Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:2270

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
26-03-2020
Zaaknummer
C/03/246869 / HA ZA 18-113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 164 lid 2 Rv, partijgetuigenverklaring wordt onvoldoende op essentiële punten ondersteund, bewijs niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/246869 / HA ZA 18-113

Vonnis bij vervoeging van 18 maart 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

advocaat mr. J.J.M. Goumans,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. V.H.A. Griffioen.

Partijen zullen hierna [eiser] (eiser) en [gedaagde] (gedaagde) genoemd worden. De nummering van het op 17 juli 2019 tussen partijen gewezen vonnis zal worden voortgezet.

11 De procedure

11.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 juli 2019

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 16 oktober 2019

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van [eiser]

  • -

    de conclusie na enquête met productie 5 van [gedaagde] .

11.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

12 De verdere beoordeling

12.1.1

Bij vonnis van 17 juli 2019 heeft de rechtbank [gedaagde] toegelaten te bewijzen dat:

- hij omstreeks de periode oktober 2013 tot en met oktober 2015 telkens 1 x per maand

ongeveer 1/24e deel van € 10.000,00 contant aan zijn moeder gaf,

- [eiser] geen huur heeft betaald aan de ouders van partijen toen hij in de periode van

3 augustus 1979 - 25 maart 1992 het pand [adres] te [plaats] van de ouders

huurde.

12.1.2

[gedaagde] heeft zichzelf als (partij)getuige doen horen. Zijdens [gedaagde] is afgezien van het horen van de eerder opgegeven getuige [getuige] . [eiser] heeft afgezien van contra-enquête.

12.2.1

Ten aanzien van de bewijslevering van [gedaagde] met betrekking tot de maandelijkse, contante betalingen aan moeder overweegt de rechtbank als volgt.

12.2.2

[gedaagde] heeft als volgt verklaard:

“Ik weet zo uit mijn hoofd niet meer om welke andere reden ik hier zit. Ik hoor u rechter zeggen dat het gaat over de vraag of ik gedurende twee jaar periodiek geld aan mijn moeder heb gegeven. Nu weet ik het weer: zo rond 2013-2015 had ik problemen met crediteuren en ik was bang dat ze beslag zouden leggen op onder meer mijn loon en andere inkomsten. Om die reden heb ik toen elke maand een bedrag aan geld aan mijn moeder gegeven om voor mij te bewaren. Mijn moeder bewaarde dat geld over die twee jaar gedeeltelijk in de kluis thuis en gedeeltelijk bracht zij dit af en toe naar de bank in stortingen van tussen de € 200,- en € 1.000,-. Mijn moeder deed dit zelf en was toen nog goed ter been. Ik kan u nog zeggen dat na overlijden van mijn moeder de kluis thuis helemaal leeg was. Volgens mij hadden er in die kluis naast het door mij afgegeven geld ook nog gouden sieraden van mijn moeder moeten liggen en verzekeringspapieren en dergelijke. Ik heb niet goed bijgehouden wat ik in die twee jaar aan mijn moeder heb gegeven, maar ik schat op dit moment dat het zo’n € 12.000,- is geweest. Mijn moeder hield wel bij hoeveel geld ik aan haar gaf. Dat schreef zij op een briefje en dat briefje lag in de kluis, maar ja, die kluis was dus leeg bij overlijden van moeder.”

12.3

[gedaagde] heeft bij conclusie na enquête aangevoerd dat [eiser] betaling van hem vordert, terwijl hij deze bedragen nooit aan [eiser] (c.q. de nalatenschap) verschuldigd is geweest, aangezien het steeds zijn geld is geweest, reden waarom de bewijslast niet op hem, maar op [eiser] rust. De door hem afgelegde verklaring heeft volgens hem dan ook niet te gelden als een partijgetuigenverklaring. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Het door hem gevoerde verweer is geen betwisting van een feit dat [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. [eiser] heeft immers aangevoerd dat [gedaagde] een bedrag moet inbrengen omdat hij dit bedrag na overlijden van moeder uit de boedel van moeder heeft gehaald. [gedaagde] heeft dit feit erkend, maar ter bevrijding aangevoerd dat dit bedrag hem toekwam omdat het door hem aan moeder in bewaring was gegeven. Gelet op het in art. 150 Rv bepaalde, is [gedaagde] dan ook de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten of rechten (namelijk, kort gezegd: “het is mijn geld”), reden waarom [gedaagde] de bewijslast van die feiten of rechten draagt. Gesteld noch gebleken is dat uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Nu [gedaagde] partij in dit geding is en hij belast is met het leveren van bewijs, is zijn verklaring een partijgetuigenverklaring.

