Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:1422

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
AWB-19_2543
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het verzoek van eiser om handhavend optreden tegen het gebruik van de houtkachel van de derde-partij afgewezen.

Verweerder heeft volgens de rechtbank terecht aangenomen dat er, in het samenstel van feiten en omstandigheden, geen sprake is van overmatige hinder en er geen overtreding is van artikel 7.22 van het Bouwbesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/2543

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2020 in de zaak tussen

[eiser]

(gemachtigde: drs. C. van Oosten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul, verweerder

(gemachtigden: mr. C.J.A.G. Bronzwaer en E.M.J. Mobers).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam]

(gemachtigde: mr. W.J.F. Geertsen).

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2019 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen de overlast van een houtkachel op het perceel

[adres] (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 12 augustus 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard. De eerdere afwijzing van het handhavingsverzoek is na aanpassing van de motivering gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020.

Eiser is niet verschenen. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Deze zaak gaat over de vraag of een houtkachel overmatige hinder veroorzaakt of niet. Deze houtkachel staat in een bedrijfsloods op het perceel van de derde-partij. Eiser woont ernaast en stelt overlast (rook, geur en roet) te hebben van deze houtkachel. Hij heeft verweerder verzocht hiertegen handhavend op te treden. Verweerder heeft dit verzoek bij het primaire besluit afgewezen, omdat - kort gezegd - geen sprake is van een overtreding op grond waarvan hij bevoegd is om handhavend op te treden. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit heeft de bezwaaradviescommissie geconcludeerd dat het door verweerder uitgevoerde onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest en verweerder geadviseerd dit te herstellen in de beslissing op bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn beslissing om niet handhavend op te treden nader gemotiveerd en gehandhaafd. Eiser is het hiermee niet eens en heeft beroep ingesteld. Hij vindt dat verweerder aanvullend (technisch) onderzoek had moeten doen naar de houtkachel en de door deze kachel veroorzaakte overlast. Zonder dit onderzoek kan verweerder volgens eiser niet concluderen dat geen sprake is van een overtreding en kan verweerder dus ook niet besluiten dat hij niet bevoegd is om handhavend op te treden.

De feiten

2. Eiser is de buurman van de derde-partij. De derde-partij heeft een zaak in [diverse producten] in een loods op het perceel. In deze zaak staat een houtkachel die gebruikt wordt als sfeerverwarming. De woning van eiser ligt ongeveer 25 meter van het pand van de derde-partij. De uitmonding van de schoorsteen staat op het dak van de bedrijfsloods en deze steekt ongeveer 1.50 meter hoog boven dit dak uit. Op die uitmonding (schoorsteenpijp) is een rookvernevelaar geplaatst. De afstand van de schoorsteenuitmonding tot aan de schuifpui van de keuken van de woning van eiser is ongeveer 27 meter. Bij de kachel is een zogenaamde ABCAT houtrookfilter (hierna: ABCAT-filter) geplaatst. Deze filter is ontwikkeld om de uitstoot van rookgas uit schoorstenen van hout gestookte kachels en ketels te verminderen. Daarbij is vooral aandacht besteed aan het verminderen van de geurbelasting van de houtrook. De derde-partij stookt de kachel in de winterperiode. Dat is in de maanden oktober/november tot februari/maart. De kachel wordt dan vijf dagen per week gestookt: maandag én woensdag tot en met vrijdag van 09.00 uur tot 18.00 uur én op zaterdag van 09.00 uur tot 16.00 uur. Het te stoken hout is opgeslagen in bakken in het opslagmagazijn en onder een tent. De derde-partij houdt een logboek bij van de momenten dat hij stookt en heeft ter zitting aangegeven niet te stoken bij ongunstige weersomstandigheden. Eiser stelt dat hij de meeste overlast van de houtkachel ondervindt op het moment dat de wind in zijn richting waait (uit het westen/zuidwesten).

Het verloop van de handhavingsprocedure

3. In december 2017 heeft eiser verweerder verteld over de overlast van de houtkachel van de derde-partij. Verweerder heeft de kachel van de derde-partij op 8 december 2017 gecontroleerd. Op 1 februari 2018 zijn de bevindingen van deze controle aan eiser medegedeeld. In de e-mail van 6 april 2018 heeft eiser verweerder verzocht op grond van de artikelen 2.1, tweede lid, onder g, van het Activiteitenbesluit en 7.22 van het Bouwbesluit op te treden tegen de rook-, roet- en geuroverlast die de houtkachel veroorzaakt. Ambtenaren van de gemeente Valkenburg aan de Geul hebben in de periode van 18 tot en met

31 januari 2019 in totaal 11 controles uitgevoerd. Zij hebben bekeken of er sprake is van hinder en of er een overtreding is van het Activiteitenbesluit of het Bouwbesluit.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek tot handhaving afgewezen, omdat geen sprake is van een dergelijke overtreding. Bij het primaire besluit is een overzicht van de bevindingen van de gemeenteambtenaren gevoegd. In de meeste gevallen hebben zij geen rook gezien of geur geroken. Op sommige momenten was rook te zien of een rookgeur te ruiken, maar dat is volgens verweerder onvoldoende om te spreken van (overmatige) hinder waartegen verweerder moet optreden.

4. De rechtbank is gebleken dat naar aanleiding van het verzoek van eiser tot handhaving meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden tussen eiser en verweerder. Na het nemen van het primaire besluit heeft ook een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds eiser en verweerder en anderzijds de derde-partij en verweerder. In deze gesprekken werd duidelijk dat er geen juridische mogelijkheden zijn om de door eiser gestelde overlast aan te pakken en met eiser en de derde-partij werd afgesproken dat ze het gesprek zouden aangaan met elkaar over (het terugbrengen van) de overlast. Een mediationtraject tussen eiser en derde-partij, waarbij onder meer de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) en de GGD zijn betrokken, is mislukt. De verstandhouding tussen de derde-partij en eiser is verstoord geraakt. Eiser heeft mr. Frank Visser ingeschakeld. Deze heeft op zijn beurt Buro Blauw ingeschakeld, een onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau gespecialiseerd in luchtkwaliteit. Het inschakelen van mr. Frank Visser heeft evenmin tot een oplossing geleid.

5. In de bezwaarfase heeft de Commissie voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie) verweerder in het advies van 28 mei 2019 allereerst geadviseerd om bij het nemen van de beslissing op bezwaar te onderzoeken en onderbouwen of handhaving op grond van artikel 2.13.1 van de Omgevingsverordening 2019 van de gemeente Valkenburg aan de Geul (hierna: Omgevingsverordening) mogelijk is. De commissie heeft voorts geconcludeerd dat op basis van het controlerapport van 29 januari 2019 onvoldoende kan worden vastgesteld of de houtkachel op alle onderdelen voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 en adviseert verweerder om dit te herstellen in de beslissing op bezwaar. Voorts heeft de commissie overwogen dat het door verweerder uitgevoerde onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Zij heeft verweerder geadviseerd dit te herstellen in de beslissing op bezwaar.

Meer concreet komt het advies van de commissie er op neer dat verweerder niet ter plaatse gecontroleerd heeft of aan de technische eisen van het Bouwbesluit is voldaan en dan gaat het om of de afvoer voldoet, dat het vermogen van de kachel niet is gemeten, of er een ABCAT-filter is geplaatst en of dat filter voldoet. Voorts geeft ze aan dat verweerder voldoende onderzoek moet doen - geurmetingen en geurberekeningen ontbreken - waarbij het van belang is de windrichting en windsnelheid aan te geven, zoals een buurtonderzoek (ook naar andere kachels) en luchtkwaliteitsonderzoek.

