Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:2140

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
03/659193-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Korte wederrechtelijke vrijheidsberoving / ontvoering van zesjarig meisje in kofferbak auto (artikel 282 Wetboek van Strafrecht)”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659193-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens 1] ,

wonende te [adres] ,

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.H.L. Antonides, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Het onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 februari 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

[slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden;

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, gelet op de aangifte, het DNA van het slachtoffer op een haar aangetroffen in de kofferbak, de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd, de getuigenverklaring waaruit blijkt dat er bij verdachte geen paniek wordt waargenomen en het geluidsfragment van de 112 melding.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte ten onrechte niet als kwetsbare verdachte is aangemerkt hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde nu wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

De raadsman heeft dit standpunt uiteengezet in een pleitnota, die aan dit vonnis zal worden gehecht en waarvan de inhoud geacht moet worden deel uit te maken van dit vonnis.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen

Op 6 juni 2018, omstreeks 18:43 uur, maakt verdachte een melding via 112 dat hij vanuit zijn auto heeft gezien dat een witte personenauto, Volkswagen Golf, met hoge snelheid over de weg reed en dat een meisje in de kofferbak zat.2

Kort daarop, op 6 juni 2018 omstreeks 18:50 uur, meldt [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) zich met haar ouders bij de politie te [plaats] . [slachtoffer] , een zesjarig meisje, komt huilend en overstuur bij haar moeder thuis, zo blijkt uit de aangifte door de moeder van [slachtoffer]3 en de verklaring van haar partner.4 Zij vertelt aan haar moeder dat haar vriendinnetje niet thuis was en zij op de terugweg naar huis bij het gangpad achter de woning, op de kruising van [straat 1] en [straat 2] te [plaats] , werd aangesproken door een man die naast een personenauto stond. Hij vroeg haar of ze een stukje met hem mee wilde rijden. Zij heeft tegen hem gezegd dat ze dat niet wilde, waarop hij haar in de kofferbak van de auto heeft gestopt. De man is met haar in de kofferbak rond gaan rijden en heeft haar bij de school ‘ [straat 2] ’ weer uit de kofferbak gelaten, waarna ze naar huis is gelopen.5

Zowel getuige [naam getuige 1]6 als getuige [naam getuige 2]7 zien op 6 juni 2018 omstreeks 17:55 - 18:00 uur op de hoek van de brandgang bij [straat 1] en [straat 2] te [plaats] een zes- of zevenjarig meisje staan bij een witte personenauto. De getuigen verklaren beiden dat zij zagen dat de mannelijke bestuurder tegen het meisje praatte.

Uit het proces-verbaal waarin op basis van beelden van camera’s in de omgeving de bewegingen van de auto en het meisje in chronologische volgorde zijn weergegeven blijkt dat [slachtoffer] omstreeks 18:00 bij de [straat 1] [huisnummer] staat. Vlak daarvóór rijdt een witte [auto] door de [straat 1] die vervolgens nagenoeg direct weer terugrijdt in de richting van de [straat 2] en nummer [huisnummer] . Op meerdere beelden in de omgeving komt rond dit tijdstip een witte [auto] in beeld, waarvan het kenteken [kenteken 1] gedeeltelijk kan worden gelezen.8

[verdachte] heeft als getuige verklaard dat hij in bezit is van een witte [auto] met kenteken [kenteken 2] . De auto op de camerabeelden komt overeen met de witte [auto] van getuige [verdachte] , zijnde de verdachte.9

Tijdens het sporenonderzoek worden haren aangetroffen in de kofferbak en op de hoedenplank van de auto van de verdachte. Deze haren zijn bemonsterd. Aan dit monster wordt het SIN-nummer AALS0883NL toegekend. Van een van de haren, met AALS0883NL#02, wordt een autosomaal DNA-profiel verkregen, dat matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] .10

De verdachte heeft bij zijn eerste verhoor op 13 juni 2018 verklaard dat hij op 6 juni 2018 met zijn [auto] bij de [straat 3] te [plaats] wiet heeft gekocht. Op het moment dat hij zijn kofferbak open deed om de wiet onder de bodem van de kofferbak te leggen, sprak een meisje hem aan over de wiet. De verdachte raakte daarop in paniek en als reactie heeft hij haar opgepakt en in zijn kofferbak gestopt. Hij is gaan rondrijden en vervolgens heeft hij haar bij de sportschool weer uit de kofferbak gelaten.11 De verdachte heeft na dit verhoor telkens verklaard dat hij niets meer weet van deze gebeurtenis.

