Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:1748

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
03.230596.18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 43-jarige man uit Leunen, wegens gebrek aan voldoende wettig bewijs, vrijgesproken van het plegen van ontuchtige handelingen jegens een andere man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03.230596.18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] , [Plaatsnaam] .

Verdachte wordt bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 februari 2020. Verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

primair: op 16 april 2017 [geboortedatum] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de penis van die [geboortedatum] en/of het maken van trekkende en/of rukkende bewegingen aan die penis;

subsidiair: op 16 april 2017 met [geboortedatum] een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd terwijl [geboortedatum] sliep, te weten het betasten van de penis van die [geboortedatum] en/of het maken van trekkende en/of rukkende bewegingen aan die penis.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit vrijgesproken dient te worden en dat het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaring van aangever wordt ondersteund door de bevindingen van de verbalisanten, inhoudende dat zij verdachte die bewuste ochtend (emotioneel) aantroffen voor de woning van verdachte, het onderzoek naar biologische sporen door het NFI en de verklaring van verdachte ter terechtzitting. De verklaring van verdachte komt voor een groot deel overeen met de verklaring van aangever; dat kan als bewijsmiddel worden gebruikt. De verklaring van verdachte met betrekking tot de aanleiding van de ruzie is onaannemelijk, omdat verdachte zich in eerste instantie heeft beroepen op zijn zwijgrecht en pas na kennisname van het procesdossier een schriftelijke verklaring heeft ingediend. Uit het DNA onderzoek is gebleken dat er speeksel, althans een DNA-hoofdprofiel, van verdachte is aangetroffen op de penis en de binnenzijde van de onderbroek van aangever.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit primair dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden en subsidiair dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van de integrale vrijspraak bepleit de raadsman primair dat de verklaring van aangever onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen en subsidiair dat op basis van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal niet tot de vereiste overtuiging kan worden gekomen.

De raadsman betoogt dat de verklaring van verdachte niet als steunbewijs kan worden gebruikt, omdat verdachte de ten laste gelegde gedragingen volstrekt betwist. De omstandigheid dat verdachte zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht heeft beroepen doet niet af aan de aannemelijkheid van zijn verklaring. Op basis van de rapportage van het NFI kan niet worden gesteld dat het scenario van verdachte meer of minder aannemelijk is dan het scenario van aangever. Ter onderbouwing verwijst de raadsman naar het door de verdediging overgelegde rapport van Independent Forensic Services (IFS).

Ten aanzien van zijn subsidiaire standpunt bepleit de raadsman dat het bestanddeel dwang bij het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen, indien wordt uitgegaan van de situatie dat verdachte sliep.

De standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging zullen, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs nader worden weergegeven dan wel worden besproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in een ander bewijsmiddel. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Dit vergt een beoordeling in het concrete geval. De vereiste steun kan niet, althans niet uitsluitend, worden gevonden in een onderbouwing van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring; met het bezigen van verklaringen van personen ten overstaan van wie de getuige zijn/haar relaas heeft gedaan of van verklaringen waaruit blijkt dat er bij de getuige bepaalde emoties zijn waargenomen, wordt niet aan de bewijsminimumregel voldaan. Er is dan immers nog steeds sprake van slechts één informatiebron. Aan de bewijsminimumregel wordt wel voldaan als de verklaring van - in dit geval aangever – op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal zodat die verklaring als het ware is ingebed in een concrete delictscontext die bevestiging vindt uit andere bron.

Feit 1 primair en subsidiair:

De rechtbank overweegt het volgende.

Aangever heeft op 16 mei 2017 aangifte1 gedaan van aanranding door verdachte. Aangever heeft verklaard dat hij na een avond op de voetbalclub in de nacht van 15 op 16 april 2017 in het huis van verdachte bier heeft gedronken en aangever moe werd. Verdachte heeft hem zijn logeerbed aangeboden. Aangever heeft dit aanbod aangenomen, is met verdachte naar boven gegaan en heeft zijn tanden gepoetst. Aangever heeft daarna de deur van de logeerkamer dicht gedaan, zijn kleren uitgedaan, is in het bed gaan liggen en gaan slapen. Aangever heeft desgevraagd verklaard dat hij in bed zijn groene onderbroek en een zwart T-shirt van verdachte droeg. Verdachte droeg een zwart T-shirt en een korte blauwe broek. Aangever verklaart dat hij rond 05.45 uur wakker werd. Hij werd wakker omdat hij wat bij zijn penis voelde. Een ruk gevoel. Verdachte ging met zijn hand op en neer terwijl hij aangevers piemel aan het afrukken was. Verdachte zat daarbij met zijn hand in aangevers onderbroek. Verdachte zat geknield naast het bed. Aangever verklaart dat hij van dit gevoel wakker schrok en verdachte meteen een tik op zijn gezicht gaf met zijn vuist. Vervolgens kreeg aangever van verdachte een slag op zijn hoofd. Toen wist hij het zeker en werd het zwart voor zijn ogen. Aangever is vervolgens gaan slaan op het hoofd van verdachte en heeft hem op de grond geslagen. Op een gegeven moment is hij de nek van verdachte gaan “killen”. Hij wilde hem killen zodat hij weg kon komen. Uiteindelijk heeft hij zijn kleren aangedaan, verdachte aan de kant getrokken en is naar beneden gerend. Nadat aangever de woning van verdachte had verlaten heeft hij meteen de politie gebeld en een verklaring afgelegd. De onderbroek van aangever is diezelfde dag in beslag genomen voor onderzoek naar biologische sporen door het NFI.

