Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:1657

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
C/03/273446 / KG ZA 20-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schorsing executie; het omstreden vonnis bevat geen (evidente) juridische misslag; er is geen sprake van een ná het vonnis ontstane noodtoestand; de beweerde noodtoestand was immers al aanwezig ten tijde van het omstreden vonnis, maar is sedertdien wel erger geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/273446 / KG ZA 20-14

Vonnis in kort geding van 27 februari 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. R.C.C.M. Nadaud;

tegen:

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.J.F. Geertsen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met daarbij gevoegd producties 1 t/m 12;

  • -

    de e-mail van [eiser] van 17 februari 2020 met daarbij gevoegd productie 13;

  • -

    de brief van [gedaagde] van 13 februari 2020 met daarbij gevoegd producties 1 en 2;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de conclusie van antwoord/pleitnotitie van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 6 november 2019 van deze rechtbank (zaaknummer C/03/263374 / HA ZA 19-211, verder te noemen: het vonnis) is [eiser] ten gunste van [gedaagde] onder andere veroordeeld om binnen vier maanden na betekening van het vonnis aan hem:

  1. de verbinding tussen zijn woonhuis en de garage ter plaatse van de garage op een deugdelijke manier geheel dicht te maken;

  2. ter plaatse van de garage deugdelijke maatregelen te nemen waardoor de elektra in zijn woning niet langer is verbonden met de elektra in de garage;

  3. ter plaatse van de garage deugdelijke maatregelen te nemen waardoor alle elektrische leidingen, alle gasleidingen en de waterleiding naar zijn woning niet langer via de garage lopen;

  4. de brievenbus in de zijmuur van de garage te verwijderen en verwijderd te houden van de zijmuur van de garage en de muur aldaar te herstellen zodat de voor [eiser] bestemde post etc. niet langer in de garage kan terechtkomen, alsmede de naast de brievenbus aanwezige vensteropening in de zijmuur van de garage op een deugdelijke wijze dicht te maken;

  5. de in garage aangebrachte alarmcentrale op een deugdelijke wijze te verwijderen en verwijderd te houden.

2.2.

De voormelde garage is eigendom van [gedaagde] , maar een gedeelte daarvan staat, naar tussen partijen niet is betwist, op het perceel dat eigendom is van [eiser] . Voorts staat tussen partijen vast dat een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van het gedeelte van de garage dat de erfgrens overschrijdt, in die zin dat op de eigenaar van het dienend perceel ( [eiser] ) de plicht rust om ten behoeve van de eigenaar van het heersend erf ( [gedaagde] ) het gedeelte van de garage dat de eigendomsgrens overschrijdt te gedogen en toe te staan.

2.3.

Het vonnis is op 14 november 2019 aan [eiser] betekend en hem is bevolen om binnen vier maanden, derhalve uiterlijk 14 maart 2020, aan de voormelde veroordeling te voldoen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] stelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis moeten worden geschorst. Ten eerste voert hij daartoe aan dat dat vonnis onlogisch en in strijd met de goede procesorde is. [eiser] baseert die stelling op het feit dat de rechtbank enerzijds voor recht heeft verklaard dat de ten processe bedoelde garage niet door verjaring eigendom is geworden van [eiser] , maar die verklaringen voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, terwijl de rechtbank anderzijds wel de veroordeling van [eiser] tot ontruiming van de garage, als ook de veroordeling tot verwijdering van de in 2.1. bedoelde zaken, wél uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

3.2.

Indien de grondslag van de veroordelingen tot ontruiming van de garage c.a. niet uitvoerbaar bij voorraad is, dan dient volgens [eiser] ook het uitvloeisel daarvan, te weten de veroordeling tot het verlaten en ontruimen van de garage c.a., niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard te worden. De ene veroordeling is volgens [eiser] immers onlosmakelijk verbonden met de andere veroordeling.

3.3.

Voorts moet de executie van het vonnis worden geschorst, omdat het volgens [eiser] een kennelijke misslag bevat. Het feit dat een erfdienstbaarheid ten behoeve van [gedaagde] rust op het deel van de garage dat volgens [eiser] zijn eigendom is, betekent volgens [eiser] niet dat hij van dat deel van zijn perceel geen gebruik mag maken. Dat houdt de erfdienstbaarheid volgens [eiser] niet in.

3.4.

Volgens [eiser] kan hij niet worden veroordeeld om vensteropeningen dicht te maken, en leidingen en kabels te verwijderen die op zijn terrein liggen, ook indien die muur en dat gedeelte van de garage dienstbaar zijn aan het perceel van [gedaagde] .

3.5.

Ter zitting heeft [eiser] nog aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis ook tot een noodtoestand aan zijn zijde zal leiden, omdat zijn gezondheidstoestand zich na de dagvaarding in de bodemprocedure heeft verergerd. Indien hij zijn woning niet meer kan betreden via de garage, ontstaat volgens [eiser] een noodtoestand. Hij kan zijn woning dan immers niet meer bereiken.

3.6.

[gedaagde] heeft er volgens [eiser] ook geen belang bij om [eiser] thans de toegang tot zijn, [eiser] , woning te ontzeggen, omdat er nog geen koper is gevonden voor het pand dat nog eigendom is van [gedaagde] .

3.7.

Op grond van het vorenstaande vordert [eiser] dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    [gedaagde] verbiedt het vonnis van de rechtbank Limburg, burgerlijk recht, zittingsplaats Maastricht, d.d. 6 november 2019, zaaknummer C/03/263374 / HA ZA 19-211, althans de veroordeling onder 5.4., 1 tot en met 4 (de voorzieningenrechter merkt op dat wellicht zal zijn bedoeld 1 tot en met 5), ten uitvoer te leggen alvorens in het onderhavige geschil onherroepelijk is beslist, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-- voor het geval [gedaagde] wél ten uitvoer legt;

  • -

    [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geschil.

3.8.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Als uitgangspunt heeft het volgende te gelden (vergelijk Hoge Raad: 20 december 2019:ECLI:NL:HR:2019:2026):

a. Een uitgesproken veroordeling dient, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer te kunnen worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

4.2.

Dat het vonnis onlogisch zou zijn en in strijd met de goede procesorde, levert geen grond op voor de schorsing van de executie van het vonnis. Daarnaast is deze stelling van [eiser] ook onjuist. Dat de omstreden verklaringen voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard, doch de omstreden veroordeling tot verwijdering van diverse zaken wél, is verklaarbaar door het feit dat een verklaring voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad kán worden verklaard, doch de veroordeling tot verwijdering van de zaken wél. Dat een verklaring voor recht – dat iets niet eigendom is van een partij – niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, dwingt er niet toe om een veroordeling tot verwijdering van hetgeen in strijd met voor recht verklaarde eigendomsverhoudingen is aangebracht, niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.3.

Met betrekking tot de gestelde kennelijke misslag overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De voorzieningenrechter begrijpt uit hetgeen in het vonnis onder 4.5. is overwogen, dat de nevenvorderingen van [gedaagde] , die betrekking hebben op de verwijdering van de hierboven onder 2.1. onder 1 t/m 5 bedoelde zaken, zijn gebaseerd op de overweging dat de eventuele gebruiksovereenkomst ten aanzien van de bedoelde garage door [gedaagde] bij e-mail van deze aan [eiser] van 21 november 2018 is opgezegd, en dat op grond daarvan de vordering tot ontruiming van de garage en de verwijdering van de daarin door [eiser] aangebrachte aanpassingen (lees: de in dit vonnis onder 2.1. onder 1 t/m 5 bedoelde zaken) toewijsbaar is.

4.4.

Aan de stelling van [eiser] dat het vonnis een kennelijke (juridische) misslag bevat, ligt ten grondslag de stelling dat het gedeelte van de garage dat over de eigendomsgrens is gebouwd, eigendom is van [eiser] , zodat de zaken die [eiser] op dat gedeelte van de garage heeft aangebracht, zijn aangebracht op het gedeelte van de garage dat eigendom is van [eiser] zelf en hij dus niet kan worden veroordeeld tot verwijdering van die zaken.

4.5.

Die stelling is echter onjuist. Door horizontale natrekking is het deel van de garage dat zich op de eigendom van [eiser] (hierna ook te noemen: de overbouw) bevindt, eigendom van [gedaagde] . Dat neemt niet weg dat het gedeelte van de grond dat zich onder de overbouw bevindt eigendom is van [eiser] (vergelijk artikel 5:20 lid 1 onder e, laatste deel). De erfdienstbaarheid die is gevestigd, is gevestigd om te voorkomen dat verwijdering van die overbouw zou kunnen worden gevorderd. Dat de garage, en daarmee ook het gedeelte van de garage dat over de eigendomsgrens is gebouwd, in zijn geheel eigendom is van [gedaagde] , volgt volgens de voorzieningenrechter ook uit het bepaalde in artikel 5 van de leveringsakte van 3 juni 1965. Er is derhalve geen sprake van een kennelijke (juridische) misslag.

4.6.

De noodtoestand, de (verslechterde) gezondheidstoestand van [eiser] , is geen nieuw feit, dat aan tenuitvoerlegging van het vonnis in de weg staat. Die gezondheidstoestand is immers geen feit dat ná het vonnis is voorgevallen of aan het licht is gekomen. [eiser] stelt immers zelf in zijn pleitnotitie dat zijn gezondheidstoestand zich na de dagvaarding in de bodemprocedure heeft verergerd. In de bodemprocedure was [eiser] derhalve al bekend met de gezondheidsklachten. Uit hetgeen [eiser] thans stelt volgt enkel dat de gezondheidsklachten nog erger zijn geworden, en niet dat de eerdere gezondheidsklachten niet reeds tot een noodtoestand zouden leiden.

4.7.

Dat [gedaagde] geen belang zou hebben bij tenuitvoerlegging van het vonnis, omdat hij nog geen koper heeft voor zijn pand, is geen omstandigheid die aan de executie van het vonnis in de weg staat.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 304,00;

- salaris advocaat € 980,00;

Totaal € 1.284,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.284,00;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT