Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:1928

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
04-02-2021
Zaaknummer
C/03/258371 / HA ZA 18-634
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure. Benoeming deskundige noodzakelijk. Vaststelling waarde tankstation.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/258371 / HA ZA 18-634

Vonnis van 4 maart 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiseres sub 2],

beiden wonend te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. D.J.A. van den Berg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KUWAIT PETROLEUM (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. J. van Baaren.

Partijen zullen hierna [eisers] en Kuwait genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van 11 december 2018 ter betekening van een schadestaat, met producties 1 tot en met 9, met gelijktijdige oproeping,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 3,

  • -

    de beslissing van 3 april 2019 van de rechtbank waarbij een comparitie van partijen wordt bevolen en dagbepaling van de zitting op 26 augustus 2019,

  • -

    de akte overlegging producties ten behoeve van de comparitie van partijen op 26 augustus 2019 van [eisers] , met producties 10 tot en met 24,

  • -

    de brief van 12 augustus 2019 van [eisers] , met nagezonden aangekondigde productie 25,

  • -

    de brief van 19 augustus 2019 van [eisers] , met productie 26, en toezending van het arrest van 27 februari 2018 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen tussen partijen,

  • -

    de brief van 23 augustus 2019 van [eisers] , met productie 27,

  • -

    het proces-verbaal van het verhandelde ter comparitie op 26 augustus 2019,

  • -

    de conclusie van repliek, met producties 25 tot en met 29,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    het bij B-16 formulier ingediende verzoek van [eisers] om een deskundigenbericht te gelasten, indien het rapport van Property Value Consultants niet afdoende is om een beslissing op te nemen,

  • -

    de bij B-16 formulier gegeven reactie van Kuwait op het verzoek en het verzoek vonnis te wijzen,

  • -

    de beslissing van de rechtbank dat vonnis zal worden gewezen op 29 januari 2020,

  • -

    het toezenden van het volledige procesdossier in de bodemprocedure in eerste aanleg en hoger beroep door [eisers] ,

  • -

    de brief van 20 november 2019 van deze rechtbank aan [eisers] waarbij is medegedeeld dat het inzenden van nieuwe stukken niet meer is toegestaan, omdat de zaak in staat van wijzen is.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is in het tussen partijen gewezen arrest van 27 februari 2018 (met kenmerk 200.195.045/01), waartegen geen van de partijen cassatie heeft ingesteld, geoordeeld in rechtsoverwegingen 6.5.1. en 6.5.3., geciteerd voor zover hier van belang:

6.5.1

Gelet op het voorgaande staat vast dat begin augustus 2014 sprake was van een koopovereenkomst tussen partijen, die Kuwait verplichtte om aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een tankstation met niet-vervuilde ondergrond te leveren.

6.5.3. … .

Dat is ander met de (inmiddels) subsidiaire schadevergoedingsvordering. In verband daarmee is in de eerste plaats van belang dat uit het voorgaande volgt dat Kuwait is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis tot levering van het tankstation in de overeengekomen staat en dat nakoming moet worden geacht blijvend onmogelijk te zijn. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat deze tekortkoming heeft geleid (en mogelijk nog zal leiden) tot schade bij [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Het hof zal de subsidiaire voerding daarom toewijzen.

2.2.

Het door [eisers] gevorderde is door het hof toegewezen. In het dictum in het arrest van 27 februari 2018 (met kenmerk 200.195.045/01) staat, geciteerd voor zover hier van belang:

Het hof veroordeelt Kuwait tot vergoeding van de schade die [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] lijden en zullen lijden als gevolg van de omstandigheid dat Kuwait niet in staat is, dan wel heeft geweigerd, om aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] het perceel [adres] te [plaats] , kadastraal bekend [kadasternummer] , vrij van bodemverontreiniging, doch voorzien van de thans aanwezige opstallen, waaronder een werkend motorbrandstoffen verkooppunt dat aan alle wettelijke eisen voldoet, te leveren, deze schade nader op te maken bij staat.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Kuwai veroordeelt om aan [eisers] te betalen € 706.829,96 althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van Kuwait in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eisers] verdelen de door hen gestelde schade onder in de volgende negental posten.

Schadepost

1.

Misgelopen voordeel bij levering per 31 maart 2015

€ 275.000,00

2.

Misgelopen huurinkomsten contract Avia Vollenhoven Olie

€ 380.232,82

3.

Schade wegens te betalen huur aan Fuelplaza/OK

€ 32.028,69

4.

Kosten lntradal

€ 3.593,45

5.

Advocaatkosten BarentsKrans N.V. voorafgaand aan procedure

€7.975,00

6.

Taxatierapport Property Value Consultants

€ 3.850,00

7.

Kosten Contrall

€ 900,00

8.

Kosten Geonius

€ 3.250,00

Subtotaal

€ 706.829,96

9.

Wettelijke rente over bovengenoemd bedrag vanaf 31 maart 2015 tot en met 8 december 2018

€ 53.662,22

Totaal

€ 760.492,18

3.3.

Kuwait voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechter stelt in de hoofdprocedure de grondslag voor aansprakelijkheid vast. De rechter in de schadestaatprocedure is aan dit oordeel gebonden. In deze zaak laat het arrest van het hof van 27 februari 2018 in de hoofdprocedure geen andere uitleg toe dan dat de grondslag voor de door het hof vastgestelde aansprakelijkheid van Kuwait is gelegen in een tekortkoming die aan Kuwait kan worden toegerekend (2.1.). Als gevolg daarvan rust op Kuwait de verplichting om aan [eisers] de door hen geleden en nog te lijden schade te vergoeden (artikel 6:74 lid 1 BW).

4.2.

Het uitgangspunt is volledige schadevergoeding van de werkelijk geleden schade, bestaande uit vermogensschade of ander nadeel (artikel 6:95 BW). Vermogensschade betreft schade door aantasting van belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst (artikel 6:96 lid 1 BW).

[eisers] moeten zo veel mogelijk in de positie worden gebracht alsof de schadeveroorzakende gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden. Er dient een vergelijking plaats te vinden van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals deze (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden.

4.3.

De rechtbank zal recht doen op grond van de in de hoofdprocedure bij arrest van
27 februari 2018 door het hof als vaststaand tussen partijen vastgestelde feiten onder

r.o. 6.1. die als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.4.

[eisers] stellen dat de geleden schade bestaat uit een viertal schadeposten: 1. het nadelig verschil tussen de waarde van het perceel en de contractprijs, 2. de gederfde winst, 3. de misgelopen huurinkomsten en 4. de gemaakte kosten als gevolg van de wanprestatie. [eisers] leggen ter onderbouwing van de gestelde schadeposten (onder meer) een taxatierapport (verder: het rapport, productie 1 bij dagvaarding) van 6 oktober 2015 van Property Value Consultants (hierna: de taxateur) over en een principeakkoord dat reeds was bereikt met [naam bv] voor de huur van het tankstation.

4.5.

Kuwait voert verweer en betwist het bestaan van verschillende schadeposten als ook de hoogte van de schade.

4.6.

Partijen zijn het niet eens over de uitgangspunten die dienen ter vaststelling van de geleden en nog te lijden vermogensschade door [eisers]

4.7.

Terzake de bepaling van de vermogensschade is de rechtbank van oordeel dat daarbij uitgegaan moet worden van het navolgende:

a. tot uitgangspunt dient het worden genomen de verbouwing c.q. renovatie van het motorbrandstoffen verkooppunt en de tankshop zonder uitbreiding, kortom de situatie waarin de onroerende zaak zich ten tijde van de verkoop aan [eiser sub 1] bevond. Niet gebleken is dat in aanloop naar de verkoop concrete plannen waren voor verbouwing dan wel uitbreiding. Dat in (3.2. van) het rapport wordt gesproken over aannames voor de verbouwing en uitbreiding, en de huidige situatie geen toekomst bestendige optie betreft, maakt niet dat er concrete plannen waren ten tijde van de aankoop,

b. gerekend dient te worden met een periode van 10 jaar. De rechtbank acht wat dit betreft termen aanwezig om zich aan te sluiten bij hetgeen ter zake dit punt gebruikelijk is bij schadeberekening in onteigeningszaken.

4.8.

De rechtbank ziet zich gezien de stellingen van partijen en gelet op de aard en de materie van de vordering inzake de marktwaarde van het tankstation en de garagebedrijf en de schadeposten die verband houden met gederfde winst genoodzaakt om zich te laten voorlichten door een of meer deskundigen.

4.9.

De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid om zich - indien mogelijk gezamenlijk - uit te laten over de volgende aspecten:

  1. De noodzakelijke expertise(s) en het aantal van de te benoemen deskundigen,

  2. De aan de deskundige(n) te stellen vragen,

  3. De door de deskundige(n) te hanteren methode van waardering,

  4. De na te leven en toe te passen richtlijnen en reglementen, die voor waardebepaling van vastgoed in de tankstation-branche gebruikelijk zijn,

  5. De te benoemen perso(o)n(en) van de deskundige(n),

  6. De volgens partijen maximaal acceptabele hoogte van het voorschot van de deskundige(n).

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat aan de deskundige(n) in ieder geval de volgende vragen zullen worden voorgelegd:

  1. Wat is de marktwaarde op 31 maart 2015 van het perceel [adres] te [plaats] , kadastraal bekend [kadasternummer] , en voorzien van opstallen, waaronder een werkend motorbrandstoffen verkooppunt dat aan alle wettelijke eisen voldoet, een en ander vrij van huur?

  2. Wat is een realistische gemiddelde jaarlijkse doorzet voor een motorbrandstoffen verkooppunt van deze omvang op deze locatie gelet op de grensproblematiek en in de situatie van verbouwing/renovatie zonder uitbreiding?

  3. Wat is een realistische huurwaarde/opbrengst voor (a) een bemand en (b) een onbemand motorbrandstoffen verkooppunt op deze locatie gelet op de aanwezige concurrentie in de situatie van verbouwing/renovatie zonder uitbreiding en gelet op de verplichte wettelijke tankkeuring in 2022?

  4. Wat is een realistische huurwaarde/opbrengst van de tankshop op deze locatie na verbouwing/renovatie zonder uitbreiding in geval van (a) een bemand motorbrandstoffen verkooppunt en (b) een onbemand motorbrandstoffen verkooppunt?

  5. Geeft de zaak u aanleiding tot het maken van aanvullende opmerkingen?

4.11.

De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte, als bepaald in het

dictum, uit te laten over de hiervoor geformuleerde vragen en nodigt partijen uit deze vragen zo nodig aan te vullen en te verfijnen, een en ander voorzien van een deugdelijke motivering.

4.12.

Artikel 195 Rv bepaalt dat het voorschot ten laste van de eisende partij komt. De rechter kan in de omstandigheden van het geding aanleiding vinden het voorschot ten laste van de gedaagde partij te brengen, bijvoorbeeld wanneer de aansprakelijkheid zijdens gedaagde partij vaststaat en het deskundigenonderzoek strekt tot het vaststellen van de hoogte van de schade. Nu deze omstandigheid zich hier voordoet, komt het voorschot ten laste van Kuwait.

4.13.

Proceseconomische overwegingen maken dat het de voorkeur verdient dat partijen bij akte tot een gezamenlijke voordracht komen voor de te benoemen deskundige(n) en de aan deze te benoemen deskundige(n) te stellen vragen.

4.14.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat partijen zich bij akte uitlaten op de rol van 1 april 2020 als bedoeld in rechtsoverwegingen 4.9. en 4.10.,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.H. Hoofs en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB