Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:1428

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
8238959 AZ VERZ 19-121
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkneemster zegt een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op, na afwijzing van een verzoek om salarisverhoging.

Werkneemster komt terug daarop terug. Volgens werkneemster is sprake van een wilsgebrek.

Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring dat de werkneemster eind september 2019 de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen.

De kantonrechter is van oordeel dat werkgever zich, gelet op de omstandigheden, met redelijke zorgvuldigheid ervan heeft vergewist dat zij de gevolgen van haar opzegging overzag. Zij had een plan voor na beëindiging van de arbeidsovereenkomst; een andere baan vanaf 1 januari 2020, rust nemen in de tussentijd en plannen om een B&B te starten. Het gesprek waarin zij haar ontslag mededeelde is rustig verlopen en er is geen grond om aan te nemen dat het ontslag een impulsieve actie was. Pas anderhalve maand na beëindiging van de arbeidsovereenkomst is de werkneemster daarop teruggekomen, eerst nadat zij vernam dat aan haar geen WW-uitkering zou worden uitbetaald. Er is sprake van een rechtsgeldige einde van de arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0198
Balans 2020-0102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8238959 AZ VERZ 19-121

Beschikking van 11 februari 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. E.G.W. Hendriks,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABDIJ ROLDUC B.V.,

gevestigd te Kerkrade,

verwerende partij,

gemachtigde mr. F.G.H.J. Niemarkt.

Partijen worden hierna [verzoekster] en Rolduc genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen 1 t/m 6;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen 1 t/m 3;

  • -

    een e-mail van 3 februari 2020 van mr. Hendriks met een bijlage;

  • -

    de mondelinge behandeling op 4 februari 2020, de daarvan gemaakte zittingsaantekeningen en de pleitnota van mr. Hendriks.

1.3

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is per 20 juli 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden in dienst getreden bij Rolduc. Haar functie was vakkracht / ontbijtmedewerkster. De wekelijkse arbeidsduur bedroeg minimaal 20 en maximaal 38 uur per week.

2.2.

Op 27 september 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam chefkok] , chefkok, en [verzoekster] . In dit gesprek heeft [verzoekster] om een hoger uurloon gevraagd. [naam chefkok] heeft aan deze wens geen gehoor gegeven. [verzoekster] heeft vervolgens aangegeven ontslag te willen nemen. Zij heeft die dag een brief aan Rolduc verstrekt, gericht aan [naam hoofd personeelszaken] , Hoofd Personeelszaken, met de volgende inhoud:

“Geachte mevrouw [naam hoofd personeelszaken] ,

Hierbij dien ik mijn ontslag in per 27-09-2019 met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn van een maand.

Hoogachtend,

[verzoekster] ”

2.3.

[verzoekster] heeft gedurende de maand oktober 2019 haar gebruikelijke werkzaamheden voor Rolduc verricht. Per 1 november 2019 is zij uit dienst getreden.

2.4.

Bij besluit van 2 december 2019 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan [verzoekster] bericht dat zij per 27 oktober 2019 wel recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), maar dat deze niet wordt uitbetaald omdat [verzoekster] verwijtbaar werkloos is door ontslag te nemen zonder dat dit nodig was.

2.5.

Bij brief van 12 december 2019 heeft [verzoekster] een beroep gedaan op de vernietiging van haar opzegging vanwege een wilsgebrek.

3 Het geschil

3.1

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter, samengevat, primair om haar opzegging te vernietigen en Rolduc binnen twee dagen na de beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot

- re-integratie, althans toelating tot de werkplek op straffe van een dwangsom;

- tot betaling van het loon te vermeerderen met wettelijke verhoging tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

- tot betaling van € 56,- bruto te vermeerderen met wettelijke rente en wettelijke verhoging;

- tot verstrekking van loonspecificaties op straffe van een dwangsom;

- tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten;

- tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde posten;

- tot verval van enig concurrentiebeding;

- tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na deze beschikking.

3.2

[verzoekster] heeft subsidiair, onder andere, verzocht Rolduc te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding en een schadevergoeding vanwege onregelmatige opzegging.

3.3

Bij wijze van voorlopige voorziening heeft [verzoekster] onder meer verzocht Rolduc te veroordelen tot betaling van het loon.

3.4

Rolduc heeft zich verweerd met de stelling dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 31 oktober 2019 rechtsgeldig is beëindigd.

4 De beoordeling

4.1

In geschil is de vraag of sprake is van een rechtsgeldige opzegging door [verzoekster] . Ter beantwoording van deze vraag moet vooropgesteld worden dat voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring is vereist die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze volgens vaste rechtspraak geldende strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, zoals het mogelijk verlies van ontslagbescherming en aanspraken op grond van de sociale zekerheidswetgeving. In verband met die gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer gericht is op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking (HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387).

4.2

Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring dat [verzoekster] eind september 2019 de arbeidsovereenkomst met Rolduc wilde opzeggen. Hiervan is blijkens de brief van 27 september 2019 sprake. Daarin staat duidelijk en ondubbelzinnig dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst met in acht name van één maand opzegtermijn opzegt.

4.3

[verzoekster] heeft gesteld dat haar verklaring tot opzegging van de arbeidsovereenkomst niet overeenkomstig haar wil was.

4.4

Voor zover [verzoekster] heeft beoogd te stellen dat zij vanwege medische redenen niet in staat was haar wil te bepalen of dat haar geestesvermogen tijdelijk verstoord was, mist deze stelling naar het oordeel van de kantonrechter een onderbouwing. Het herseninfarct waarvan in de door [verzoekster] overgelegde brief van huisarts [naam huisarts] van 30 januari 2020 melding wordt gemaakt, deed zich voor eind december 2019, dus niet ten tijde van de opzegging. Van de andere in de brief van de huisarts genoemde medische klachten is niet waarschijnlijk dat deze leiden tot een verstoring van het geestesvermogen.

4.5

[verzoekster] heeft gesteld dat zij de gevolgen niet overzag van haar opzegging. Rolduc had haar volgens [verzoekster] moeten wijzen op de nadelige financiële gevolgen en haar de tijd moeten geven daarover na te denken.

4.6

Rolduc heeft erkend dat zij [verzoekster] niet heeft gewezen op de gevolgen van de opzegging. Daar was volgens Rolduc ook geen reden voor. [verzoekster] heeft tijdens het gesprek op 27 september 2019 gezegd dat zij per 1 januari 2020 ander werk had bij een online kledingzaak en plannen had om van haar huis een B&B te maken. Rolduc heeft ter onderbouwing een schriftelijke verklaring van [naam chefkok] overgelegd.

4.7

[verzoekster] heeft de verklaring van [naam chefkok] deels betwist. [verzoekster] betwist dat zij een andere baan had en op 1 januari 2020 bij een online kledingzaak zou gaan werken. Ook betwist zij dat de plannen om een B&B te beginnen serieus waren.

4.8

De kantonrechter ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [naam chefkok] . Deze komt in grote lijnen overeen met de door [verzoekster] geschetste gang van zaken: het verzoek om opslag, de afwijzing daarvan en het indienen van het ontslag door [verzoekster] . Ook is de verklaring voldoende gedetailleerd. [naam chefkok] heeft immers specifiek de aard van het bedrijf benoemd waar [verzoekster] op 1 januari 2020 zou gaan werken.

4.9

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Rolduc zich, gelet op de omstandigheden, met redelijke zorgvuldigheid ervan heeft vergewist dat [verzoekster] de gevolgen van haar opzegging overzag. Zij had, zoals Rolduc terecht heeft gesteld, een plan voor na beëindiging van de arbeidsovereenkomst; een andere baan vanaf 1 januari 2020, rust nemen in de tussentijd en plannen om een B&B te starten. Hieruit volgt dat [verzoekster] had nagedacht over hetgeen zij na haar ontslag wilde ondernemen om haar inkomen te verbeteren en daarmee overduidelijk ook over de gevolgen van de opzegging. Het gesprek waarin zij haar ontslag mededeelde is rustig verlopen en er is geen grond om aan te nemen dat het ontslag een impulsieve actie was. Dat het niet ging om een impulsieve daad volgt ook uit het gegeven dat [verzoekster] de gehele opzegtermijn van een maand (tegen haar zin in) in acht heeft genomen. Gedurende die tijd heeft [verzoekster] op geen enkel moment kenbaar gemaakt terug te willen komen op de opzegging. Pas anderhalve maand na beëindiging van de arbeidsovereenkomst is [verzoekster] daarop teruggekomen, eerst nadat zij vernam dat aan haar geen WW-uitkering zou worden uitbetaald.

4.10

De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst door opzegging van [verzoekster] op 1 oktober 2019 rechtsgeldig is geëindigd. Het primaire verzoek tot vernietiging van die opzegging zal worden afgewezen.

4.11

De verzoeken tot re-integratie / toelating tot de werkvloer en om loonspecificaties vanaf november 2019 op de straffe van dwangsommen worden eveneens afgewezen. Voor zover om loonspecificaties is verzocht van vóór november 2019 wordt dit verzoek afgewezen omdat deze specificaties reeds zijn verstrekt.

4.12

Het verzoek tot betaling van € 56,- bruto wordt afgewezen. Rolduc heeft in zijn verweerschrift uitgelegd en met stukken onderbouwd waarom zij dit bedrag niet verschuldigd is en op grond daarvan gesteld dat een correcte eindafrekening heeft plaatsgevonden. [verzoekster] heeft deze uitleg niet gemotiveerd betwist.

4.13

De verzoeken tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente worden ook afgewezen. Ten aanzien van het verzoek tot vernietiging van enig concurrentiebeding overweegt de kantonrechter dat in de arbeidsovereenkomst van

19 juli 2019 geen concurrentiebeding is opgenomen.

4.14

De subsidiaire verzoeken zullen worden afgewezen. Omdat geen sprake is van een opzegging door de werkgever is artikel 7:681 BW niet van toepassing. Er is verder geen sprake van een door opzet of schuld van Rolduc veroorzaakte dringende reden op grond waarvan [verzoekster] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Een vergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW is dan ook niet aan de orde. De overige subsidiaire verzoeken tot loonspecificaties, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente zullen ook worden afgewezen. De afwijzing van die verzoeken is immers een logisch gevolg van de afwijzing van de verzoeken tot schadevergoeding.

4.15

Hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, brengt mee dat [verzoekster] geen belang meer heeft bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Deze zal dan ook worden afgewezen.

4.16

[verzoekster] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op

€ 721,- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de verzoeken af,

5.2.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Rolduc tot op heden vastgesteld op € 721,--,

5.3.

verklaart onderdeel 5.2. van deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

BM