Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:1450

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 130
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AW. Artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het BARP. Strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim. Verweerder heeft met het verrichte onderzoek voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres de verweten gedragingen heeft begaan. Mede gelet op het deskundigenrapport kunnen de verweten gedragingen eiseres worden toegerekend. De rechtbank acht de verweten gedragingen dermate ernstig dat het strafontslag niet onevenredig is aan het gepleegde, toerekenbare plichtsverzuim. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/130

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 februari 2020 in de zaak tussen

[Naam 1] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.J. Ruiter),

en

De korpschef van Politie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T.J.H. Berns).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie de disciplinaire maatregel van strafontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim.

Bij besluit van 28 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2020.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn tevens [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is sinds 1994 in dienst bij de politie [*] , bij de aanvang van haar dienstverband als surveillant. In verband met een verkeersongeval waarbij eiseres letsel heeft opgelopen is zij, op haar verzoek, overgeplaatst naar een administratieve functie, de functie van medewerker politieondersteuning A. Met ingang van april 2011 is eiseres gestart met de avondopleiding secretaresse niveau 3 aan het [*] college te [plaatsnaam] .

1.1.

Eiseres raakte in juli 2012 zwanger en zij is met ingang van 8 maart 2013 met zwangerschapsverlof gegaan. Op 26 maart 2013 is zij bevallen van een zoon. Op 13 mei 2013 heeft eiseres een zwangerschapspsychose doorgemaakt. Dit heeft geleid tot een intensieve behandeling en begeleiding door Spoedzorg [*] . Na haar zwangerschapsverlof heeft eiseres haar werkzaamheden hervat, maar dit ging niet goed. Zij heeft zich met ingang van 1 augustus 2013 formeel ziek gemeld. Per augustus 2014 is eiseres hersteld gemeld, is zij begonnen aan haar re-integratietraject en hervatte zij de opleiding. Eiseres bleef vanaf oktober 2014 1% ziekgemeld tot 1 april 2015. In februari 2015 werd eiseres opnieuw zwanger. Op 17 april 2015 maakte zij opnieuw een zwangerschapspsychose door. Dat leidde tot een gedwongen opname in een gesloten inrichting. Op 5 november 2015 is eiseres bevallen van haar tweede zoon. Per 1 augustus 2015 is eiseres in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering. Eiseres was vanwege psychische klachten meer dan 35% arbeidsongeschikt.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd. Ten aanzien van de door eiseres gestelde ontoerekeningsvatbaarheid heeft verweerder overwogen dat die niet is komen vast te staan. Volgens verweerder kunnen de aan eiseres verweten gedragingen haar volledig worden toegerekend.

Verweerder heeft in het primaire besluit (met verwijzing naar het voornemen van

28 september 2016) een aantal gedragingen in de periode 2014-2015 als plichtsverzuim aangemerkt. Volgens verweerder bestaat het ernstig plichtsverzuim eruit dat eiseres:

- op tenminste twintig dagen bij herhaling zonder deugdelijke reden heeft verzuimd aan haar opleidingsverplichtingen te voldoen;

- meerdere keren presentielijsten heeft getekend, waarna zij direct weer de opleiding/les heeft verlaten; verzoekster heeft derhalve de opleiding/les niet daadwerkelijk gevolgd en de tekening van de presentielijst geldt dan ook als bedrieglijk;

- haar frequente verzuim van de opleiding/lessen bij herhaling niet heeft geregistreerd in BVCM;

- bij herhaling haar verzuim van de opleiding/lessen in strijd met de werkelijkheid heeft geaccordeerd en verantwoord in BVCM als “volgen opleiding”, “studeren op school/instituut”, “toets” dan wel enige andere aan de opleiding gerelateerde kwalificatie;

- tenminste twee keer bij de opleiding zich heeft ziekgemeld, zonder de ziekmelding aan haar werkgever door te geven; eiseres heeft daarmee in strijd gehandeld met de geldende procedure aangaande ziekmeldingen, welke procedure bij haar bekend is dan wel bekend kan worden verondersteld; in het geval dat men wegens ziekte niet in staat is het werk te verrichten, dient zulks zo spoedig mogelijk te worden gemeld bij de directe leidinggevende;

- bedoelde ziekmelding niet in BVCM heeft geregistreerd maar in plaats daarvan haar uren in strijd met de werkelijkheid heeft geaccordeerd en verantwoord met “volgen opleiding”;

- bij herhaling zonder deugdelijke reden en derhalve onwettig afwezig is geweest van haar werk op de dagen dat zij haar uren in BVCM in strijd met de werkelijkheid als opleidingsuren heeft geaccordeerd en verantwoord; verzoekster heeft derhalve ten onrechte haar bezoldiging genoten, nu zij daar tegenover geen werk heeft verricht;

- op 23 februari 2015 onder werktijd een keuken heeft uitgezocht en aangekocht;

- zonder toestemming van haar werkgever langere pauzetijden heeft genoten in verband met een vermeende zwangerschap;

- deze langere pauzetijden niet heeft geregistreerd en verantwoord in BVCM.

3. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van

17 oktober 2017 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Een nader psychiatrisch onderzoek is door de voorzieningenrechter noodzakelijk geacht.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder verwijst voor zijn motivering naar het advies van de Bezwaaradviescommissie van 26 november 2018.

5. Bij uitspraak van 18 april 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep afgewezen.

6. In beroep voert eiseres in de eerste plaats aan dat verweerder het plichtsverzuim in het bestreden besluit heeft uitgebreid van de periode 2014 en 2015 naar tevens 2012 en 2013. Het ligt niet voor de hand dat dit laatste abusievelijk is weggelaten in het primaire besluit. Het verwijt in de jaren 2012 en 2013 is bovendien onvoldoende duidelijk.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een kennelijke verschrijving in het primaire besluit voor wat betreft de aanduiding van de periode waarin betreffende feiten hebben plaatsgevonden. De zinsnede in het bestreden besluit “in de periode 2014 en 2015” dient te luiden “in de periode 2012 tot en met 2015”. Voor zover vereist wordt deze verschrijving hierbij (geacht te zijn) hersteld, aldus verweerder in het bestreden besluit. Het is duidelijk welke gedragingen in 2012 en 2013 aan eiseres worden verweten. Verweerder heeft hiervan een opsomming gegeven in het verweerschrift.

6.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004: AQ5367) is het niet toegestaan om de in een ontslagbesluit neergelegde tenlastelegging nadien bij een beslissing op bezwaar uit te breiden.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een uitbreiding van de tenlastelegging. Er is geen sprake van een kennelijke schrijffout die kan worden hersteld in de beslissing op bezwaar. Uit het voornemen, noch uit het primaire besluit blijkt dat het tenlastegelegde plichtsverzuim tevens betrekking heeft op de jaren 2012 en 2013. Uit het voornemen en het primaire besluit blijkt juist dat enkel de gedragingen in de jaren 2014 en 2015 worden verweten aan eiseres. Als eerste gedraging wordt eiseres verweten op tenminste twintig dagen bij herhaling zonder deugdelijke reden te hebben verzuimd aan haar opleidingsverplichtingen te voldoen. Als de tenlastelegging ook betrekking had op de jaren 2012 en 2013 was dit aantal veel hoger geweest. Er is sprake van een ongeoorloofde uitbreiding van de tenlastelegging. In zoverre slaagt de beroepsgrond van eiseres. De rechtbank zal enkel een oordeel geven over de gedragingen, zoals opgenomen in de tenlastelegging over de jaren 2014 en 2015.

7. In beroep betoogt eiseres in de tweede plaats dat het onderzoek niet deugdelijk is verlopen. Dit begint reeds bij de aanleiding voor het opstellen van het personeelsdossier in mei 2015. De inherent grove inbreuk door een dergelijk uitvoerig en privacy schendend dossieronderzoek weegt niet op tegen het belang van een onderzoek naar de voortgang van de opleiding en het hoge ziekteverzuim. Dit is in strijd met de subsidiariteit en proportionaliteit. Het onderzoek is verder eenzijdig en er is geen sprake van waarheidsvinding. Dit blijkt wel uit het feit dat eiseres is gehoord, nog geen drie dagen nadat zij uit de gedwongen opname is ontslagen. Onzorgvuldig is dat geen medecursisten zijn gehoord. De studiebegeleider [naam 5] wordt op zijn woord geloofd. Het vervolgonderzoek moet dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Daarnaast geeft eiseres plausibele verklaringen voor de veronderstelde afwezigheid en studieachterstand.

7.1.

In de brief van 21 mei 2015 is opgenomen welk plichtsverzuim verweerder vermoedt dat eiseres heeft gepleegd, te weten dat zij de dienstverantwoording met betrekking tot het volgen van en opleiding, alsmede de daaraan gekoppelde uren studieverlof, niet naar waarheid heeft verricht en geaccordeerd. In het rapport dat is opgesteld, is de herkomst van dit signaal toegelicht. De leidinggevende van eiseres had vernomen van de studiebegeleider van eiseres dat de voortgang van de opleiding niet goed is. Daarnaast is sprake van een hoog ziekteverzuim. Tevens kwam eiseres regelmatig naar school, enkel om de presentielijst te tekenen. Dat verweerder een onderzoek start, te beginnen met het opstellen van het personeelsdossier van eiseres, acht de rechtbank begrijpelijk en niet strijdig met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het rapport bevat een heldere uiteenzetting van de onderzoeksresultaten. Direct hierna heeft verweerder eiseres geïnformeerd bij brief van 21 mei 2015.

7.2.

Anders dan eiseres naar voren heeft gebracht, is zij niet drie dagen nadat zij is ontslagen uit de gedwongen opname gehoord over het verweten plichtsverzuim. Eiseres is pas op 23 oktober 2015 voor de eerste keer gehoord, nadat verweerder advies had ingewonnen van de bedrijfsarts. Ter zitting heeft eiseres verduidelijkt dat zij inderdaad op

23 oktober 2015 voor de eerste keer is gehoord, maar dat zij geïnformeerd werd door verweerder over het uit te voeren onderzoek drie dagen nadat zij uit de gedwongen opname was ontslagen. Eiseres acht dit ronduit onfatsoenlijk. Desgevraagd verklaarde verweerder, gelet op de ernst van de feiten, toch aanleiding te hebben gezien eiseres mede te delen dat een onderzoek werd ingesteld. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de stelling van eiseres en verweerder wellicht nog even had kunnen wachten, ziet de rechtbank niet in hoe uit deze handelwijze van verweerder kan worden afgeleid dat niet aan waarheidsvinding is gedaan. Het rapport met de onderzoeksresultaten overziend is de rechtbank van oordeel dat verweerder juist veel onderzoek heeft verricht. Naar aanleiding van hetgeen eiseres in bezwaar heeft aangevoerd, heeft nog nader onderzoek plaatsgevonden. De studiebegeleider is tweemaal gehoord, eiseres is tweemaal gehoord, collega’s zijn gehoord en er heeft een uitgebreid onderzoek in de systemen plaatsgevonden. Verweerder heeft op zorgvuldige wijze een vergelijking gemaakt tussen het interne registratiesysteem (BVCM) en de administratie van de school. De rechtbank beschikt over geen enkel concreet aanknopingspunt om niet uit te kunnen gaan van de onderzoeksresultaten, waaronder de verklaring van de studiebegeleider. Bovendien ontkent eiseres de gedragingen niet, die aan haar zijn tenlastegelegd, maar zij stelt dat zij goede redenen had om te handelen zoals zij heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het verrichte onderzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres de verweten gedragingen heeft begaan.

7.3.

De voornaamste reden die eiseres geeft als uitleg van de verweten gedragingen, is dat zij afspraken had gemaakt met haar voormalige leidinggevende, [naam 6] . Volgens eiseres hield deze afspraak in dat zij geen aanwezigheidsplicht had bij de opleiding, maar dat zij ook aan zelfstudie mocht doen. In BVCM mocht zij deze diensten accorderen als “volgen opleiding”. Als zij niet aanwezig was bij een toets, was dit omdat ze deze al had gehaald, maar zich ook alvast voor de herkansingen had aangemeld.

7.4.

De rechtbank beschikt over geen enkel aanknopingspunt om eiseres in haar stellingen te kunnen volgen. De betreffende leidinggevende is begin 2015 overleden, zodat geen navraag bij hem kan worden gedaan. Er is geen document voorhanden waaruit de door eiseres gestelde afspraken blijken. Eiseres heeft een dergelijk document niet overgelegd en zij stelt hierover dat [naam 6] deze afspraken niet op papier wilde zetten. Verweerder heeft nog gezocht naar schriftelijke afspraken, maar niets hierover gevonden. Bovendien was [naam 6] niet bevoegd om dergelijke toezeggingen te doen, zo heeft verweerder ter zitting uitgelegd. Ook de studieresultaten bieden geen bevestiging van de afspraak die eiseres naar haar stelling had gemaakt met [naam 6] . Als eiseres daadwerkelijk aan zelfstudie had gedaan en de toetsen had gehaald, zou dit een aanwijzing kunnen zijn dat eiseres de verantwoorde tijd ook daadwerkelijk aan haar studie besteedde. De studieresultaten waren echter slecht. Deze slechte studieresultaten waren juist mede aanleiding voor het onderzoek. In de aanvullende rapportage in verband met toetsdata heeft verweerder onderzoek gedaan naar de afwezigheid van eiseres bij toetsen. Uit deze rapportage volgt dat eiseres tijdens meerdere toetsen – ook in de jaren 2014 en 2015 – niet aanwezig is geweest en dat zij deze onderdelen met een onvoldoende heeft afgesloten of geen enkel resultaat heeft behaald. De stelling van eiseres dat zij op voorhand was aangemeld voor een herkansing en dat zij de eerste toets had gehaald vindt dan ook geen steun in de gedingstukken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat sprake is van ernstig plichtsverzuim. Het faciliteren van een opleiding onder werktijd en het zelf accorderen van de diensten vergt een groot vertrouwen van verweerder als werkgever richting eiseres. Eiseres heeft dit vertrouwen ernstig door niet aan haar opleidingsverplichtingen te voldoen, presentielijsten te tekenen terwijl ze niet aanwezig was, het verzuim niet te registreren en bij herhaling in strijd met de werkelijkheid opleiding en lessen te accorderen en te verantwoorden in BVCM. Tevens acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat eiseres op die dagen niet aan het werk was. Eiseres heeft dit zelf aangegeven, want zij zou aan zelfstudie doen. Bovendien is in het rapport de afwezigheid tijdens studiedagen vergeleken met de toegangspas van eiseres tot de werkplek. Hieruit volgt dat eiseres deze dagen niet aanwezig was op het bureau. Het staat verder vast dat eiseres tijdens haar zwangerschap langere pauzes hield dan toegestaan en deze langere pauzes niet registreerde in BVCM. Hierover stelt eiseres dat een code in BVCM ontbrak, maar dit heeft verweerder uitdrukkelijk weersproken ter zitting. Bovendien had het op de weg van eiseres gelegen om hierover nadere afspraken te maken met haar leidinggevende. Het is de rechtbank niet gebleken dat zij dit had gedaan.

8. Vervolgens is tussen partijen in geschil of de gedragingen aan eiseres zijn toe te rekenen. Het is tussen partijen niet in geschil dat eiseres lijdt aan een bipolaire I stoornis, maar wel welke gevolgen deze stoornis heeft voor het verwijt dat aan eiseres kan worden gemaakt. Volgens eiseres hebben de verweten gedragingen steeds plaatsgevonden in de periode dat zij zwanger was. Het gaat om een geestelijke afwijking die objectiveerbaar en evident manifest werd. Twee deskundigen hebben eiseres onderzocht, gegevens bestudeerd en een rapportage uitgebracht.

8.1.

De rechtbank beoordeelt hetgeen partijen naar voren hebben gebracht aan de hand van de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Dit beoordelingskader ziet er als volgt uit. De vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4155) een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of de betrokkene de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Er wordt niet blind gevaren op wat de psychiater of psycholoog over (afwezigheid van of verminderde) toerekenbaarheid zegt, maar er moet tot een zelfstandig oordeel worden gekomen (zie bijvoorbeeld: CRvB 28 maart 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:ZB4040, CRvB

19 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV0497). Heeft het plichtsverzuim zich over een lange periode afgespeeld, dan wordt sneller aangenomen dat de ambtenaar het besef moet hebben gehad van het laakbare van zijn gedrag (CRvB 28 maart 1991, ECLI:NL:CRVB:1991: ZB4040, CRvB 3 juli, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7054 en CRvB 7 augustus 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7212). Ook is van belang of het gaat om herhaald gedrag (CRvB 18 december 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7354).

Het ligt op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend (uitspraak van 6 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3687). Op grond van vaste rechtspraak van de CRvB moet het bestuursorgaan een onderzoek doen naar mogelijke verminderde toerekenbaarheid indien er aanwijzingen zijn dat het plichtsverzuim (mede) samenhangt met psychische klachten (uitspraak van 8 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2253).

9. De eerste deskundige die een rapport heeft uitgebracht is dr. J. van der Meer, psychiater. Deze deskundige concludeert dat de verweten feiten in verminderde mate tot niet aan eiseres kunnen worden toegerekend. Hij stelt echter ook dat het niet duidelijk is en achteraf ook niet meer kan worden gereconstrueerd wat in de tussenliggende periode (tussen beide manies) precies aan de hand was. Verweerder heeft J.D.D. Tilanus, psychiater, verzocht de psychiatrische rapportage van Van der Meer te toetsen. Mede gelet op deze rapportage van Tilanus stelt verweerder zich op het standpunt dat het rapport van Van der Meer geen duidelijkheid geeft over de toerekenbaarheid.

9.1.

In de uitspraak van 18 april 2019 heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen over de rapportage van Van der Meer:

Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek is besproken - en tussen partijen is niet (langer) in geschil - dat met de rapporten van Van der Meer de vraag naar de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim aan verzoekster nog steeds niet afdoende is beantwoord.”

Tijdens de behandeling ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres echter naar voren gebracht dat het rapport van Van der Meer wel degelijk van belang is, omdat uit dit rapport volgt dat de gedragingen niet aan eiseres kunnen worden toegerekend.

9.2.

De rechtbank is van oordeel dat aan dit rapport niet de waarde kan worden gehecht, die eiseres eraan gehecht wenst te zien. De periode die met name van belang is in de onderhavige beroepsprocedure is de periode van 1 augustus 2014 tot 18 april 2015. Tot

1 april 2015 was eiseres weliswaar 1% ziekgemeld, maar gedurende deze periode was zij (vrijwel) volledig aan het werk. Dat eiseres ten tijde van de zwangerschapspsychoses niet toerekeningsvatbaar was, is niet in geding. Het gaat om de tussenliggende, hiervoor genoemde periode van 1 augustus 2014 tot 18 april 2015. Over deze periode stelt de deskundige dat het niet duidelijk is en achteraf ook niet meer kan worden gereconstrueerd wat toen precies aan de hand was. In lijn met hetgeen partijen naar voren hebben gebracht tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter, laat de rechtbank dit rapport buiten beschouwing.

10. De tweede deskundige die een rapport heeft uitgebracht is I.S. Hernandez-Dwarkasing, psychiater. De psychiater concludeert dat de periodes buiten de actieve psychiatrische episodes, eiseres arbeidsgeschikt, psychiatrisch stabiel en algeheel wilsbekwaam en toerekeningsvatbaar was. Zij was goed in staat beslissingen te nemen en werd niet gehinderd door actieve psychiatrische symptomen.

De eerste vraag die door partijen aan de deskundige is gesteld, luidt als volgt: Was eiseres in staat om, ten tijde van het voornoemde, de ontoelaatbaarheid van de haar verweten gedragingen in te zien?

En de tweede vraag was of eiseres in staat was om, ten tijde van het voornoemde, te handelen overeenkomstig dit inzicht.

De psychiater concludeert als volgt.

(1) Ten tijde van de voornoemde gedragingen was er sprake van een stabiele toestand, onderzochte functioneerde in werk en was aldus geheel wilsbekwaam en toerekeningsvatbaar. Onderzochte was in staat haar gedragingen in te zien en overwogen keuzes te maken, maar heeft een andere, voor haar aannemelijke verklaring voor haar handelen en ziet niet in ontoelaatbaar gehandeld te hebben. Een verklaring voor haar vasthoudendheid in haar optiek toelaatbaar handelen kan liggen in de kwetsbare persoonlijkheidsstructuur. Vanuit haar kwetsbare persoonlijkheidsstructuur wordt een beperkt introspectief vermogen gezien. Onderzochte kan zich niet verplaatsen in het perspectief van de ander, het ontbreekt haar aan reflecterend en relativerend vermogen. Het inzicht ontoelaatbaar gehandeld te hebben is afwezig.

(2) Er was sprake van wilsbekwaamheid en toerekeningsvatbaarheid in haar handelen. Het inzicht ontoelaatbaar gehandeld te hebben is echter afwezig. Onderzochte geeft aan vanuit haar optiek niet ontoelaatbaar gehandeld te hebben. Het inzicht in haar handelen is de afgelopen periode niet veranderd.

10.1.

Desgevraagd heeft verweerder voorafgaand aan de zitting bij faxbericht van

30 januari 2020 gereageerd op deze conclusies. In voornoemd rapport is geconcludeerd dat sprake is geweest van wilsbekwaam en toerekeningsvatbaar handelen. Alleen blijkt volgens het rapport dat eiseres heeft aangegeven dat vanuit haar optiek niet ontoelaatbaar is gehandeld. Het inzicht in haar handelen is de afgelopen periode niet veranderd. Dat past volledig bij de opstelling van eiseres in de onderhavige procedure, aldus verweerder. Uit de twee eerdere rapportages van Van der Meer komt evenzeer duidelijk naar voren dat eiseres van mening is dat haar de gedragingen ten onrechte zijn verweten. Eiseres heeft hiervoor steeds een verklaring gegeven die de haar verweten gedragingen konden legitimeren. Met inachtneming van de conclusies in het tweede rapport rechtvaardigen de feiten niet de conclusie dat bij eiseres ieder besef van de onjuistheid van haar gedrag ontbrak, maar heeft zij aangegeven dat in de individuele externe omstandigheden van haar geval redenen waren gelegen waarom haar gedragingen wel waren toegestaan, aldus verweerder. Het ontbrekende inzicht in de toelaatbaarheid van haar handelen heeft betrekking op de rechtvaardiging die zij voor haar gedragingen meende te kunnen vinden in gemaakte afspraken, administratieve verplichtingen en/of rechtspositionele aanspraken.

10.2.

Eerst tijdens de behandeling ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres naar voren gebracht dat ten onrechte geen gelegenheid is gegeven om inhoudelijk commentaar te geven op het concept-rapport. De gemachtigde heeft nimmer een definitief rapport ontvangen. Na ontvangst van het concept-rapport heeft eiseres het recht van blokkering gekregen en de mogelijkheid om feitelijke onjuistheden over het rapport naar voren te brengen. Gelegenheid tot het geven van inhoudelijk commentaar is echter niet geboden en dit is in strijd met de Richtlijn Medisch specialistische rapportage. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres naar voren gebracht wat volgens hem inhoudelijk valt af te dingen op het rapport.

10.3.

De rechtbank is van oordeel dat het in strijd met de goede procesorde is, dat eiseres voor het eerst ter zitting inhoudelijk commentaar levert op het deskundigenrapport. Gelet op de datum van het concept-rapport (juni 2019) had de gemachtigde van eiseres ruimschoots de tijd om – desgewenst en desnoods ongevraagd – commentaar te leveren op het rapport. Door dit eerst tijdens de zitting te doen, is het niet mogelijk voor verweerder om op adequate wijze te reageren. Ook voor de rechtbank is het niet mogelijk om de vragen en kritische kanttekeningen te toetsen, omdat de rechtbank niet beschikt over medische deskundigheid. De rechtbank gaat daarom niet in op het inhoudelijke commentaar dat namens eiseres ter zitting naar voren is gebracht.

10.4.

De stelling van eiseres dat de deskundige zich als partijdig heeft gemanifesteerd en zich heeft gediskwalificeerd als deskundige volgt de rechtbank niet. Er is gelegenheid geboden aan eiseres om te reageren en de deskundige is ingegaan op de punten die eiseres bij brief van 4 oktober 2019 naar voren heeft gebracht. Er heeft weliswaar een mailwisseling plaatsgevonden tussen verweerder en het bureau waar de psychiater werkzaam is, maar deze mails waren informerend van aard en gericht op het verkrijgen van de definitieve rapportage. Ook tussen de gemachtigde van eiseres en dit bureau is gecorrespondeerd over procedurele zaken. De rechtbank beschikt over geen aanknopingspunten om niet uit te kunnen gaan van hetgeen de deskundige in het rapport heeft geconcludeerd.

10.5.

Uit de medische rapportage van Hernandez-Dwarkasing volgt dat eiseres volledig toerekeningsvatbaar was gedurende de periode van 1 augustus 2014 tot april 2015. Eiseres functioneerde in haar werkzaamheden op normale wijze. In het rapport wordt geconcludeerd dat het inzicht ontoelaatbaar gehandeld te hebben afwezig was ten tijde van het tenlastegelegde. De rechtbank stelt vast dat uit de rapportage niet volgt dat het ontbreken van dit inzicht een gevolg is van ziekte of stoornis. Het lijkt meer een gevolg van de persoonlijkheid van eiseres, omdat zij zich niet kan verplaatsen in het perspectief van de ander, het ontbreekt haar aan reflecterend en relativerend vermogen. Er heeft een uitgebreid persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden, maar er is geen persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Eiseres roept in haar brief van 4 oktober 2019 de vraag op waarop de deskundige deze conclusie baseert, maar eiseres brengt geen informatie in, waaruit kan worden afgeleid dat de constatering van de deskundige feitelijk onjuist is.

11. De rechtbank is van oordeel dat de verweten gedragingen aan eiseres kunnen worden toegerekend. Dit volgt uit het hiervoor besproken deskundigenrapport. Gelet op het toetsingskader, zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 8.1, mag niet worden volstaan met een verwijzing naar een deskundigenrapport, maar dient de rechtbank tot een zelfstandig oordeel te komen over de toerekenbaarheid. De rechtbank stelt vast dat het plichtsverzuim zich over een langere periode heeft afgespeeld en er is sprake van herhaald gedrag. Eiseres was ziekgemeld, maar dit was gedurende lange tijd slechts voor 1%. In deze periode was eiseres in behandeling bij [* ] geestelijke gezondheidszorg, maar zij was ook volledig werkzaam. Op het werk functioneerde eiseres naar behoren. Dit volgt uit de deskundigenrapportage, maar dit is ook wat verweerder steeds naar voren heeft gebracht. Tijdens haar werkzaamheden op het bureau was niets aan eiseres te merken, aldus verweerder. Echter, uit de verklaring van collega [naam 7] volgt dat deze vanaf het begin van de zwangerschap (februari 2015) een verandering bemerkte in het gedrag van eiseres en dat zij vreemde apps begon te sturen. De overige gedingstukken bieden onvoldoende aanleiding om eiseres vanaf februari 2015 als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank laat dit verder in het midden, gelet op het navolgende.

12. Ook als enkel de gedragingen van 1 augustus 2014 tot februari 2015 in ogenschouw worden genomen, acht de rechtbank de verweten gedragingen dermate ernstig dat het onvoorwaardelijke strafontslag niet onevenredig is aan het gepleegde, toerekenbare plichtsverzuim. Eiseres heeft geen specifieke beroepsgronden naar voren gebracht met betrekking tot de evenredigheid van de opgelegde straf, zodat de rechtbank volstaat met deze overweging.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs (voorzitter), en mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 20 februari 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.