Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:1982

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2918
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: bestuurlijke boete, Arbowet en –besluit, Beleidsregel, matiging, evenredigheid boete, licht blijvend letsel.

Betreft beroep tegen een bestuurlijke boete. De rechtbank overweegt dat eiseres onvoldoende inspanningen heeft verricht om het gevaar voor de werknemers om bekneld te raken tussen het kozijn en de werkbak zoveel mogelijk te beperken. Daardoor is artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit overtreden. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien voor matiging van de boete op grond van de Beleidsregel. De rechtbank acht de concrete toepassing van de in de Beleidsregel opgenomen verhoging van de boete in dit geval, gezien de aard van het letsel (betrokkene mist het bovenste kootje van zijn pink), niet evenredig en stelt de boete vast op 50% van het normbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2020/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB/ROE 18/2918

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres], te [vestigingsplaats], eiseres,

(gemachtigden: mr. T. Segers en mr. M.A.E. Ceelen),

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.D. Brouwers-Wozniak).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 10.800,00 wegens overtreding van artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit).

Bij besluit van 17 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar, dat eiseres tegen het primaire besluit heeft gemaakt, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij is beslist de boete te matigen tot

€ 8.100,00 en aan eiseres de door haar in bezwaar gemaakte proceskosten te vergoeden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020.

Eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend en eiseres in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de door verweerder ingebrachte stukken.

Eiseres heeft schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij alsnog op een zitting wensen te worden gehoord. Partijen hebben niet aangegeven dat zij op een nadere zitting wensen te worden gehoord.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Naar aanleiding van een arbeidsongeval dat op maandag 10 juli 2017 op een arbeidslocatie aan [adres] heeft plaatsgevonden, heeft een arbeidsinspecteur een boeterapport d.d. 29 augustus 2017 opgemaakt met kenmerk 11700102/03. In het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport is vermeld dat twee werknemers van eiseres, [B.] en [G.] op genoemde datum ten behoeve van een renovatie van een kantoorgebouw asbestsaneringswerkzaamheden hebben uitgevoerd, waarbij zij een kozijn met aan de bovenkant asbesthoudende panelen moesten verwijderen op een hoogte van circa 8 à 9 meter boven het maaiveld en circa 3 à 4 meter boven een uitbouw. Het betrof een Risicoklasse 1 sanering. Het inventarisatierapport schrijft voor dat het kozijn als één geheel uit het gebouw moet worden verwijderd. Voor de verwijdering is gebruik gemaakt van een verreiker, voorzien van een werkbak, waarin de werknemers werkzaam waren. De werkbak werd een paar centimeter onder het te verwijderen kozijn geplaatst. Na het losschroeven van het kozijn moest het kozijn vervolgens worden losgewrikt en handmatig in de werkbak worden geplaatst. De werknemers stonden bij de werkzaamheden in de werkbak aan de kant waar het kozijn na het loswrikken uit de gevel terecht zou komen. Toen het kozijn los kwam uit de gevel van het kantoorgebouw, kwam dit op de rand van de werkbak terecht, waar op dat moment [B.] zijn rechterhand had. Daarbij werd de rechterpink van [B.] door het kozijn met een totaalgewicht van 60 tot 80 kilogram getroffen en raakte de pink bekneld tussen het kozijn en de leuning van de werkbak. Ten gevolge van dit arbeidsongeval moest het buitenste kootje van de pink geamputeerd worden waardoor [B.] blijvend letsel heeft opgelopen. In het boeterapport wordt vastgesteld dat het handmatig loswrikken van het zware kozijn vanuit de werkbak een behoorlijke fysieke inspanning van de werknemers vergde en dat daarbij niet het gevaar is voorkomen dat het kozijn zodanig in beweging kon worden gebracht dat de werknemers van eiseres erdoor konden worden getroffen of geraakt en bekneld konden raken. Op grond daarvan wordt in het boeterapport geconcludeerd dat bij de hiervóór beschreven werkzaamheden het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen of onderdelen daarvan of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen of onderdelen daarvan, niet is voorkomen of indien dat niet mogelijk was, zoveel mogelijk is beperkt, hetgeen een overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) in verbinding met artikel 3.17 van het Arbeidsbesluit oplevert. Dit feit is in artikel 9.9b, eerste lid, onder c, van het Arbeidsbesluit beboetbaar gesteld.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres een boete van € 10.800,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet in verbinding met artikel 3.17 van het Arbobesluit. Verweerder heeft bij de berekening van de hoogte van de boete de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidsomstandighedenregelgeving (de Beleidsregel) toegepast en geen gronden voor matiging van de boete aanwezig geacht. Vervolgens heeft verweerder beoordeeld of de hoogte van de aldus vastgestelde boete in dit concreet geval evenredig is in de zin van de artikelen 5:46, tweede lid, en 3:4 van de Awb. Volgens verweerder is dat het geval. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.

3. Eiseres voert primair aan dat geen sprake is geweest van overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit. De enkele omstandigheid dat een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden is daarvoor onvoldoende. Eiseres betoogt dat verweerder zich weliswaar terecht op het standpunt stelt dat beoordeeld moet worden of eiseres het beknellingsgevaar, zoals hier aan de orde, zoveel mogelijk heeft beperkt, maar dat verweerder daarbij ten onrechte heeft betrokken hetgeen in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel is gesteld. In de Beleidsregel zijn de matigingsgronden vermeld. De vraag of de inspanningen van eiseres tot matiging moeten leiden is van een andere orde dan de vraag of eiseres het knelgevaar zoveel mogelijk heeft beperkt. Voor de beantwoording van deze laatste vraag is van belang dat de werkzaamheden niet op een andere wijze konden worden uitgevoerd. Volgens eiseres miskent verweerder dat de werkzaamheden volgens het in acht te nemen inventarisatierapport waren ingedeeld in risicoklasse 1, waarbij het kozijn in één geheel diende te worden verwijderd. Het was eiseres wettelijk niet toegestaan om het risico op beknellingsgevaar verder te beperken door het kozijn in twee stukken te zagen omdat zij dan in strijd zou hebben gehandeld met haar wettelijke verplichting om de asbestsanering uit te voeren conform de risicoklasse en verwijderingstechniek in het inventarisatierapport. Uitgaande van deze werkwijze betoogt eiseres dat zij alle noodzakelijke veiligheidsmaatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om de risico’s op beknelling zo veel mogelijk te beperken. Eiseres betoogt dat verweerder onvoldoende bewijs heeft aangedragen waarom het beknellingsgevaar niet voldoende is beperkt, zodat overtreding van artikel 3.17 Arbobesluit niet is komen vast te staan en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

3.1.

Subsidiair voert eiseres aan dat de boete volledig moet worden gematigd omdat aan alle factoren als bedoeld in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregels is voldaan. Eiseres betoogt dat in de door haar gemaakte risico-inventarisaties het risico op knelgevaar aan de orde is gesteld. Als concrete veiligheidsmaatregelen zijn benoemd dat het kozijn door twee personen diende te worden getild en dat handschoenen en / of veiligheidsschoenen waren voorgeschreven. Op grond daarvan betoogt eiseres dat aan de matigingsgronden onder a en b is voldaan, omdat (a) de risico’s voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld en omdat (b) de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze). Daarbij wijst eiseres erop dat volgens de werkzaamheden in risicoklasse 1 uitgevoerd moesten worden en het kozijn als één geheel verwijderd, verpakt en afgevoerd moest worden. Tevens zijn adequate instructies gegeven (factor c) omdat voor aanvang van de werkzaamheden voorlichting en werkinstructies aan de werknemers zijn gegeven, waarin knelgevaar is meegenomen. Verder is ook adequaat toezicht (factor d) gehouden onder meer omdat er twee ervaren Deskundig Toezichthouders Asbestverwijdering op de projectlocatie aanwezig waren.

3.2.

Meer subsidiair voert eiseres aan dat aan de evenredigheidstoets van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb niet is voldaan, omdat verweerder met de daadwerkelijke gevolgen van het arbeidsongeval onvoldoende rekening heeft gehouden. De gevolgen van het ongeval zijn juridisch aan te merken als blijvend letsel maar zijn zeer beperkt gebleven. Een vermenigvuldiging van het normbedrag met vier ter vaststelling van de boete acht eiseres niet evenredig.

4. Verweerder heeft in het verweerschrift zijn standpunt gehandhaafd dat eiseres artikel 16, tiende lid, van de Arbowet in verbinding met artikel 3.17 van het Arbobesluit heeft overtreden. Verweerder blijft ook bij zijn standpunt dat er geen gronden zijn voor matiging van de boete op grond van de Beleidsregel. Omdat volgens verweerder uit recente jurisprudentie volgt dat bij de hoogte van de op te leggen boetes meer rekening dient te worden gehouden met de ernst van het letsel, heeft verweerder in het verlies van een deel van de rechterpink alsnog aanleiding gezien de boete op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb te matigen tot € 8.100,00 (factor 3 in plaats van factor 4). Tevens heeft verweerder beslist de door eiseres in bezwaar gemaakte proceskosten te vergoeden en dat aan eiseres de wettelijke rente wordt vergoed over het terug te betalen bedrag.

5. Bij de behandeling van het beroep ter zitting is door eiseres bevestigd dat verweerder het terug te betalen bedrag inmiddels had overgemaakt. Eiseres betoogt naar aanleiding van het gewijzigde standpunt van verweerder dat de jurisprudentie van de Afdeling aanleiding geeft om de boete verder te matigen en een vermenigvuldigingsfactor 2 toe te passen.

Wettelijk kader

6. Artikel 16, tiende lid, van de Arbowet luidt: "De werkgever […] en de werknemers zijn verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald."

Artikel 3.16, vijfde lid, laatste volzin, van het Arbobesluit luidt: "Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming."

Artikel 3.17 luidt: "Het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, wordt voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt. Artikel 3.16, vijfde lid, laatste volzin, is van toepassing."

Artikel 1, tiende lid, van de Beleidsregel luidt: "Bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete kunnen één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:

[…]

b. bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden de boetenormbedragen van de daaraan ten grondslag liggende overtredingen vermenigvuldigd met vier.

[…]"

Artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel luidt: "Indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, kan dit leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel:

a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;

b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;

c. als er adequate instructies zijn gegeven;

d. als er adequaat toezicht is gehouden."

In artikel 5:46, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

Heeft eiseres artikel 3.17 van het Arbobesluit overtreden?

8. Op grond van artikel 3.17 van het Arbobesluit dient een werkgever te voorkomen dat werknemers getroffen of geraakt worden of bekneld kunnen raken door voorwerpen, en indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de beoordeling of eiseres artikel 3.17 van het Arbobesluit heeft overtreden, doordat zij het gevaar getroffen te worden door voorwerpen of bekneld te raken tussen voorwerpen niet zoveel mogelijk heeft beperkt, samenhangt met de beoordeling of eiseres één of meer van de inspanningen heeft verricht, vermeld in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3384 en 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2418).

8.1.

In het boeterapport zijn de uitgevoerde werkzaamheden waarbij het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden, beschreven. De juistheid daarvan is door eiseres niet bestreden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de werkzaamheden op een zodanige wijze zijn uitgevoerd dat er bij het loswrikken van een kozijn van deze omvang en met dit gewicht door twee personen in een werkbak een reëel gevaar bestond dat het kozijn op de werkbak terecht zou kunnen komen met het gevaar op beknelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit, zoals toegelicht in het verweerschrift, toereikend onderbouwd dat eiseres door deze werkwijze op te dragen onvoldoende inspanningen heeft verricht om het gevaar voor de medewerkers om bekneld te raken tussen het kozijn en de werkbak zoveel mogelijk te beperken. Verweerder zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres artikel 3.17 van het Arbobesluit heeft overtreden. De beroepsgrond slaagt niet.

Matiging op grond van de Beleidsregel

9. Eiseres voert subsidiair aan dat de boete volledig zou moeten worden gematigd omdat aan alle factoren als bedoeld in artikel 1, elfde lid, onder a tot en met d, van de Beleidsregel is voldaan.

9.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit toereikend heeft onderbouwd dat op grond van de voorhanden gegevens niet is gebleken dat eiseres de concrete risico’s van de concrete werkzaamheden, zoals beschreven in het boeterapport heeft onderkend. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de opgedragen, in het projectplan opgenomen, werkwijze door het kozijn vanuit een werkbak los te wrikken en in zijn geheel in de werkbak te zetten, onveilig was. De risico’s van deze concrete werkwijze zijn niet geïnventariseerd en er is geen veilige werkwijze ontwikkeld. Naar aanleiding van het betoog van eiseres dat zij verplicht was om de werkzaamheden conform het asbestinventarisatierapport uit te voeren en dat daarvan in dit geval niet kan worden afgeweken, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiseres vooraf in het belang van de bescherming van haar werknemers voor een andere veilige werkwijze had kunnen kiezen. Een andere werkwijze zou hebben ingehouden dat het kozijn in twee stukken was verwijderd, waardoor deze lichter en kleiner zouden zijn geweest. Eiseres had gezien het gevaar voor haar werknemers om bekneld te raken ervoor kunnen en moeten kiezen om de werkzaamheden in risicoklasse 2 in plaats van risicoklasse 1 uit te voeren. Aan matigingsgrond a is derhalve niet voldaan.