Bewijsoverwegingen

Kwetsbare verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat het verhoor van de verdachte op 13 juni 2018 uitgesloten moet worden van bewijs omdat de verdachte vanaf het begin aangemerkt had moeten worden als kwetsbare verdachte. Immers verdachte woonde in een begeleide woonvoorziening.

De rechtbank is van oordeel dat er niet aanstonds van uit hoefde te worden gegaan dat het een kwetsbare verdachte betrof vanwege het enkele feit dat de verdachte begeleid woont.

Verdachte heeft op 6 juni 2018 een gedetailleerde verklaring als getuige afgelegd. Op 7 juni 2018 neemt de verbalisant die de afgelegde route onderzoekt telefonisch contact met hem op en beantwoordt hij de aan hem gestelde vragen.

Op 13 juni 2018 bij aanhouding en voorafgaande aan het eerste verhoor, dat plaatsvond voor de inverzekeringstelling, is verdachte gewezen op het consultatierecht. Verdachte achtte verhoorbijstand niet nodig. Dat de verbalisanten op dat moment al moesten inzien dat hij de strekking van deze vraag niet kon overzien, valt gelet op het voorgaande niet in te zien. Uit het proces-verbaal van het verhoor van 13 juni 2018 maakt de rechtbank op dat de verbalisanten verdachte diverse keren op zijn zwijgrecht hebben gewezen. Verdachte verklaart dan na enige tijd uit zichzelf dat hij heeft gelogen en dat hij het meisje inderdaad heeft meegenomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit verhoor met voldoende waarborgen is omkleed. Nadat de verbalisanten tot het vermoeden kwamen dat de verdachte een kwetsbare verdachte zou kunnen zijn, hebben de verbalisanten daarvoor ook de benodigde maatregelen getroffen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het verhoor van 13 juni 2018 gebruikt kan worden als bewijs.

DNA

De raadsman heeft aangevoerd dat de haren niet op juiste wijze veilig zijn gesteld. Daarnaast heeft het DNA-profiel zeer beperkte bewijswaarde en kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het DNA profiel van het haarspoor van [slachtoffer] is, aangezien niet duidelijk is op welke plaats in de auto het haar is aangetroffen.

Uit het dossier blijkt dat de bewuste haar is aangetroffen achterin de auto van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de haar door de forensische opsporing en het NFI op de juiste wijze is veiliggesteld. Voor mogelijke contaminatie, waar de raadsman op doelt, ziet de rechtbank geen enkel aanknopingspunt. Het NFI heeft vastgesteld dat het verkregen autosomale DNA-profiel uit de haar matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] . De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van het NFI en is van oordeel dat deze conclusie voor het bewijs kan worden gebezigd, Dat het, zoals de raadsman heeft aangevoerd slechts zou gaan om één haar, maakt dit niet anders. Het aantreffen van de haar achter in de auto van verdachte ondersteunt de verklaring van het kind dat zij achter in de auto van verdachte heeft verbleven. Verdachte heeft geen enkele andere verklaring aangevoerd waaruit zou blijken hoe die haar achterin zijn auto terecht is gekomen.

De rechtbank stelt op grond van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen vast dat de verdachte [slachtoffer] tegen haar wil in de kofferbak van zijn auto heeft gestopt en vervolgens is weggereden. Verdachte heeft [slachtoffer] aldus wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Daarbij overweegt de rechtbank dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij niet met de verdachte mee wilde, en volgens haar moeder en haar partner huilend en overstuur thuiskwam. De aangifte wordt ondersteund door de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] die een soortgelijke auto als die van verdachte zien en waarnemen dat de bestuurder van deze auto contact heeft met een meisje. Uit de camerabeelden blijkt verder dat zowel [slachtoffer] als de auto van de verdachte in elkaars directe omgeving en omstreeks hetzelfde tijdstip te zien zijn. Daarmee komen de locatie en het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen met elkaar overeen. Tijdens het sporenonderzoek wordt een haar van [slachtoffer] aangetroffen achterin de auto van de verdachte. Daarnaast verklaren zowel de verdachte als [slachtoffer] nagenoeg gelijkluidend over de plaats waar zij uiteindelijk uit de auto is gezet.

Overigens heeft de verdachte zelf verklaard dat hij een meisje in de kofferbak heeft gestopt en met haar is gaan rijden.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 6 juni 2018 in de gemeente [plaats] opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door genoemde [slachtoffer] in de kofferbak van zijn, verdachtes, auto te leggen en vervolgens met genoemde [slachtoffer] in die auto is gaan rijden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog [naam 1] heeft over de geestvermogens van de verdachte op 16 januari 2019 een rapport uitgebracht en op 19 september 2019 aanvullend gerapporteerd. Psychiater [naam 2] heeft op 16 augustus 2019 een rapport uitgebracht, Uit het rapport van [naam 3] blijkt dat de verdachte lijdt aan een lichte autismespectrum stoornis en ADHD. De deskundige kan geen advies geven over de toerekeningsvatbaarheid omdat niet met de verdachte gesproken kon worden over het tenlastegelegde, nu hij zegt zich niks van te kunnen herinneren.

[naam 1] concludeert in haar aanvullend rapport dat, indien uitgegaan wordt van de beweegredenen zoals gebleken uit de verklaring van de verdachte zoals afgelegd bij de politie, het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Indien de verdachte door andere beweegredenen zou zijn gedreven, dan zijn die in het onderzoek niet bekend geworden. De deskundige concludeert dat zij in dat geval geen advies kan geven over de toerekeningsvatbaarheid.

De verdachte heeft verklaard dat hij wiet in zijn auto wilde leggen en omdat hij daarop werd aangesproken door het slachtoffer, hij in paniek raakte en haar om die reden in de kofferbak heeft gestopt en is weggereden.

Deze verklaring vindt geen steun in de bewijsmiddelen, en de rechtbank heeft in het dossier ook geen aanknopingspunten hiervoor aangetroffen. Daarnaast acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat het meisje hem over de wiet heeft aangesproken onaannemelijk, gelet op de jonge leeftijd van het slachtoffer (zes jaar).

Aangezien verdachte stelt zich van het voorval niets meer te herinneren en daarover dus niet meer of anders kan verklaren dan hij reeds heeft gedaan, is de rechtbank niet duidelijk geworden wat de beweegredenen van de verdachte waren om dit feit te plegen. De deskundigen hebben toegelicht dan geen advies te kunnen geven over de mate van toerekening. De rechtbank komt op basis daarvan tot de conclusie dat het tenlastegelegde aan de verdachte is toe te rekenen.

De verdachte strafbaar is, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden inhoudende een meldplicht, een ambulante behadeling, een alcohol en drugsverbod, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de wijk waar het slachtoffer woont. De officier van justitie gaat ervan uit dat het ten laste gelegde volledig aan de verdachte kan worden toegerekend.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij een bewezenverklaring een voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Het is van belang dat de verdachte een behandeling krijgt en de beschermende factoren, zoals werk en woning, niet te verliezen. Hij heeft de rechtbank verzocht om bij de beoordeling rekening te houden met de, naar mening van de raadsman, verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het zesjarig meisje [slachtoffer] . Het betreft een ernstig delict, vooral omdat het slachtoffer een zeer jong kind is. Kinderen vormen een kwetsbare groep in onze samenleving. Zij behoren zich voor hun opvoeding en vorming veilig te weten op straat en ten opzichte van volwassenen. Ouders zullen op enig moment hun kinderen buiten hun directe toezicht naar school of elders moeten kunnen laten gaan, zonder dat deze onderweg door volwassenen worden lastiggevallen, laat staan meegenomen. De verdachte heeft [slachtoffer] op klaarlichte dag in de kofferbak van zijn auto gestopt en is vervolgens weggereden. Daarmee is een angst uitgekomen die vrijwel iedere ouder kent.

Het is de rechtbank onduidelijk gebleven waarom de verdachte dit gedaan heeft. Van belang is dat hij [slachtoffer] al na enkele minuten rijden weer heeft vrijgelaten. Daarna heeft de verdachte zelf een 112-melding gedaan, waarmee hij in elk geval de aandacht van de politie op de vrijheidsberoving van een klein meisje vestigde. Mogelijk omdat hij zich schuldig voelde. In hoeverre verdachte zich nu nog schuldig voelt of verantwoordelijk voelt is moeilijk bespreekbaar gebleken omdat hij zich, naar eigen zeggen, niets meer herinneren van het gepleegde feit.

Psychiater [naam 3] concludeert – samengevat – dat verdachte behandeling nodig heeft, waarbij aandacht moet zijn voor zijn sociale beperkingen en voor het begrijpen van zichzelf en anderen. Verdachte kan problemen beperkt oplossen en heeft ook baat bij coping training. Er is sprake van voldoende beschermende factoren als werk, woning en een sociaal netwerk. [naam 3] adviseert een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek.

