Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:2107

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
26-03-2020
Zaaknummer
C/03/263910 / HA ZA 19-228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden; pensioen in eigen beheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/263910 / HA ZA 19-228

Vonnis bij vervroeging van 11 maart 2020

in de zaak van

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.P.C.M. van Riet,

tegen

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. H.F.A. Bronneberg.

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met drie producties

- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie

- de conclusie van antwoord in reconventie met twee producties

- het B8-formulier met producties 1 t/m 6 zijdens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie]

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 28 oktober 2019

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 7 juli 2001 onder uitsluiting van elke gemeenschap gehuwd. In art. 7 van de huwelijks voorwaarden van partijen is het volgende bepaald:

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding […]worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.

Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, de huurprijs voor de echtelijke woning en renten van geldleningen aangegaan ten behoeve van de financiering van voor het gemeenschappelijke huishouden bestemde zaken zoals de echtelijke woning, de vakantiewoning, de inboedel en de gezinsauto(‘s).

2. De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het te veel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.

Art. 9 van de huwelijkse voorwaarden van partijen bevat de volgende bepaling:

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding […] onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over een weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering.”

2.2.

Op 30 juni 2015 is een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend (welke datum als peildatum voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden geldt). Bij beschikking van 4 mei 2016 is het huwelijk ontbonden. Deze beschikking is op 4 mei 2016 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.

2.3.

Partijen houden de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] , in eenvoudige gemeenschap.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1) de in de dagvaarding omschreven vermogensbestanddelen aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] toebedeelt onder gehoudenheid aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] uit te keren een bedrag ad € 15.946,-, en tevens het daarheen te leiden dat binnen een termijn van zes maanden na het in deze te wijzen vonnis [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de geldleningen tot zekerheid waarvan hypotheken op het registergoed zijn gevestigd ten behoeve van de Rabobank;

2) indien [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de onder ad 1 genoemde termijn ongebruikt laat verstrijken c.q. niet in staat is [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] te doen ontslaan uit de bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid, bepaalt dat

- de naar keuze van de rechtbank aangewezen NVM Makelaar opdracht zal krijgen over te gaan tot verkoop van de woning aan een derde;

- partijen zich zullen conformeren aan de door de makelaar vastgestelde vraag- en laatprijs ten aanzien van de woning;

- [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zijn medewerking zal verlenen aan de totstandkoming van de opdrachtbevestiging aan die makelaar, en tevens gehouden zal zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van een notariële akte van levering van de woning aan een derde;

- alles op straffe van een dwangsom ad € 1.000,- per dag dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in gebreke blijft aan deze veroordelingen te voldoen;

3) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] veroordeelt over te gaan tot verevening van de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in zijn beheer BV opgebouwde pensioenrechten met dien verstande dat ter verrekening van die rechten aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] toekomt een bedrag ad € 29.541,-, welk bedrag [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zal storten bij een door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aan te wijzen verzekeringsmaatschappij ter aankoop van een lijfrente door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ;

4) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] veroordeelt in de kosten van dit geding en daarbij bepaalt dat alle kosten die strekken ten verkoop van het registergoed, waaronder begrepen de makelaars- en notariskosten, en alle kosten die direct of indirect verband houden met de verkoop en levering van dat registergoed, ten laste komen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] .

3.2.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft verweer gevoerd.

3.3.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

in reconventie

3.2.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap van goederen en de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vaststelt zoals omschreven onder de nummers 25 tot en met 30 van de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tot betaling daartoe veroordeelt.

3.3.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft verweer gevoerd.

3.4.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.

De vorderingen van partijen hangen zodanig met elkaar samen dat zij gemeenschappelijk worden beoordeeld.

4.2.

Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij willen afrekenen conform de huwelijkse voorwaarden en dat zij de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschap, bestaande uit de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire schulden aan de bank, willen verdelen. De rechtbank begrijpt de vorderingen van partijen dan ook zo dat deze strekken tot verrekening van overgespaarde inkomsten op grond van art. 9 van de huwelijkse voorwaarden, dan wel terugvordering op grond van art. 7 van de huwelijkse voorwaarden, en tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap. De rechtbank zal hieronder de door partijen in dat kader genoemde posten behandelen.

