Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:1745

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
04/650253-09 OWV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk, nu de ontnemingsvordering niet ‘zo spoedig mogelijk’ (artikel 511b, Sv) bij de rechtbank is aangebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTbANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 04/650253-09 OWV

Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw)

Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 11 februari 2020 op het inzake de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht gevoerde preliminair verweer

in de zaak tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [plaats en gebdd] 1974,

thans verblijvende te P.I. Evertsoord,

hierna te noemen: [betrokkene]

wordt bijgestaan door mr. J.H.M. Handring, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De rechtbank heeft kennis genomen van het vonnis van de rechtbank Limburg

d.d. 22 december 2017 in de zaak met parketnummers 03/650253-09 en 04/860687-11.

De vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is behandeld op de regiezitting van 11 februari 2020. [betrokkene] is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van [betrokkene] is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de vorderingen ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van [naam 1] (04/650248-09), [naam 2] (04/650318-09) en [naam 3] (04/650261-09).

2 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op 16 december 2019 de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht ingediend.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [betrokkene] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel.

Volgens de officier van justitie zou [betrokkene] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van feiten waarvoor hij is veroordeeld.

3 Preliminair verweer

3.1

Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in haar ontnemingsvordering. [betrokkene] is bij vonnis van 22 december 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De ontnemingsvordering is op

16 december 2019 ingediend. Deze vordering is op geen enkel moment aangekondigd. Hoewel deze omissie op zichzelf staand niet tot een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie hoeft te leiden, komt hierbij dat het financieel onderzoek (het BFO-rapport) reeds is gesloten en het BFO rapport is ondertekend op 19 juni 2012. Op 26 juni 2012 heeft het arrondissementsparket Roermond het rapport ontvangen. Dit betekent dat de vordering 7,5 jaar later aanhangig is gemaakt, zonder dat in de tussengelegen periode enige actie is ondernomen. Dit tijdsverloop is niet toe te rekenen aan [betrokkene] . De verdediging stelt zich op het standpunt dat - afgezien van de eerdere omissie betreffende het niet aankondigen van de ontnemingsvordering - het tijdsverloop tussen de sluiting van het financieel onderzoek en het aanhangig maken van de ontnemingsvordering de verdediging en de rechtbank zodanig belemmeren in hun zoektocht naar de feiten en de mogelijkheid de ontnemingsvordering op deugdelijke wijze te waarderen, dat de beginselen van een behoorlijke procesorde wezenlijk en onherstelbaar zijn geschonden. Het stilzitten van het Openbaar Ministerie gedurende meer dan 7 jaren leidt tot de conclusie dat waarheidsvinding niet meer mogelijk is.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt voorop dat hij de royale termijnen niet wil bagatelliseren, maar

merkt op dat dit het gevolg is van de overvolle bureaus en van zaken die vanwege vertrek of

uitval van collega’s moeten worden overgenomen. Er is hierbij geen sprake van opzet.

De overschrijding van de redelijke termijn, heeft voor wat betreft de ontneming te maken

met het feit dat de veroordeling in eerste aanleg wordt afgewacht. De Hoge Raad heeft

hierover reeds geoordeeld: een dergelijke overschrijding kan niet leiden tot niet-

ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. In de jurisprudentie is uitgekristalliseerd hoe

vervolgens met zo’n overschrijding dient te worden omgegaan.

Wat betreft de aankondiging, het is juist dat het Openbaar Ministerie de

ontnemingsvordering niet heeft aangekondigd. Dit is een verzuim, gelet op het gestelde in

artikel 311 van het Wetboek van Strafvordering, maar kan niet leiden tot niet

ontvankelijkheid. Juist om deze reden is immers de tweejaars termijn in het leven geroepen.

Wellicht zal dit verzuim nog een rol spelen bij de behandeling van de ontnemingsvordering,

maar niet in het kader van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Voorts is geen sprake van schending van fair trial. Er heeft een uitvoerige inhoudelijke

behandeling plaatsgevonden, die heeft geleid tot een aanzienlijke veroordeling. Er is in 2017

gewikt en gewogen. Veel van de zaken die destijds aan de orde waren, spelen nu ook een rol

bij de ontneming. Veel van deze informatie is in het dossier opgenomen en is reeds getoetst,

geanalyseerd en ook bekritiseerd. Als dit twee jaar geleden wel nog kon, is er geen reden op

voorhand te veronderstellen dat dit thans niet meer mogelijk is. Door de verdediging is dan

ook onvoldoende gemotiveerd waarom een deugdelijk onderzoek, alvorens over de

ontnemingsvordering kan en zal worden geoordeeld, niet meer tot de mogelijkheden

behoort. Volgens het Openbaar Ministerie moeten de preliminaire verweren die ertoe

strekken dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, worden

afgewezen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de vordering rechtsgeldig is ingediend en, indien dat het geval is, of de vordering tijdig is ingediend dan wel of sprake is van een schending van de redelijke termijn dan wel of sprake is van unfair trial.

In artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat een vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig dient te worden gemaakt.

Het ‘zo spoedig mogelijk’ hangt samen met de stand van het financieel onderzoek. Het financieel onderzoek in deze zaak is op 19 juni 2012 gesloten en het dossier is kort daarna door het arrondissementsparket ontvangen. Er is niet gebleken dat er nadien nadere onderzoekshandelingen zijn verricht, ook niet na het vonnis van de rechtbank op 22 december 2017. De rechtbank stelt daarom vast dat de vordering die op 16 december 2019 door het Openbaar Ministerie is ingediend, weliswaar nipt binnen 2 jaar na het vonnis in eerste aanleg, maar niet ‘zo spoedig mogelijk’ is ingediend. Dat heeft tot gevolg, dat de ontnemingsvordering niet voldoet aan het vereiste in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering. Het Openbaar Ministerie zal daarom in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De overige argumenten die door de verdediging naar voren zijn gebracht bij het preliminair verweer, blijven derhalve onbesproken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat het geen uitzondering is dat dit soort vorderingen in een laat stadium bij de officieren van justitie terecht komen. Naar het oordeel van de rechtbank treft het Openbaar Ministerie hiervoor geen blaam. Zij ziet dit als gevolg van de aanslag op de rechtstaat door de politiek die al jaren aan de gang is in de vorm van vergaande bezuinigingen op de justitiële keten. Dit is een consequentie van de huidige politieke keuzes. Dit mag echter niet voor rekening en risico van – in dit geval – [betrokkene] komen, maar komt voor rekening en risico van de staat.

4 Het wettelijke voorschrift

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering.

5 De beslissing

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. M.A. Teeuwissen en mr. D.D. Kock, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2020.

Buiten staat

Mr. D.D. Kock, rechter, en mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier, zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.