat is een grove overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

De rechtbank komt tot het oordeel dat bij een voortvarende afdoening van deze strafzaak, zonder dat sprake is van een grove schending van de redelijk termijn, voor de verdachte, gelet op de ernst van de feiten, de omvang van de totale schade, en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend zou zijn geweest. Zij zal gelet op grove schending van de redelijke termijn de straf halveren tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Deze straf is hoger dan door de officier van justitie gevorderd omdat de aard en ernst van de feiten in die eis onvoldoende tot uitdrukking komt.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

De benadeelde partij Smid vordert een schadevergoeding van € 7.500,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Zij vordert over dit bedrag de wettelijke rente en oplegging van de schade vergoedingsmaatregel. De benadeelde partij vordert daarnaast een bedrag van € 34,50 aan proceskosten.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 8]

De benadeelde partij [aangever 8] vordert een schadevergoeding van € 436,46. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Zij vordert over dit bedrag de wettelijk rente en oplegging van de schade vergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partij af te wijzen, nu deze onvoldoende onderbouwd zijn.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op standpunt gesteld dat gelet op de verzochte vrijspraak de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering van de benadeelde partijen af te wijzen omdat deze onvoldoende onderbouwd zijn.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

De rechtbank acht de als feit 1.4 primair ten laste gelegde diefstal van de vrachtwagen niet bewezen. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat er een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de in feit 1.4 subsidiair bewezen helingshandeling, die ten volle aan de verdachte en zijn medeverdachten dient te worden toegerekend, en de door de benadeelde partij geleden schade. De vrachtwagen is aangetroffen in een loods waarvan de criminele organisatie gebruik maakte en de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat binnen de organisatie gebruik werd gemaakt van een paardentrailer.

Nu de gestelde schade voldoende aannemelijk is en in zodanig verband staat met de door de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] gepleegde strafbare feiten, kan deze aan hen als een gevolg van hun handelen gezamenlijk worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die verder inhoudelijk niet door de verdachte is weersproken en de rechtbank overigens niet onredelijk voorkomt, daarmee voor toewijzing vatbaar.

De benadeelde partij heeft € 34,50 als proceskosten aangevoerd vanwege door haar gemaakte kilometers. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier niet om proceskosten maar om schade die de benadeelde partij heeft moeten maken in verband met het onder 1.4 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal die post aanmerken als materiële schade. Ook die post, die evenmin door de verdachte is weersproken noch de rechtbank onredelijk voorkomt, komt voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank wijst een bedrag van € 7.534,50 toe aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2011 tot de dag van algehele voldoening. Zij acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De verdachte is met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor de door benadeelde partij geleden schade. Hij is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het bedrag door zijn mededaders is of wordt voldaan.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 8]

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van dit onderdeel onder feit 3. De benadeelde partij moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

9 Het beslag

Ten aanzien van de hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen goederen oordeelt de rechtbank als volgt.

De onder nummer genoemde 1, 2, 3, 32, 33, 34, 35 en 36 in beslag genomen voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen behoren aan de verdachte toe. De voorwerpen zijn door middel van de strafbare feiten verkregen of de strafbare feiten zijn met behulp van deze voorwerpen begaan en/of dit betreffen voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn bestemd.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57, 140 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [aangever 3], te betalen € 7.534,50, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 18 april 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3] , van € 7.534,50, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 72 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 18 april 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [aangever 8], niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 1, 2, 3, 32, 33, 34, 35 en 36, zoals genoemd in de bijlage.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. F.L.G. Geisel en mr. V.P. van Deventer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Smits, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 maart 2020.

Buiten staat

Mr. V.P. van Deventer en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 april 2011 tot

en met 26 juni 2013 in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig goed geheel of

ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak

en/of verbreking en/of door middel van een valse sleutel, te weten

- in of omstreeks de nacht van 12 op 13 juni 2013 te Hoogeloon, in elk geval

in de gemeente Bladel, een loader merk Giant, toebehorende aan [naam bv 2]

(aangifte pag. 118) en/of

- in of omstreeks de nacht van 25 op 26 juni 2013 in Kleve (Bondsrepubliek

Duitsland) een graafmachine merk Schäffer, toebehorende aan [aangever 9]

(aangifte pag. 189) en/of

- in of omstreeks de nacht van 23 op 24 november 2012 in Essen

(Bondsrepubliek Duitsland) een graveermachine merk Flymarker, toebehorende

aan [naam bedrijf 1] (aangifte pag. 215) en/of

- in of omstreeks de periode van 18 tot en met 19 april 2011 in de gemeente

Vught een vrachtauto gekentekend [kenteken] , toebehorende aan [aangever 3]

(aangifte pag. 231)

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 18 april 2011 tot en met 9 juli 2013, in de

gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, op na te melden tijdstippen na te melden

goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en/of

zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

die goederen wist(en) dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, te weten

- in de periode van 12 juni 2013 tot en met 9 juli 2013 een loader merk Giant

en/of

- in de periode van 25 juni 2013 tot en met 9 juli 2013 een graafmachine, merk

Schäffer en/of

- in de periode van 23 november 2012 tot en met 9 juli 2013 een

graveermachine, merk Flymarker en/of

- in de periode van 18 april 2011 tot en met 9 juli 2013 een vrachtauto

gekentekend [kenteken] ;

2.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 mei 2013 tot en

met 24 juni 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen enig goed geheel of ten dele toebehorende aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of door

middel van een valse sleutel, te weten

- op of omstreeks 24 juni 2013 te Neer, in elk geval in de gemeente Leudal,

een grasmaaier merk Husqvarna toebehorende aan [aangever 10] (aangifte

pag. 442) en/of

- op of omstreeks 30 mei 2013 te Echt, in elk geval in de gemeente

Echt-Susteren, een lasapparaat merk Tico toebehorende aan [aangever 11]

(aangifte pag. 451+471);

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 30 mei 2013 tot en met 10 juli 2013, in de

gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, op na te melden tijdstippen na te melden

goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en/of

zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

die goederen wist(en) dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, te weten

- in of omstreeks de periode van 24 juni 2013 tot en met 10 juli 2013 een

grasmaaier merk Husqvarna en/of

- in of omstreeks de periode van 30 mei 2013 tot en met 10 juli 2013 een

lasapparaat merk Tico;

3.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 oktober 2010 tot

en met 4 juli 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen enig goed geheel of ten dele toebehorende aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten

- in of omstreeks de nacht van 29 op 30 juni 2013 te Leveroy, in elk geval in

de gemeente Nederweert, een lasapparaat merk Iwetec en een compressor merk

Roda, toebehorende aan [aangever 4] (aangifte pag. 1841 + 1852) en/of

- op of omstreeks 22 mei 2013 te Roggel, in elk geval in de gemeente Leudal,

een lasapparaat merk Jura, toebehorende aan [aangever 5] (aangifte

pag. 1863) en/of

- op of omstreeks 4 juli 2013 in de gemeente Someren een trilmachine, merk

Weber, een hogedrukreiniger merk Stihl en een grondboor merk Stihl,

toebehorende aan [aangever 6] (aangifte pag. 1876 + 1889 + 1902) en/of

- op of omstreeks 24 december 2012 te Eibergen, in elk geval in de gemeente

Berkelland, een fiets merk Sparta, toebehorende aan [aangever 8] (aangifte

pag. 1912) en/of

- op of omstreeks 3 oktober 2010 te Sevenum, in elk geval in de gemeente

Horst aan de Maas, een fiets merk Koga Miyata toebehorende aan [aangever 12]

(aangifte pag. 1924) en/of

- in of omstreeks de nacht van 16 op 17 augustus 2011 in de gemeente

Nieuwegein een groefmachine merk Ridgid, toebehorende aan [naam bv 1]

(aangifte 1934);

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 3 oktober 2010 tot en met 10 juli 2013 te

Roggel, in elk geval in de gemeente Leudal, in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op na te melden

tijdstippen na te melden goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft

gehad, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van die goederen wist(en) dat het door misdrijf

verkregen goederen betrof, te weten

- in of omstreeks de periode van 29 juni 2013 tot en met 10 juli 2013 een

lasapparaat merk Iwetec en een compressor merk Roda en/of

- in of omstreeks de periode van 22 mei 2013 tot en met 10 juli 2013 een

lasapparaat merk Jura en/of

- in of omstreeks de periode van 4 tot en met 10 juli 2013 een trilmachine

merk Weber, een hogedrukreiniger merk Stihl en een grondboor merk Stihl en/of

- in of omstreeks de periode van 24 december 2012 tot en met 10 juli 2013 een

fiets merk Sparta en/of

- in of omstreeks de periode van 3 oktober 2010 tot en met 10 juli 2013 een

fiets merk Koga Miyata en/of

- in of omstreeks de periode van 16 augustus 2011 tot en met 10 juli 2013 een

groefmachine merk Ridgid;

4.

hij in of omstreeks de periode van 18 april 2011 tot en met 28 januari 2014 in

Nederland en/of in België en/of in Duitsland en/of in Oostenrijk heeft

deelgenomen aan een organisatie welke tot oogmerk had het plegen van

misdrijven, namelijk

- het plegen van diefstallen en/of

- het plegen van (gewoonte)heling;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer 2013034052, gesloten d.d. 16 mei 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 3632.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 juli 2013, p. 2244-2251;

3 Deeldossier E

4 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 juli 2013, p. 2246;

5 Deeldossier A, het stamproces-verbaal d.d. 15 januari 2014, p. 49-53;

6 Deeldossier F, het stamproces-verbaal d.d. 16 januari 2014, p. 1724-1729;

7 Deze is bij [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] ten laste gelegd als feit 1 sub 4;

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2013, p. 1789-1791;

9 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 juli 2013, p. 2245;

10 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 14 juli 2013, p. 65-68;

11 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 17 juli 2013, p.71-75;

12 Deeldossier D, het stamproces-verbaal d.d. 17 januari 2014, p. 477-482;

13 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 11 juli 2013, p. 2237-2238;

14 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek fotocamera [medeverdachte 1] d.d. 8 januari 2014, p. 76-77;

15 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 juli 2013, p. 2244-2247;

16 Het proces-verbaal van criminele organisatie d.d. 21 mei 2014, 3358;

17 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 juli 2013, p. 2244-2247;

18 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 juli 2013, p. 2246;

19 Het stamproces-verbaal deeldossier E d.d. 22 januari 2014, p. 596;

20 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 30 mei 2013, p. 673-675

21 Het stamproces-verbaal deeldossier A, p. 50.

22 Het proces-verbaal aangifte d.d. 17 juni 2013, p. 118-121;

23 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 september 2013 , p. 115-116;

24 Het proces-verbaal aangifte d.d. 26 juni 2013, p. 189-191;

25 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 september 2013, p. 183-184;

26 Het proces-verbaal aangifte d.d. 24 november 2012, p. 215-221;

27 Het stamproces-verbaal zaakdossier A2 d.d. 16 januari 2014, p. 203;

28 Het proces-verbaal aangifte d.d. 19 april 2011, p. 231-232;

29 Stamproces-verbaal zaakdossier A3, d.d. p. 226;

30 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 17 juli 2013, p. 71-75;

31 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 14 juli 2013, p. 65-68;

32 Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 12 juli 2013, p. 60-64;

33 Het stamproces-verbaal zaakdossier F d.d. 16 januari 2014, p. 1727;

34 Het proces-verbaal aangifte d.d. 1 juli 2013, p. 1841;

35 Het proces-verbaal van bevindingen lasapparaat Iwetec d.d. 21 november 2013, p. 1838; Proces-verbaal van bevindingen compressor Roda d.d. 21 november 2013, p. 1849;

36 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 mei 2013, p. 1863-1865;

37 Het proces-verbaal van bevindingen Jura lasapparaat d.d. 21 november 2013, p. 1860-1862;

38 Het proces-verbaal aangifte d.d. 5 juli 2013, p. 1876-1878;

39 Het proces-verbaal van bevindingen goederen [naam bedrijf 3] d.d. 28 november 2013, p. 1872;

40 Het proces-verbaal aangifte d.d. 17 augustus 2011, p. 1934-1935;

41 Het proces-verbaal van bevindingen groefmachine, merk Ridgid d.d. 28 november 2013, p. 1930-1931;

42 Het stamproces-verbaal deeldossier F d.d. 16 januari 2014, p. 1726;