De woning en de hypothecaire geldleningen bij de Rabobank

4.3.

Partijen houden in eenvoudige gemeenschap de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats 2] , en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen bij de Rabobank met nummers 1141.9126.43, 1141.9128.13, 1141.9128.21, 1141.9135.50 en 1141.9140.18, zoals omschreven in het in de dagvaarding onder punt 3 opgenomen overzicht. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft betoogd dat de woning moet worden toegedeeld aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft echter gesteld dat hij de overname van de echtelijke woning niet kan financieren, hetgeen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet heeft betwist. De rechtbank zal daarom bepalen dat de woning dient te worden verkocht, dat partijen bij helfte draagplichtig zijn voor een eventuele onderwaarde en dat een eventuele overwaarde bij helfte tussen partijen zal worden gedeeld.

4.4.

Partijen hebben ter zitting verklaard dat de woning al vier jaar te koop staat. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft de stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat zij samen met [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de makelaar daartoe opdracht heeft gegeven (vgl. onder punt 5 van de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie), niet betwist. De rechtbank gaat er daarom van uit dat een makelaar reeds de opdracht heeft gekregen om tot verkoop van de woning over te gaan, zodat alleen al om die reden de vordering van de vrouw tot aanstelling van een door de rechtbank gekozen makelaar zal worden afgewezen. De rechtbank zal verstaan dat er al een makelaar is, waarin partijen voldoende vertrouwen hebben.

4.5.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] die ertoe strekt dat partijen zich zullen conformeren aan de door de makelaar vastgestelde vraag- en laatprijs en medewerking zullen verlenen aan de verkoop en levering van de woning. De rechtbank zal partijen derhalve opdragen zich te conformeren aan eventuele bijstellingen van de vraag- en laatprijs van de woning door de makelaar die thans de opdracht heeft om de woning te verkopen. De rechtbank zal eveneens bepalen dat beide partijen gehouden zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een koopovereenkomst en aan het verlijden van een notariële akte van levering ten aanzien van de woning. Er zijn geen termen om de gevorderde dwangsom af te wijzen, zodat die zal worden toegewezen. Deze zal ambtshalve worden gematigd en gemaximeerd zoals hierna in het dictum is vermeld.

4.6.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft gesteld dat de verkoopkosten bij helfte door partijen moeten worden gedragen. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gevorderd dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zal worden veroordeeld in alle kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning. Nu sprake is van een woning die partijen in gemeenschappelijke eigendom houden, ziet de rechtbank geen reden om [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te veroordelen in de kosten die verband houden met verkoop en levering van de woning. De rechtbank zal bepalen dat ieder der partijen gehouden is de helft van de kosten van de verkoop en levering van de woning te dragen.

De eigenwoningschuld van € 110.00,- en de rekening-courantschuld

4.7.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft gesteld dat partijen een schuld in rekening-courant hebben aan [naam bv] ter grootte van € 148.906,-. Het betreft, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , een lening die is aangewend ter bestrijding van kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zoals kosten van verbouwing en kosten in verband met de hypotheek (zie onder punt 13 van de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie). Ter zitting heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gesteld dat bovendien sprake is van een eigenwoningschuld van partijen aan [naam bv] ter waarde van € 110.000,-. Deze is ontstaan, zo begrijpt de rechtbank, doordat met middelen van [naam bv] , dan wel rechtstreeks door [naam bv] , de gezamenlijke schuld van partijen uit het hypothecair bouwdepot is afgelost.

4.8.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft het bestaan van de schulden als zodanig niet betwist. Zij heeft wel gesteld dat zij niet heeft meegetekend en dus niet aansprakelijk of draagplichtig is voor deze schulden, terwijl de uitgaven bovendien niet zagen op huishoudelijke kosten.

4.9.

Nu [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet heeft gesteld of onderbouwd dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (samen met hem) de betreffende schulden is aangegaan of op enige andere wijze (samen met hem) aansprakelijk is geworden voor deze schulden, zal de rechtbank ervan uitgaan dat de schulden alleen door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zelf zijn aangegaan en dat alleen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] jegens [naam bv] aansprakelijk is. De vordering strekkende tot het geven van een verklaring voor recht dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] voor 50% aansprakelijk is voor deze schulden (vgl. onder punt 27 van de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie), zal derhalve worden afgewezen.

4.10.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] eveneens heeft willen stellen dat de waarde van de schulden op grond van art. 7 van de huwelijkse voorwaarden in de verrekening tussen partijen moet worden betrokken (vgl. onder punten 14 en 15 van de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie). De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt: De rechtbank ziet geen gronden of termen op grond waarvan de kosten van de verbouwing van de gemeenschappelijke woning niet zouden vallen binnen het bereik van “kosten van de gemeenschappelijke huishouding”. De woning is immers gemeenschappelijk en uit niets blijkt dat slechts ten behoeve van 1 partij die verbouwingskosten zijn gemaakt. Op grond van art. 7 van de huwelijkse voorwaarden dienden [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] naar evenredigheid van de inkomens van beide echtgenoten en voor zover deze inkomen ontoereikend zijn, uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan, deze uitgaven (en overige huishoudelijk uitgaven) te bekostigen. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft niets gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij uit zijn inkomen of uit zijn vermogen meer heeft bijgedragen dan zijn aandeel. Het enkele feit dat hij ter bestrijding van de kosten van de verbouwing (of de kosten van de huishouding in het algemeen) schulden is aangegaan kan er niet toe leiden dat daarom aan hem op grond van art. 7 van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsvordering toekomt. Het is immers zonder meer mogelijk dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , gezien de omvang van zijn vermogen (waaronder eveneens begrepen de waarde van de door hem gehouden aandelen in [naam bv] ), gehouden was de kosten van de verbouwing en de overige kosten van de huishouding tot het beloop van deze schulden te financieren. Reeds om deze reden komt aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geen vordering uit art. 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden toe. Daarmee staat ook vast dat de waarde van de rekening-courantschuld en de eigenwoningschuld aan [naam bv] niet in de verrekening tussen partijen behoeft te worden betrokken.

[naam bv]

4.11.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] maakt aanspraak op verrekening van de liquide middelen aanwezig in [naam bv] op de peildatum, welke liquide middelen zij kwalificeert als opgepotte winsten. Het enkele feit dat [naam bv] per peildatum liquide middelen aanhield kan er echter niet toe leiden dat deze middelen als opgepotte winsten in de verrekening tussen partijen moeten worden betrokken. Nu [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet nader heeft onderbouwd waarom in dit geval sprake is van een situatie zoals bedoeld in art. 1:141 lid 4 BW, zal de rechtbank dit betoog van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] passeren.

Saldo bankrekening

4.12.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] per peildatum op zijn bankrekening een positief saldo had van € 18.642,-, welke saldo als overgespaard inkomen voor verrekening tussen partijen in aanmerking komt. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft niet betwist dat hij per peildatum een positief saldo van € 18.642,- op zijn bankrekening had staan. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft wel gesteld dat het saldo van het vermogen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] (naar de rechtbank begrijpt: het saldo van zijn overgespaarde inkomsten) negatief is omdat hij een rekening-courantschuld aan zijn B.V. heeft van € 148.000,-. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft niet betwist dat bij de bepaling van het saldo van de overgespaard inkomsten van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] rekening moet worden gehouden met de rekening-courantschuld. De rechtbank zal er derhalve van uitgaan dat het saldo van de overgespaard inkomsten van de man negatief is, zodat tussen partijen uit dien hoofde niets valt te verrekenen.