Uit het rapport letselschade2 volgt dat bij aangever een verwonding zichtbaar is, te weten een zwelling boven de rechterwenkbrauw aan de neuszijde.

Verdachte heeft in zijn schriftelijke verklaring en ter zitting onder meer verklaard dat het aangever is die die avond het initiatief heeft genomen om bij verdachte een biertje te blijven drinken en vervolgens te kunnen blijven logeren. Verdachte verklaart dat hij dit in eerste instantie niet wilde, maar uiteindelijk toch het logeerbed heeft aangeboden omdat hij rekening hield met de omstandigheid dat aangever ruzie met zijn ouders had; dat was volgens verdachte wel vaker het geval. Rond 05.00 uur gaat verdachte naar de logeerkamer waar aangever al in bed ligt. Hij wil toch graag weten waarom hij per se wil blijven slapen. Tijdens het gesprek confronteert verdachte aangever met zijn (leugenachtig) gedrag in het verleden en geeft aan dat daarna de sfeer grimmig begon te worden. Verdachte verklaart dat aangever onverwacht overeind kwam en uithaalde met zijn vuist en verdachte in zijn gezicht ramt waardoor verdachte op de grond valt. Aangever springt uit het bed en begint verdachte te slaan, ook op de grond omdat verdachte hem onderuit haalt. Verdachte haalt ook uit en raakt aangever op het gezicht. Aangever blijft verdachte slaan en verdachte probeert zich af te weren. Op een gegeven moment grijpt aangever verdachte bij de nek, zet een nekklem en probeert hem te wurgen. Verdachte verklaart dat aangever helemaal buiten zinnen is en hem weer begint te wurgen waarna verdachte bewusteloos raakt. Als verdachte bijkomt ligt hij naast het bed in zijn bloed, spuug en braaksel. Verdachte ziet aangever de kamer binnenkomen en ziet dat aangever zich inmiddels heeft aangekleed. Aangever gaat de trap af en verdachte loopt moeizaam achter hem aan en laat aangever uiteindelijk door de achterdeur uit en ziet dat aangever richting zijn ouderlijk huis loopt.

Verdachte ontkent dat de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden.

In het proces-verbaal van bevindingen3 van 16 april 2017 verklaart verbalisant [Naam] dat hij met twee collega’s na de melding van een mogelijke aanranding naar de woning van verdachte zijn gegaan. In de woning werd door een collega op de deur van de logeerkamer enkele bloedsporen aangetroffen. Hiervan zijn enkele foto’s gemaakt en aan het dossier toegevoegd. Tevens zijn er ook foto’s gemaakt van het aangezicht van verdachte met sporen van geweld en opgedroogd bloed.

Zoals hierboven overwogen kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan,

niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van aangever.

De rechtbank overweegt dat de lezingen van wat zich die bewuste nacht zou hebben afgespeeld, grotendeels overeenkomen, maar verschillen op het meest significante punt, te weten de ontuchtige handelingen.

Zowel het geslachtsdeel als de onderbroek van aangever zijn door het NFI onderzocht op de aanwezigheid van biologische sporen en DNA. Echter, de resultaten voortkomend uit dit onderzoek bieden onvoldoende steun voor de verklaring van aangever dat er ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden.

Uit het NFI rapport d.d. 1 oktober 2018, meer in het bijzonder Tabel 1 en de toelichting onder de tabel inzake de onderbroek [Nummer 1] , blijkt dat er zowel op de schacht als op de eikel en onderbroek van aangever een aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van speeksel. Uit tabel 2 volgt vervolgens dat er tevens op deze beide plekken op de penis van aangever ( [Nummer 2] ) alsmede aan de binnenzijde voorzijde onderbroek [Nummer 1] een DNA mengprofiel is verkregen dat matcht met het DNA profiel van verdachte alsmede het DNA profiel van aangever. Op grond van de vastgestelde matchkans en het feit dat het bemonsteringen betreft van twee plaatsen op de penis en van de onderbroek van aangever, gaat de rechtbank ervan uit dat zowel verdachte als aangever hebben bijgedragen aan deze bemonsteringen.

Door de aanwezigheid van een mengprofiel op deze plekken kan niet zonder meer worden vastgesteld van wie het mogelijke speeksel afkomstig is (hetzij van aangever hetzij van verdachte).

