Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:2339

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
8362505 CV EXPL 20-980
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil, aangezegde ontruiming. Kantonrechter wijst vordering af: van gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen is niet gebleken/ geen misbruik van bevoegdheid door verhuurder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: 8362505 CV EXPL 20-980

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 24 maart 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. Y. Kunze,

tegen

de stichting WONINGSTICHTING HEEMWONEN,

gevestigd en kantoorhoudend te Kerkrade,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. P.L.T. Roks.

Partijen zullen hierna [eiseres] en HEEMwonen genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 maart 2020 met producties 1 t/m 6,

  • -

    het schrijven van mr. Kunze van 10 maart 2020 met producties 7, 8 en 9,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 11,

  • -

    de mondelinge behandeling op 12 maart 2020,

  • -

    het overzicht ‘Rekening Courant cumulatief’ dat door HEEMwonen is overgelegd tijdens de mondelinge behandeling.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] huurt sinds 20 mei 2011 van HEEMwonen de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Op dit moment bedraagt de huurprijs € 699,86 per maand.

2.2.

Bij onherroepelijk vonnis van 11 juni 2018 van de kantonrechter te Maastricht (zaaknummer 6678855 CV EXPL 18-1092), op tegenspraak gewezen, is het volgende tussen HEEMwonen als eisende partij en [eiseres] als gedaagde partij beslist:

De kantonrechter

4.1

veroordeelt huurster tot betaling aan verhuurder van € 5.124,42 ter zake (restant) van achterstallige huurpenningen tot en met juni 2018 en proceskosten;

4.2.

veroordeelt huurster tot betaling aan verhuurder van € 699,86 per maand voor iedere ingegane maand vanaf juli 2018 tot het tijdstip van ontruiming,

4.3.

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning [adres] , [woonplaats] en veroordeelt huurster de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met alle personen en zaken die zich van de kant van huurster in en om het gehuurde bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van verhuurder te stellen, indien en zodra aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

- huurster is in gebreke met de voldoening van enige termijn van € 150 per maand of betaling van de belastingteruggaven uiterlijk op 1 oktober 2018 van de hiervoor onder 2.2. d) bedoelde aflossingsverplichting; en/of

- huurster is in gebreke met de voldoening van enige termijn van de maandelijkse huur als bedoeld onder 2.2 e),

4.4.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

2.3.

Bij brief van 27 januari 2020 heeft HEEMwonen [eiseres] laten weten dat de huurachterstand tot en met januari 2020 is opgelopen tot een bedrag van € 7.069,10. HEEMwonen heeft kenbaar gemaakt voornemens te zijn om het vonnis van 11 juni 2018 alsnog ten uitvoer te leggen. [eiseres] is erop gewezen dat als zij een ontruiming wil voorkomen, zij vóór 31 januari 2020 contact dient op te nemen met HEEMwonen of voor deze dag de huur vrijwillig moet opzeggen om verdere kosten te voorkomen.

2.4.

Op 10 februari 2020 is het vonnis van 11 juni 2018 betekend en is de ontruiming aangezegd voor 5 maart 2020 om 10.00 uur.

2.5.

HEEMwonen heeft mr. Kunze bij e-mail van 3 maart 2020 (productie 7 van [eiseres] ) bericht dat de ontruiming van 5 maart 2020 wordt opgeschort. Daarbij is [eiseres] in de gelegenheid gesteld om de woning uiterlijk 31 maart 2020 leeg en schoon op te leveren zonder extra kosten.

2.6.

Onderdeel van de door HEEMwonen berekende achterstand was aanvankelijk een bedrag van € 2.001,20 vanwege schade aan de voordeur van de gehuurde woning door een politie-inval. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat dit bedrag inmiddels door de politie is vergoed. Na aftrek van het bedrag van € 2.001,20 bedraagt de huurachterstand per 1 maart 2020 € 6.467,62.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

1. de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter te Maastricht van
11 juni 2018 met zaaknummer 6678855 CV EXPL 18-1092 te schorsen;

2. HEEMwonen te verbieden om de bij exploot van 10 februari 2020 aangezegde executiemaatregelen (waaronder de ontruiming van de woning) verder ten uitvoer te leggen, zulks op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 voor elke overtreding van dit gebod;

3. HEEMwonen te voordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

HEEMwonen heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De spoedeisendheid

4.1.

De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak.

Verbod van tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van 11 juni 2018?

4.2.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter (lees: de kantonrechter als voorzieningenrechter) de tenuitvoerlegging van een vonnis, waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, slechts schorsen of verbieden indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (Hoge Raad
20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 en HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983: AG4575).

4.3.

Dat er sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het vonnis van
11 juni 2018 is niet gesteld en ook niet gebleken.

4.4.

[eiseres] verzet zich tegen ontruiming van de woning. Volgens [eiseres] maakt HEEMwonen misbruik van haar bevoegdheid. De aangezegde ontruiming zal bij [eiseres] een noodtoestand doen ontstaan.

4.5.

[eiseres] stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat HEEMwonen zou afzien van ontruiming. Zij wijst erop dat HEEMwonen haar de mogelijkheid geboden heeft om de huurovereenkomst zelf op te zeggen. Daarnaast was HEEMwonen met het bestaan van de huurachterstand reeds lange tijd bekend, maar heeft zij de situatie al die tijd gedoogd. Nu, ruim 1 jaar en negen maanden na het vonnis van 11 juni 2018, heeft HEEMwonen plots grond gezien om het vonnis aan [eiseres] te doen betekenen en haar vorderingen daarop te gronden. Bovendien zijn er nieuwe feiten en omstandigheden die het rechtvaardigen om de executie op te schorten. Het belang van [eiseres] dient dan ook te prevaleren boven het belang van HEEMwonen. HEEMwonen loopt financieel geen enkel risico terwijl [eiseres] dakloos raakt zodra zij de woning dient te verlaten. Ook is van belang dat HEEMwonen aan [eiseres] heeft aangeboden om een andere woning met begeleiding te gaan bewonen. [eiseres] heeft inmiddels ook zelf hulp van een bewindvoerder ingeschakeld.

[eiseres] stelt het gevorderde bedrag te kunnen betalen en zij heeft iemand bereid gevonden die zich garant wil stellen voor toekomstige huurtermijnen (een half jaar tot één jaar vooruit). Zodra zij de woning dient te verlaten, is sprake van een noodtoestand. [eiseres] woont samen met haar dochter (5 jaar oud) in de woning. Zij beschikt niet over andere woonruimte, zij kan haar goederen nergens opslaan en zij verkeert daardoor in een grote financiële impasse.

4.6.

HEEMwonen betwist dat zij bij [eiseres] de verwachting heeft gewekt dat zij in de woning mocht blijven. HEEMwonen heeft na het vonnis van 11 juni 2018 de achterstand nooit gedoogd. In de loop der tijd heeft HEEMwonen veelvuldig met [eiseres] gecorrespondeerd over de achterstand. HEEMwonen heeft een opsomming van correspondentie opgenomen in randnummer 18 van de conclusie van antwoord. Ook stelt HEEMwonen dat zij [eiseres] eerder, onder meer in oktober 2019, per mail gewaarschuwd heeft voor ontruiming als betaling uitblijft. Dat HEEMwonen ondanks de situatie [eiseres] nog heeft aangeboden om haar bij een andere sociale verhuurder aan te melden voor begeleid wonen, kan haar niet tegengeworpen worden, aldus HEEMwonen. Gelet op de omvang van de huurachterstand en de kansen die zij [eiseres] na het vonnis van 11 juni 2018 geboden heeft om die achterstand in te lopen, is HEEMwonen van mening dat zij geen misbruik maakt van haar bevoegdheid om tot executie van dat vonnis over te gaan. Ook van een noodtoestand is geen sprake, aldus HEEMwonen.