Eiseres heeft daardoor (ook) niet de noodzakelijke randvoorwaarden gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze. Eiseres heeft weliswaar nog bezien of er handschoenen konden worden gedragen, maar deze persoonlijke beschermingsmiddelen zouden in dit geval niet hebben kunnen voorkomen dat een ongeval zou plaatsvinden. Verweerder heeft er daarom ook terecht op gewezen dat dit niet als een veilige werkwijze kan gelden. Er zijn verder ook geen andere maatregelen getroffen om de kans op de concrete overtreding zoveel mogelijk te beperken. Aan matigingsgrond b is derhalve niet voldaan.

Uit het boeterapport blijkt dat bij indiensttreding schriftelijke instructies zijn gegeven. Daarnaast is voor de start van de concrete werkzaamheden een werkbespreking gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat er instructies zijn gegeven ten aanzien van de concrete werkzaamheden. Omdat er geen sprake was van een veilige werkwijze en niet is gebleken dat er adequate instructies zijn gegeven aan [B.], kan niet worden vastgesteld dat er van adequaat toezicht sprake is geweest. Het gaat namelijk om toezicht op een instructie en de veilige werkwijzen. Aangezien de concrete risico’s van de concrete werkzaamheden niet zijn onderkend, was geen sprake van een veilige werkwijze en ook niet van toezicht daarop. Aan de matigingsgronden c en d is niet voldaan. De desbetreffende beroepsgronden slagen niet.

Matiging op grond van artikel 5:46 van de Awb

10. Eiseres heeft ten slotte aangevoerd, mede in het licht van artikel 4:84 van de Awb, dat verweerder de hoogte van de boete niet overeenkomstig artikel 5:46, tweede lid, van de Awb heeft afgestemd op de ernst van de overtreding. Eiseres voert aan dat alleen de daadwerkelijke gevolgen van een arbeidsongeval dienen te worden meegenomen in de vaststelling van de hoogte van de boete. In het onderhavig geval is het topje van de rechter- pink van [B.] bekneld geraakt. Hoewel juridisch gezien sprake is van blijvend letsel als gevolg van het ongeval, is de omvang van het letsel beperkt gebleven tot het topje van de pink en zijn de gevolgen beperkt, zoals uit de verklaring van [B.] blijkt. Gezien de lichte vorm van het letsel zou een matiging van de verviervoudiging van het boetebedrag tot 50% redelijk zijn geweest. Gelet daarop is de boete volgens eiseres onevenredig hoog en in strijd met artikel 5:46, tweede lid, van de Awb vastgesteld.

10.1

Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 3.17, van het Arbobesluit om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister (lees: verweerder, aan wie de bevoegdheid is overgedragen). De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient de minister bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat deze evenredig is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuursorgaan met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

10.2

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder in dit geval toepassing had moeten geven aan artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, mede in het licht van artikel 4:84 van de Awb . De rechtbank acht de concrete toepassing van de in artikel 1, tiende lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel opgenomen verhoging in dit geval niet evenredig. De minister heeft door verlaging van de boete met 25% (overeenkomend met factor 3) zich onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat het arbeidsongeval in dit geval tot licht blijvend letsel heeft geleid dat beperkt is gebleven tot het missen van het bovenste kootje van de rechterpink van [B.]. De rechtbank betrekt daarbij dat [B.] na enige tijd zijn werkzaamheden weer heeft kunnen verrichten en van ziekenhuisopname geen sprake is geweest. De rechtbank acht een boete die met 50% (overeenkomend met factor 2) is verlaagd tot een bedrag van € 5.400,00 wel evenredig. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2418. Daarbij onderschrijft de rechtbank het standpunt van eiseres dat in de uitspraak, waarnaar verweerder heeft verwezen (uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1759), er sprake is van een nieuwe Beleidsregel en een ander feitencomplex.

11. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is en dat dit besluit dient te worden vernietigd. Het beroep tegen het in het verweerschrift vermelde besluit van 9 juli 2019, waarbij de boete is gematigd tot € 8.100,00, is eveneens gegrond.

De rechtbank zal in het licht van artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak voorzien door de hoogte van de boete vast te stellen op € 5.400,00. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit en het wijzigingsbesluit van 9 juli 2019.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het aanvullend besluit op bezwaar van 9 juli 2019,

waarbij de boete is vastgesteld op € 8.100,00, gegrond en vernietigt dat besluit;

- stelt de boete vast op € 5.400,00;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde

bestreden besluit en het vernietigde besluit van 9 juli 2019;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,00 aan eiseres te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.050,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 maart 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.