Psycholoog [naam 1] constateert – samengevat – dat door ontwikkelingsproblematiek de integratie van de persoonlijkheid onvoldoende tot stand is gekomen en verdachte kwetsbaar is voor ontregeling en cognitieve desoriëntatie / verwarring bij spanningen. Volgens [naam 1] is van belang dat verdachte in forensische zorg komt om de problematiek en de ontwikkeling daarvan te kunnen volgen en te behandelen.

Het is de rechtbank uit de rapporten van beide deskundigen duidelijk geworden dat er problematiek speelt in de persoon van de verdachte en hij daarbij hulp nodig heeft.

Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat verdachte beschikt over een beschermend sociaal netwerk waarop hij terug kan vallen. De verdachte heeft er ook blijk van gegeven te beseffen dat hij bezig moet zijn met zijn problematiek om problemen in de toekomst te voorkomen.

Naast verplichte behandeling dient verdachte vanuit het oogpunt van vergelding ook een straf te ondergaan. Gelet op de ernst van het gepleegde feit is een gevangenisstraf het uitgangspunt. Met een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht kan echter niet worden volstaan. Naast een gevangenisstraf zal de rechtbank dan ook een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen. Van belang is bovendien dat van de op te leggen straf voldoende afschrikkende werking uitgaat, om te voorkomen dat de verdachte opnieuw in de fout zal gaan. Ook om die reden zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen van 365 dagen, waarvan 182 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en daarnaast een taakstraf van 60 uur.

Tijdens de proeftijd zal de verdachte zich, naast de gebruikelijke algemene voorwaarden, moeten houden aan de bijzondere voorwaarden die de reclassering in haar rapport van 4 december 2018 adviseert, te weten een meldplicht, ambulante behandeling en een drugsverbod. Daarnaast zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden aan de verdachte een contact- en locatieverbod opleggen om contact met het slachtoffer [slachtoffer] te voorkomen.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.500,- wegens geleden immateriële schade als gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is de vordering voldoende onderbouwd en is het gevorderde bedrag passend bij de omstandigheden van het door de verdachte begane strafbare feit. Zij vordert dan ook toewijzing van de gevorderde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet te worden gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en om die reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Immers, verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van [slachtoffer] en het is aannemelijk dat dit een diepe impact op haar heeft gehad. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat het zeer jonge slachtoffer nadien niet meer wilde vertellen wat er gebeurd was en dat zij nog steeds bang is om alleen over straat te gaan. De rechtbank acht een bedrag van € 1.000,- voor immateriële schade hier alleszins redelijk en wijst de vordering voor dit bedrag toe.

Voor het overige acht de rechtbank de vordering onvoldoende onderbouwd en verklaart zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan zich voor dit deel van de vordering wenden tot de civiele rechter.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf

6 juni 2018, de dag waarop de schade is ingetreden, tot aan de dag van volledige voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 282 Wetboek van Strafrecht van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 182 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. veroordeelde moet zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij de Reclassering Nederland, Slachthuisstraat 31 6041 CB te Roermond en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  2. veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering;

  3. veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te laten behandelen door FFP de Horst of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zoveel korter als de reclassering – in overleg met de behandelaars – nodig acht. Veroordeelde moet zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

  4. veroordeelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

  5. veroordeelde mag op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortegegevens 2] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

  6. veroordeelde mag zich gedurende de proeftijd niet bevinden in de straten: [straat 1] en [straat 2] te [plaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk vindt;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  1. ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  2. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit

€ 1.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. P.H. Broier, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Smits, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 maart 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 6 juni 2018 in de gemeente [plaats] opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door genoemde [slachtoffer] in de kofferbak van zijn, verdachtes, auto te leggen en vervolgens met genoemde [slachtoffer] in die auto is gaan rijden;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg-Noord District Venlo Recherche Venlo, proces-verbaalnummer PL2300-2018084591, gesloten d.d. 24 juli 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 359.

2 Proces-verbaal uitgewerkte 112-melding d.d. 13 juni 2018, p. 81-86;

3 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 7 juni 2018, p. 98-101;

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juni 2018, p. 126-129;

5 Proces-verbaal bevindingen d.d. 7 juni 2018, p. 95-96;

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 1] d.d. 6 juni 2018, p. 131;

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 2] d.d. 15 juni 2018, p.145-146;

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2018, p. 213;

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2018, p.151;

10 NFI Rapport d.d. 25 oktober 2018;

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 juni 2018, p. 41-57;