4.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft HEEMwonen door in haar brief van
27 januari 2020 [eiseres] de mogelijkheid te bieden om een ontruiming te voorkomen niet bij [eiseres] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de ontruiming niet zou worden aangezegd. Integendeel, de tekst van de brief is duidelijk. Onbetwist is tijdens de mondelinge behandeling door HEEMwonen gesteld dat [eiseres] niet vóór 31 januari 2020 contact met haar heeft opgenomen, reden waarom HEEMwonen de deurwaarder opdracht heeft gegeven de ontruiming aan te zeggen. Pas kort voordat de deurwaarder de exploten heeft betekend, is er op 8 februari 2020 via de toenmalige gemachtigde van [eiseres] contact gezocht met HEEMwonen. Partijen verschillen van mening wat de exacte inhoud van dit gesprek geweest is. Volgens [eiseres] mocht ze alsnog binnen veertien dagen betalen, maar werd ze kort erna overvallen door de exploten. Volgens HEEMwonen zijn er op
8 februari 2020 geen harde afspraken gemaakt; de toenmalige gemachtigde zou opnieuw contact opnemen met HEEMwonen na eerst nog overleg te plegen met [eiseres] . HEEMwonen stelt dat dit nieuwe contact er niet meer geweest is. Het enige bericht dat zij nog van de toenmalige gemachtigde heeft gehad was de e-mail van 5 maart 2020 (productie 3 bij conclusie van antwoord) waarin gemeld werd dat [eiseres] de woning uiterlijk per einde maart 2020 zelf zou verlaten. De kantonrechter overweegt dat een kort gedingprocedure zich niet leent voor nadere bewijslevering via het horen van getuigen. De kantonrechter zal moeten beslissen op basis van wat partijen in deze procedure naar voren hebben gebracht. De bewijslast van de stelling dat er sprake is van schending van opgewekte verwachtingen, waardoor executie van het vonnis van 11 juni 2018 misbruik van bevoegdheid oplevert, rust gelet op het bepaalde in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering op [eiseres] . Wat [eiseres] in deze kort gedingprocedure naar voren heeft gebracht is onvoldoende om aannemelijk te achten dat er sprake is geweest van een schending van door HEEMwonen rond januari-februari 2020 opgewekte verwachtingen. Ook van een gedogen van de huurachterstand door HEEMwonen voor die tijd is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake geweest, gelet op de door HEEMwonen bij conclusie van antwoord overgelegde correspondentie over de huurachterstand die inhoudelijk niet betwist is.

4.8.

Ook anderszins is van misbruik van bevoegdheid geen sprake. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

4.9.

Vast staat dat ten tijde van het aanhangig maken van deze procedure [eiseres] het restant van de huurachterstand nog niet had betaald. Er zijn weliswaar na het vonnis van
11 juni 2018 betalingen verricht teneinde de destijds bestaande achterstand in te lopen maar daar tegenover staat dat er ook weer een nieuwe achterstand is ontstaan. Hoewel [eiseres] , aldus haar eigen stelling, de beschikking heeft over een bedrag om de achterstand in te lopen, heeft zij dit bedrag op de dag van de mondelinge behandeling nog steeds niet voldaan aan HEEMwonen.

4.10.

Het feit dat [eiseres] door de ontruiming dakloos wordt, is inherent aan een ontruiming en een omstandigheid die voor haar rekening dient te komen. Zij had deze immers eerder kunnen voorkomen. Ook het overige door [eiseres] dienaangaande gestelde (haar minderjarige dochter, het niet kunnen opslaan van haar goederen en het als gevolg van een ontruiming in een grote financiële impasse te geraken), is niet toereikend om van een noodtoestand als bedoeld in Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 en
HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 te kunnen spreken.

4.11.

De vorderingen van [eiseres] zullen daarom worden afgewezen.

Proceskosten

4.12.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, die HEEMwonen tot op heden heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 480,00 voor salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding aan de zijde van HEEMwonen tot op heden begroot op € 480,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: JvdH