4.13.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft ter zitting nog gesteld dat uit de aangifte IB 2014 blijkt dat hij € 12.656,- aan de belastingdienst heeft betaald en dat hij dat ziet als een nog te verrekenen vordering. Nu [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in het geheel niet heeft toegelicht op welke grond de betaling aan de belastingdienst voor verrekening tussen partijen in aanmerking komt, zal de rechtbank dit betoog passeren.

De kapitaalverzekering

4.14.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de waarde van de kapitaalverzekering ad € 11.369,- bij helfte tussen partijen moet worden gedeeld. De rechtbank zal [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] derhalve veroordelen tot betaling aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] van € 5.684,50.

Terugbetaling kindertoeslag

4.15.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de terugbetaling door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] van de kindertoeslag over 2014 ad € 14.000,- door beide partijen voor de helft moet worden gedragen. De rechtbank zal [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] derhalve veroordelen tot betaling aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] van € 7.000,-.

4.16.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld dat zij kosten voor particuliere kinderopvang voor haar rekening heeft genomen, welke kosten voor verrekening tussen partijen in aanmerking komen. Nu [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in het geheel niet heeft toegelicht op welke grond deze kosten tussen partijen dienen te worden verrekend, zal de rechtbank dit betoog passeren.

Pensioenrechten

4.17.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft onder verwijzing naar de door haar overgelegde accountantsrapportage 2016 gesteld dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als DGA binnen [naam bv] per peildatum een pensioen heeft opgebouwd van € 58.104,00 (althans dat in de jaarstukken per die datum een voorziening voor het pensioen is genomen ter grootte van dat bedrag) en dat zij recht heeft op verevening van dit bedrag. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is daarom, aldus [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , gehouden tot afstorting bij een door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aan te wijzen verzekeringmaatschappij van een bedrag van € 29.541,00. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft niet betwist dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in beginsel recht heeft op een afstorting ter grootte van € 29.541,00, maar heeft gesteld dat de B.V. na afstorting te weinig liquide middelen zou overhouden om de pensioenverplichting aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te voldoen.

4.18.

Op grond van art. 2 lid 1, in verbinding met art. 1 lid 4, aanhef en onder a, WVPS heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] recht op verevening van de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als DGA binnen [naam bv] tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraak. De eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, zullen in het algemeen meebrengen dat de tot verevening verplichte echtgenoot die als DGA de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak (naar commerciële waarde berekend). Indien echter op het tijdstip van scheiding onvoldoende kapitaal aanwezig is om én het aandeel van de tot verevening gerechtigde echtgenoot af te storten én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om (wederom naar commerciële waarde berekend) de met het aandeel van de tot verevening verplichte echtgenoot corresponderende pensioenaanspraak te dekken, zal het tekort in beginsel moeten worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening overeenkomstig art. 3 lid 1 WVPS leidt . De rechter kan, gelet op alle omstandigheden van het geval, beslissen dat geen aanspraak bestaat op (volledige) afstorting indien de tot verevening verplichte echtgenoot stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat de benodigde liquide middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming in gevaar te brengen (vgl. HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693, NJ 2017/237; HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:276).

4.19.

In onderhavige zaak vordert [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet afstorting van het kapitaal dat nodig is om bij een externe pensioenverzekeraar het aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] toekomende deel van de pensioenaanspraak jegens [naam bv] onder te brengen (d.w.z. de commerciële waarde van de pensioenaanspraak), maar slechts afstorting van de waarde van de pensioenaanspraak waarvoor in de jaarstukken van [naam bv] een voorziening is genomen (die, naar de rechtbank aanneemt, de fiscale waarde van de pensioenaanspraak betreft). [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft niet aangevoerd dat [naam bv] een negatief eigen vermogen heeft, maar heeft juist gesteld dat het eigen vermogen onbekend is althans per peildatum niet meer bedroeg dan € 57.000,-. Daarom moet worden aangenomen dat [naam bv] per datum echtscheiding over voldoende activa (kapitaal) beschikte om althans de waarde van de pensioenaanspraak waarvoor in de jaarstukken een voorziening is opgenomen, te dekken. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft verder niets gesteld omtrent de commerciële waarde van het aan hem toekomende deel van de pensioenaanspraak dat na afstorting van het door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gevorderde bedrag door [naam bv] moet worden gedekt en heeft ook niets gesteld omtrent de vraag of [naam bv] daartoe in staat zou zijn geweest. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft daarnaast op geen enkele wijze onderbouwd dat de benodigde liquide middelen voor afstorting van het bedrag van € 29.541,- thans niet kunnen worden vrijgemaakt zonder de continuïteit van [naam bv] in gevaar te brengen. Gezien bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] recht heeft op afstorting van het volledige bedrag waarop zij aanspraak maakt. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is echter niet persoonlijk gehouden tot betaling van dat bedrag (hetgeen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] thans vordert). De plicht van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] tot verevening houdt immers in dat hij als DGA ervoor zorg moet dragen dat [naam bv] tot deze afstorting overgaat. Dat betekent dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zal worden veroordeeld om ervoor zorg te dragen dat [naam bv] bij een door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aan te wijzen externe pensioenverzekeraar een bedrag van € 29.541,- afstort ter aankoop van een lijfrente ten behoeve van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] .

4.20.

De rechtbank begrijpt dat zowel [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] stellen recht te hebben op verevening van de door hen in loondienst opgebouwde pensioenrechten. Ter zitting is door beide partijen gesteld dat het kleine bedragen betreft die mogelijk niet boven de grens uitkomen die door pensioenfondsen wordt gehanteerd. Partijen hebben verder niet verduidelijkt wat de nettowaarde is van het pensioen dat door hen tijdens het huwelijk is opgebouwd. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat die waarde inderdaad niet boven het in art. 3 lid 3 WVSP, in verbinding met art. 66 lid 1 Pensioenwet, bedoelde bedrag uitgaat, zodat geen van beiden recht heeft op verevening van het door de ander in loondienst opgebouwde pensioen.

4.21.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt omdat partijen ex-echtgenoten zijn.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

gelast de verdeling van de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] , op de volgende wijze:

- bepaalt dat de woning aan een derde dient te worden verkocht, waarbij de verkoopopbrengst na aflossing van de aan de woning verbonden hypothecaire geldleningen (de leningen met nummers 1141912.643, 1141912813, 1141912821, 1141913550 en 1141914018) bij helfte wordt verdeeld, dan wel een eventuele restantschuld door partijen gelijkelijk wordt gedragen;

- verstaat dat partijen reeds opdracht hebben gegeven aan een makelaar om tot verkoop van de woning over te gaan, en dat partijen vertrouwen hebben in deze makelaar;

- bepaalt dat beide partijen zich zullen conformeren aan eventuele bijstellingen door deze makelaar van de vraag- en laatprijs van de woning;

- bepaalt dat beide partijen gehouden zijn alle medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een koopovereenkomst ten aanzien van de woning met een derde en gehouden zijn alle medewerking te verlenen aan het verlijden van een notariële akte van levering ten aanzien van de woning;

- bepaalt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] een boete zal verbeuren van € 50,- per dag dat hij in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen hierboven (bij het 3e en 4e gedachtestreepje) is bepaald, met een maximum van € 25.000,-;

- bepaalt dat ieder der partijen gehouden is de helft van de kosten van de verkoop en levering van de woning te dragen;

5.2.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] tot betaling aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] van € 5.684,50;

5.3.

veroordeelt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tot betaling aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] van € 7.000,-;

5.4.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] om ervoor zorg te dragen dat [naam bv] bij een door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aan te wijzen externe pensioenverzekeraar een bedrag van € 29.541,- afstort ter aankoop van een lijfrente ten behoeve van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ;

5.5.

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

compenseert de kosten van dit geding tussen partijen, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draag;

5.7.

wijst af al het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Loof en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2020.1

1 type: WL