Dat er speeksel van (enkel) verdachte op de penis en de onderbroek van aangever is aangetroffen, zoals gesteld door de officier van justitie, kan daarom niet worden geconcludeerd op basis van de voornoemde bevindingen door het NFI.

Tevens geven aangever en verdachte aan dat er een flinke vechtpartij heeft plaatsgevonden. Er is zowel bij aangever als bij verdachte letsel aangetroffen passend bij deze toedracht. Op de foto’s van het letsel in het gezicht van verdachte is opgedroogd bloed te zien. Daarnaast is bloed aangetroffen op de deur van de logeerkamer, te weten de plaats waar verdachte en aangever hebben gevochten, terwijl zij, in ieder geval aangever, slechts een onderbroek en T-shirt droegen. De aanwezigheid van bloed in de onderzochte sporen, te weten de bemonsteringen van de onderbroek en de twee plaatsen op de penis van aangever, is niet uitgesloten nu hier geen onderzoek naar is gedaan door het NFI. Nu bloed een meer geconcentreerde bron van DNA is dan bijvoorbeeld huidepitheel, had onderzoek naar de mogelijke aan- of afwezigheid van dit celmateriaal meer betekenis kunnen geven aan het aangetroffen DNA-profiel van verdachte in de voorgenoemde DNA mengprofielen.

De rechtbank is van oordeel dat de resultaten van het NFI rapport onvoldoende onderscheidend vermogen bieden tussen het scenario van aangever en dat van de verdachte. Dit, mede doordat de aangetroffen sporen op de onderbroek en penis van aangever DNA-mengprofielen betreffen en het feit dat de biologische bron van de aangetroffen DNA profielen niet zonder meer kan worden vastgesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet eenduidig kan worden vastgesteld dat verdachte de donor is van de ‘aanwijzing voor speeksel’ op de twee plaatsen op de penis en de onderbroek van aangever. Ook kan de rechtbank op grond van het sporenonderzoek niet vaststellen op welk moment (voor, tijdens of na de vechtpartij) en hoe het DNA van verdachte in de onderbroek en op de penis van aangever is gekomen.

In het dossier bevindt zich verder geen ander bewijsmiddel dat de verklaring van aangever op het significante punt voldoende kan ondersteunen. De verklaring van verdachte over - kortgezegd - de aanleiding waarom aangever en hij op zijn logeerkamer waren, is daartoe onvoldoende nu dit niets zegt over de aan verdachte verweten gedragingen en verdachte de ten laste gelegde gedragingen ontkent. De door de officier van justitie gestelde verklaring van verbalisanten over het op 16 april 2017 (emotioneel) aantreffen van aangever voor de woning van verdachte, heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen.

Wegens gebrek aan bewijs zal de rechtbank verdachte integraal vrijspreken van de ten laste gelegde feiten.

4 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

4.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [geboortedatum] vordert een schadevergoeding van € 10.329,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. De benadeelde partij verzoekt tevens om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank om € 1.329,52 (bestaande uit € 329,52 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade als voorschot) toe te wijzen en de vordering voor het overige niet‑ontvankelijk te verklaren. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vordering niet‑ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat integrale vrijspraak wordt bepleit.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, nu het ten laste gelegde feit waarop zijn vordering is gegrond, niet bewezen is verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;

Benadeelde partij

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [geboortedatum] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Teeuwissen, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en
mr. D.D. Kock, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.L. Hermans, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 maart 2020.

Buiten staat

mr. M.E.M.W. Nuijts is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 16 april 2017 te [Plaatsnaam] , in de gemeente Venray,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of

een andere feitelijkheid,

[geboortedatum] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer

ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de penis van die

[geboortedatum] en/of het maken van trekkende en/of rukkende bewegingen aan

die penis

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat hij,

verdachte,

- ( onverhoeds) de slaapkamer waar die [geboortedatum] zich bevond, is

binnengegaan en/of (vervolgens)

- ( onverhoeds) zijn hand in de onderbroek van die [geboortedatum] heeft gedaan,

terwijl die [geboortedatum] in bed lag en/of sliep en/of (vervolgens)

- ( onverhoeds) de penis van die [geboortedatum] heeft vastgepakt en/of

trekkende en/of rukkende bewegingen heeft gemaakt;

( art 246 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 april 2017 te [Plaatsnaam] , in de gemeente Venray,

met [geboortedatum] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van

bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht

verkeerde,

zodat die [geboortedatum] niet of onvolkomen in staat was zijn wil daaromtrent

te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het

betasten van de penis van die [geboortedatum] en/of het maken van trekkende

en/of rukkende bewegingen aan die penis;

( art 247 Wetboek van Strafrecht )

1 Proces-verbaal aangifte d.d. 16 mei 2017, p. 99 t/m 108.

2 Rapportage letselschade d.d. 16 april 2017, p. 111 t/m 118.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2017, p. 19 t/m 26.