6. In de e-mail van 25 juni 2019 heeft mr. Spaninks, werkzaam als integraal juridisch adviseur bij de gemeente Valkenburg aan de Geul, aan eiser laten weten dat verweerder heeft besloten om nader onderzoek te doen en dat het voor de hand ligt dit onderzoek in de winter te verrichten. Zij heeft eiser verzocht om in te stemmen met het verlenen van uitstel van de termijn waarbinnen de beslissing op bezwaar wordt genomen tot het eind van de winterperiode. De gemachtigde van eiser heeft in zijn e-mail van 25 juni 2019 aangegeven hiermee niet akkoord te gaan. Hij heeft verweerder in dezelfde e-mail in gebreke gesteld. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

7. In het bestreden besluit geeft verweerder aan dat de houtkachel van de derde-partij voldoet aan de technische eisen in de afdelingen 2.8 en 3.8 en in artikel 7.9 van het Bouwbesluit voor de afvoer van rookgas afkomstig van verbrandingstoestellen in de woning. De artikelen in deze afdelingen zijn bedoeld om de bewoners van de woning waarin de houtkachel staat te beschermen. Uit de visuele inspectie blijkt dat er geen (technische) gebreken zijn geconstateerd, dat de kachel door een erkend schoorsteenbedrijf is geplaatst en dat de schoorsteen jaarlijks wordt geveegd. Daarnaast blijkt dat de kachel een vermogen heeft van 9 KW en dat geen gebreken aan de geplaatste ABCAT-filter zijn geconstateerd. Voorts is er bij enkele woningen navraag gedaan naar de (rook)overlast van de houtkachel in de winterperiode. Hieruit is naar voren komt dat die overlast er niet is. Ook blijkt dat er in de buurt enkele andere kachels en/of open haarden gestookt worden.

Uit de inspecties die hebben plaatsgevonden, in het bijzonder die van 28 januari 2019, blijkt volgens verweerder in lijn met het primaire besluit dat geen overmatige hinder is geconstateerd als bedoeld in artikel 7.22 van het Bouwbesluit, waartegen hij moet optreden. Nu geen ernstige en herhaaldelijke hinder is geconstateerd, concludeert verweerder dat artikel 2.13.1 van de Omgevingsverordening niet wordt overtreden en dat hij daarom niet bevoegd is op grond hiervan op te treden.

8. De derde-partij is het eens met verweerder. Het onderzoek dat door verweerder is uitgevoerd is voldoende en daaruit blijkt dat geen sprake is van overmatige hinder.

9. In deze zaak moet de rechtbank aan de hand van wat in beroep door eiser is aangevoerd beoordelen of verweerder het verzoek om handhavend op te treden terecht heeft afgewezen. Tijdens de zitting is door eiser aangegeven dat alleen in geschil is of artikel 7.22 van het Bouwbesluit en/of artikel 2.13.1, eerste lid, van de Omgevingsverordening is overtreden. Daarbij is aangegeven dat verweerder aanvullend (technisch) onderzoek had moeten laten doen naar de door deze kachel veroorzaakte overlast en met name de geuroverlast.

Het wettelijk kader

10. Voor de beoordeling van het beroep geldt - voor zover hier relevant - het volgende wettelijke kader.

Artikel 7.22, aanhef en onder a, van het Bouwbesluit bepaalt dat onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde, het verboden is in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten werktuigen te gebruiken, waardoor op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid.

Artikel 2.13.1, eerste lid, van de Omgevingsverordening bepaalt dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erg of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

Eerdere rechtspraak over dit onderwerp

11. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft al uitspraken over houtkachels gedaan. In de uitspraak van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4032) heeft de Afdeling (onder 6.1) geoordeeld dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit, gelet op de nota van toelichting bij dit artikel (Stb. 2011, 416, blz. 342-343), een restbepaling is waaraan door het bevoegd gezag toepassing kan worden gegeven indien naar zijn oordeel optreden tegen het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein vanwege gevaarzetting, dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder noodzakelijk is en meer specifieke bepalingen geen soelaas bieden. In de uitspraak van

5 september 2018 (ECLI:NL:RVS:20018:2917) heeft de Afdeling (onder 3.2) geoordeeld dat in afdeling 3.8 van het Bouwbesluit eisen zijn gesteld aan voorzieningen bij nieuwe en bestaande woningen voor de afvoer van rookgas afkomstig van verbrandingstoestellen, ongeacht het materiaal waarmee wordt gestookt, ter bescherming van de bewoners van de woning waarin het verbrandingstoestel zich bevindt. Voor het gebruik van houtkachels en haarden ontbreekt andere landelijke regelgeving, zo overweegt de Afdeling. Tot op heden bestaan geen algemeen aanvaarde inzichten over de beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook afkomstig van gebruik van een houtkachel schade aan de mens toebrengt. De Wet milieubeheer, in het bijzonder bijlage 1 van die wet, die grenswaarden bevat voor fijnstof (PM10 en PM2,5), geeft daarover evenmin uitsluitsel.

11.1.

Van belang om hier te vermelden is ook de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 juli 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:4055). Daarin is uitvoerig ingegaan op het ontbreken van specifieke landelijke richtlijnen en regels en met name geuremissienormen.

11.2.

Uit de vermelde uitspraken blijkt dat de bestuursrechter nagaat hoe vaak en op welke wijze de ambtenaren van de gemeente de houtkachel(rook) hebben bekeken en wat de weersomstandigheden zijn en hoe de omgeving is. Van belang hierbij is ook dat rook uit een kachelpijp niet altijd iets zegt over de hoeveelheid (geur)overlast.

De rechtbank beoordeelt alleen of artikel 7.22 van het Bouwbesluit is overtreden

12. De rechtbank stelt allereerst vast dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit het meest specifiek is als het gaat om overlast van houtkachels. Artikel 2.13.1 van de Omgevings- verordening voegt daaraan niets toe en heeft in dat verband geen extra betekenis. De rechtbank volgt daarin eiser dus niet. De rechtbank betrekt hierbij - verweerder heeft dat ter zitting ook aangegeven - dat artikel 2.13.1 van Omgevingsverordening ziet op andere vormen van woonoverlast (door personen). Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid de bewoners van een woning van waaruit ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt, tijdelijk (voor de duur van ten hoogste tien dagen) te verbieden aanwezig te zijn in of bij deze woning.

13. Zoals volgt uit rechtsoverweging 11. gaat het bij artikel 7.22 van het Bouwbesluit om een restbepaling waarbij het bevoegd gezag enige beoordelingsruimte heeft ten aanzien van wat overmatige hinder is en dus ook wanneer tot handhaving kan worden overgegaan. Dit maakt dat de rechtbank zal beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van overmatige hinder in de zin van artikel 7.22 van het Bouwbesluit en dat hij daarom niet bevoegd was handhavend op te treden.

14. Verweerder concludeert op basis van de 11 controles die in januari 2019 hebben plaatsgevonden, in onderlinge samenhang bekeken met het nader onderzoek dat is verricht naar aanleiding van het advies van de commissie, dat geen sprake is van overmatige hinder als bedoeld in artikel 7.22 van het Bouwbesluit en dat hij daarom niet bevoegd was handhavend op te treden. De rechtbank kan deze conclusie volgen en zij overweegt daartoe het volgende.

15. De rechtbank verwijst allereerst naar de vastgestelde feiten in rechtsoverweging 2.

Daarbij is van belang dat de houtkachel wordt gestookt (met droog hout) in de winterperiode gedurende 4 of 5 maanden en op 5 dagen gedurende de openingstijden, voldoet aan de in het Bouwbesluit gestelde technische vereisten en dat er een logboek wordt bijgehouden. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat in het verloop van de handhavingsprocedure, in het kader van de inschakeling van mr. Frank Visser, Buro Blauw heeft geconcludeerd dat, als de houtkachel wordt gestookt, stof en roetdeeltjes vrijkomen, met name gedurende de opstart van de houtkachel, maar ook bij slechte (weers)omstandigheden. De grenswaarden voor fijnstof worden naar verwachting niet overschreden, omdat daarvoor “te weinig” wordt gestookt. Dit onderzoek is niet bestreden.

15.1.

De rechtbank stelt in het licht van de rechtsoverwegingen 5. en 7. verder vast dat verweerder naar aanleiding van het advies van de commissie nader onderzoek heeft gedaan. Dat betreft technisch onderzoek naar de houtkachel zelf. Voorts is nadere info gegeven over de windrichting/windsnelheid en is in de buurt navraag gedaan naar de (rook)overlast van de houtkachel. Op 1 augustus 2019 heeft toezichthouder Spaninks gesproken met de bewoners van de woningen aan de [straatnaam] [huisummer] , [huisummer] en [straatnaam] [huisummer] in [woonplaats] . Deze bewoners hebben aangegeven in de winterperiode geen rookhinder te ondervinden van de kachel op het perceel van de derde-partij. Ook worden in de directe omgeving enkele andere houtkachels / open haarden gebruikt.

15.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet meer is overgegaan tot nieuwe eigen controles of het laten doen van een luchtkwaliteitsonderzoek. Tussen partijen staat niet ter discussie dat verweerder na ontvangst van het advies van de commissie contact heeft opgenomen met de gemachtigde van eiser om te vragen of eiser wilde meewerken aan uitstel van de beslistermijn om in de volgende winterperiode (2019-2020) nieuwe waarnemingen te doen. Eiser heeft hiermee niet ingestemd en heeft verweerder in gebreke gesteld. Anders dan eiser stelt kan verweerder dus niet worden tegen geworpen dat hij naar aanleiding van het advies van de commissie geen aanvullend (visueel) onderzoek of metingen meer heeft kunnen of laten verrichten.

15.3.

De resultaten van de 11 controles zijn vastgelegd in rapportages (foto’s en beschrijvingen van waarnemingen). De resultaten van de waarnemingen die op 18, 21, 22, 23, 24, 29 en 30 januari 2019 zijn gedaan, zijn soms (heel) erg kort.

Bij deze waarnemingen is op 18 januari 2019 een “hele lichte grijze rook” waargenomen. De wind blies op dat moment naar het westen - dus in de richting van de woning van eiser - en in die richting werd “een matige verbrandingslucht” waargenomen. Op 21 en 22 januari 2019 is geen rook waargenomen en op 22 januari 2019 is evenmin een brandlucht waargenomen. De wind blies op dat moment - zo blijkt uit gegevens van het KNMI waarnaar verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen - uit respectievelijk het zuid-zuid-westen en het zuiden. Op 23 januari 2019 is weliswaar rook waargenomen, maar is geen geur waargenomen aan zowel de voor- als de achterkant van het perceel. De wind blies op dat moment uit het oost-noord-oosten. Op 24 januari 2019 is evenmin een verbrandingslucht waargenomen; noch aan de voor- en achterzijde van het perceel, noch aan de hekzijde bij de poort van eiser. Op dat moment blies de wind uit het noordwesten, zoals blijkt uit de gegevens van het KNMI. Bij de waarneming die op 25 januari 2019 om 15.09 uur is verricht en waarbij de wind uit het zuid-zuid-westen blies, is geen rook gezien, noch een rookgeur geroken. De resultaten van de waarnemingen die op 25 januari 2019 om 11.02 uur en op 30 januari 2019 zijn gedaan, zijn uitgebreider. Op 25 januari 2019 zag de toezichthouder dat de kop van de schoorsteen ronddraaide. Hij zag op dat moment geen rook, noch rook hij een rookgeur. Ter hoogte van het poortje bij het perceel zagen de toezichthouders dat een grijskleurige rook uit de schoorsteen kwam. Toen de toezichthouders in de richting van de woning van de derde-partij liepen, roken zij bij vlagen een matige rookgeur. Op 30 januari 2019, toen de wind volgens de informatie van het KNMI uit het zuiden blies, hebben de toezichthouders geen rookgeur kunnen waarnemen; evenmin hebben zij rook uit de schoorsteen gezien.