12.4

De rechtbank stelt voorop dat art. 164 lid 2 Rv van toepassing is op de verklaring van [gedaagde] . Dit betekent dat met betrekking tot de feiten die [gedaagde] moet bewijzen heeft te gelden dat aan zijn eigen verklaring slechts bewijs ten voordele van hem kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1057). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU7933).

12.5.1

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [gedaagde] op essentiële punten onvoldoende wordt ondersteund.

Bij conclusie na enquête heeft [gedaagde] aangevoerd dat uit het proces-verbaal van

21 juni 2019 blijkt dat óók [eiser] van mening is dat de door [gedaagde] aan zijn moeder in bewaring gegeven gelden nooit tot de nalatenschap hebben behoord en dat de getuigenverklaring van [gedaagde] op dat punt wordt ondersteund door de erkenning van [eiser] . De rechtbank gaat hieraan echter voorbij, nu deze door [gedaagde] voorgestane uitleg op een verkeerde lezing berust van hetgeen in het proces-verbaal staat. [eiser] heeft ter comparitiezitting enkel erkend dat [gedaagde] een bedrag van € 3.310,00 terecht van de rekening van moeder heeft gehaald, terwijl [eiser] voor het overige heeft gepersisteerd bij zijn stelling dat [gedaagde] het (resterende) bedrag van € 11.040,00 ten onrechte van de rekening van moeder heeft gehaald.

Verder heeft [gedaagde] inconsistente stellingen ingenomen. Zo heeft hij bij conclusie van antwoord (sub 6) – kort gezegd – aangevoerd dat hij destijds last had van crediteuren en beslagleggingen en dat hij, na ontvangst van het salaris op zijn bankrekening, het geld direct liet overboeken naar de bankrekening van moeder, om dat geld in tranches weer terug te ontvangen. Ter comparitiezitting van 21 juni 2019 heeft [gedaagde] echter verklaard gedurende ongeveer twee jaar telkens 1 x per maand telkens ongeveer 1/24e deel van € 10.000,00 van door hem ontvangen salaris contant aan moeder te hebben gegeven om te voorkomen dat crediteuren van hem daarop beslag zouden leggen. De rechtbank heeft vervolgens [gedaagde] toegelaten dit te bewijzen. Daarop heeft [gedaagde] als partijgetuige verklaard dat hij elke maand een bedrag aan moeder gaf, dat zij deels thuis in een kluis bewaarde en deels zelf in stortingen tussen € 200 en € 1.000 naar een bank bracht. Zijn getuigenverklaring wordt door niets ondersteund. Zo heeft [gedaagde] bijvoorbeeld niet gewezen op bankafschriften van de rekening van moeder, met daarop vermeld stortingen van contante gelden.

12.5.2

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het niet door [gedaagde] bewezen dat hij gedurende twee jaar telkens 1 x per maand telkens circa € 416,00 contant aan moeder heeft gegeven. Het door [eiser] bij petitum sub d gevorderde ligt dan ook in zoverre voor toewijzing gereed dat, nu [eiser] heeft erkend dat [gedaagde] € 3.310,00 terecht heeft opgenomen, de vordering niet langer ziet op een bedrag van € 10.762,50, maar op een bedrag van

(€ 11.040,00 x 75% =) € 8.280,00. Laatstgenoemd bedrag zal dan ook worden toegewezen. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de wettelijke rente, zodat deze met ingang van 2 januari 2018 over € 8.280,00 zal worden toegewezen.

12.6.1

Ten aanzien van de bewijslevering van [gedaagde] dat [eiser] geen huur betaalde aan de ouders van partijen toen hij in de periode van 3 augustus 1979-25 maart 1992 van de ouders huurde het pand [adres] te [plaats] , overweegt de rechtbank als volgt.

12.6.2

[gedaagde] heeft als volgt verklaard:

“Ik heb een slecht geheugen wat jaartallen betreft, dus ik kan aan wat ik nu ga vertellen geen concrete jaartallen plakken. Ik weet nog dat mijn broer ongeveer dertien jaar heeft gewoond in het huis van mijn ouders aan de [adres] te [plaats] . Hij had dit huis op stel en sprong nodig omdat hij moest trouwen. Tegenover de bewoning van dat huis zou mijn broer het huis opknappen, maar toen hij na dertien jaar het huis verliet, was er helemaal niets opgeknapt. Ik weet dat hij geen huurgelden heeft betaald vanwege het volgende. Mijn broer werkte bij mijn ouders en kreeg salaris. Dit salaris werd ook opgegeven bij de belastingen. Op enig moment heeft de belasting beslist dat hetgeen als loon was vermeld op de betreffende belastingaangiften te laag was omdat mijn broer geen huurpenningen betaalde. De belastingen hebben toen, ik weet niet meer precies wanneer, maar in één keer een naheffing met boete opgelegd aan mijn ouders. Dat was dus een naheffing die bestond uit alle maanden niet betaalde huurpenningen waarbij dit nominale bedrag aan huurpenningen werd beschouwd als loon en dat loon moest dus belast worden. Ik weet niet precies hoe de aanslag eruit zag, maar ik weet nog dat de aanslag met volgens mij een strafheffing in totaal fl. 25.000,- was. Ik weet dit nog zo goed omdat wij in dat jaar op vakantie zouden, maar dat ging toen door de aanslag niet door. Zoals gezegd heb ik geen geheugen voor jaartallen, maar ik weet wel dat die aanslag kwam in het laatste jaar dat mijn broer aan de [adres] woonde want toen die aanslag kwam had hij er genoeg van en is toen ergens anders gaan wonen.”

12.7

Onder verwijzing naar het onder rov. 12.4 weergegeven kader is de rechtbank is van oordeel dat er geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring van [gedaagde] voldoende geloofwaardig maken om te oordelen dat [gedaagde] het hem opgedragen bewijs heeft geleverd.

12.8.1

Bij conclusie na enquête heeft [gedaagde] – kort gezegd – aangevoerd in bewijsnood te verkeren die grotendeels door [eiser] is veroorzaakt, omdat [eiser] geen uitvoering wil(de) geven aan het vonnis van de rechtbank van 31 oktober 2018. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet, nu uit de door hem overgelegde brieven van de ING Bank van 14 oktober 2019, de Rabobank van 6 november 2019 en het UWV van 9 december 2019 genoegzaam blijkt dat de banken afschriften zeven jaar bewaren en dat het UWV niet beschikt over gegevens van vóór 1998, zodat [eiser] – na het vonnis van 31 oktober 2019 – deze gegevens evenmin van de betreffende instellingen had kunnen krijgen.

De rechtbank gaat als speculatief voorbij aan hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd met betrekking tot een door de Belastingdienst aan de ouders opgelegde naheffingsaanslag omdat [eiser] geen huurgelden heeft betaald, te weten dat “een zeer waarschijnlijke uitleg” volgens hem is dat de Belastingdienst het wonen van [eiser] als een “schenking” heeft geëtiketteerd.

Ook de ter zitting van 21 juni 2019 door [eiser] afgelegde verklaring, die [eiser] bij conclusie na getuigenverhoor heeft herhaald, te weten dat hij destijds bij zijn ouders werkte en een maandelijks netto salaris van hfl 1.680,00 ontving, waarvan echter hfl 250,00 werd ingehouden als huur en hij feitelijk elke maand een bedrag van hfl 1.430,00 ontving, ondersteunt de partijgetuigenverklaring van [gedaagde] niet. Hieruit is immers af te leiden dat [eiser] wél huurpenningen betaalde, terwijl de stelling van [gedaagde] is dat hij deze niet betaalde. Dat – zoals [gedaagde] heeft aangevoerd – deze inhouding “naar alle waarschijnlijkheid door de belastingdienst als te laag is beschouwd zodat een naheffing heeft plaatsgevonden”, is wederom speculatief zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat. Overigens, zo dit veronderstellenderwijs al waar zou zijn, ondersteunt dit niet zijn te bewijzen stelling dat de ouders een huurvordering hadden op [eiser] die in de boedelbeschrijving dient te worden opgenomen.

Ten slotte wordt de stelling van [gedaagde] dat [eiser] het huis mocht bewonen als hij het zou opknappen niet door enig enkel feit of omstandigheid ondersteund, zodat de rechtbank ook hieraan voorbijgaat.

12.8.2

Uit al het voorgaande volgt dat [gedaagde] er niet in is geslaagd te bewijzen dat bij de boedelbeschrijving een huurvordering van de ouders op [eiser] had moeten worden opgenomen. [eiser] heeft bij de berekening van de legitieme portie van [gedaagde] dan ook terecht geen rekening hiermee gehouden.

12.9

Recapitulerend betekent dit dat van het door [eiser] gevorderde, zal worden toegewezen € 8.280,- met rente (rov. 12.5.2 hiervoor), € 2.629,88 met rente (rov. 9.5 tussenvonnis 17 juli 2019) en € 6.000,- met rente (rov. 4.11 tussenvonnis 31 oktober 2018 en rov. 9.6.4 tussenvonnis 17 juli 2029). In totaal dus € 16.909,88 te vermeerderen met rente.

12.10

De rechtbank ziet in het feit dat partijen broers zijn, aanleiding de proceskosten

te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

13 De beslissing

De rechtbank

13.1

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen € 16.909,88, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover, berekend vanaf 2 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

13.2

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

13.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

13.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020.1

1 type: JC