Bij een uitgebreidere controle die op 28 januari 2019 heeft plaatsgevonden, blies de wind uit het westen, in de richting van de woning van eiser. Om 10.15 uur zijn de toezichthouders door de woning van eiser gelopen. Op dat moment werd geen rookgeur waargenomen in de gang, woonkamer en keuken. In de garage/paardenstallen werd een “matige geur van hout gestookte kachel” waargenomen. Deze geur werd ook waargenomen in de achterkamer op de eerste verdieping. Om 10.35 uur werd de kachel opnieuw opgestookt. Dit was waarneembaar doordat er tijdelijke donkere rook uit de afvoerpijp kwam. Dat duurde ongeveer 5 minuten. Na het opnieuw opstoken van de kachel was op de zolderverdieping “een sterke geur waarneembaar van hout gestookte kachel”, in de achterkamer op de eerste verdieping was ook “veel geur waarneembaar”. In de keuken en garage/paardenstallen was de geur niet tot matig waarneembaar. Volgens de toezichthouders is het waarschijnlijk dat de meeste geur op de bovenverdiepingen waarneembaar is als de kachel (opnieuw) wordt opgestookt. Na een aantal minuten valt de rook neer en is de rookgeur ook waarneembaar op de begane grond. Dit duurde ongeveer 5 minuten. In de rapportage is voorts vermeld dat er roetdeeltjes zijn aangetroffen op de kozijndorpels, maar is door de toezichthouders ook aangegeven dat zij niet kunnen vaststellen of die afkomstig zijn van de gestookte houtkachel van de derde-partij. Om 11.18 uur is een bezoek gebracht op het perceel van de derde-partij. Geconstateerd is dat de kachel werd gestookt met droog hout. Het hout dat gestookt wordt ligt droog in grote bakken in het opslagmagazijn en onder de tent. De derde-partij heeft tijdens de controle aangegeven dat de filter van de kachel bij het opstoken dicht geschoven moet worden. Dit verklaart volgens de derde-partij dat bij het (opnieuw) opstoken van de kachel rook en rookgeur (sterker) waarneembaar is.

Bij een uitgebreidere controle die op 31 januari 2019 heeft plaatsgevonden, is in de woning van eiser geen geur waargenomen tussen 10.00 uur en 10.15 uur. Om 10.15 uur werd in het pand van de derde-partij een nieuw houtblok op de kachel gelegd om het effect daarvan te kunnen waarnemen. De wind blies op dat moment uit zuidwestelijke richting. Door de toezichthouders werd rook waargenomen die donkerder van kleur was, op geen van de verdiepingen van de woning van eiser werd een rookgeur waargenomen. Wel waren kleine roetdeeltjes op de randen van de kozijnen te zien. Toen om 10.45 uur nogmaals een houtblok op de kachel werd gegooid, werd nog steeds geen rookgeur waargenomen. Bij de derde-partij werd die dag, om 09.51 uur, waargenomen dat de kachel brandde, ook werd witte rook gezien, maar er werd aan de voorkant van het perceel geen rookgeur geroken. Toen om 10.15 uur een nieuwe houtblok op de kachel werd gelegd, zagen de toezichthouders bij de derde partij buiten zwarte rook. Toen de toezichthouders zo gingen staan dat de rookpluim in hun richting kwam roken ze een matige rookgeur die vlagerig waarneembaar was. Ongeveer 5 minuten nadat het nieuwe houtblok op de kachel was gelegd, was de rookgeur verdwenen en de kleur van de rook weer wit.

15.4.

De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat uit de controles niet naar voren komt dat er sprake is van (voortdurende) overmatige rook- en geuroverlast. Weliswaar is er soms extra rook- en geuroverlast - met name bij het (opnieuw) opstoken - maar die is niet overmatig en duurt niet lang.

15.5.

Uit de rechtsoverwegingen 15. tot en met 15.4. volgt, uit het geheel van feiten en omstandigheden, dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van overmatige hinder in de zin van artikel 7.22 van het Bouwbesluit als gevolg van de door de derde-partij gestookte houtkachel geen sprake is. Deze beroepsgrond faalt.

16. Eiser betoogt dat er in werkelijkheid (veel) meer hinder is dan de hinder die door de toezichthouders van de gemeente is geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan eiser om deze stelling (enigszins) te onderbouwen. Dit heeft eiser niet gedaan, terwijl dit wel voor de hand had gelegen door bij voorbeeld het inbrengen van foto’s of video’s waarop de gestelde rookoverlast is te zien. De enkele, niet onderbouwde, stelling dat sprake is van meer hinder dan de hinder die door de toezichthouders van de gemeente is geconstateerd, maakt dan ook niet dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van overmatige hinder als bedoeld in artikel 7.22 van het Bouwbesluit. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de mededeling van de gemachtigde van verweerder, mr. Bronzwaer, dat eiser tot nu toe in de huidige winterperiode niet heeft geklaagd over hinder die is veroorzaakt door de houtkachel van de derde-partij en er niet gebleken is van andere omstandigheden ten aanzien van het stoken van de houtkachel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

17. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser, onder verwijzing naar de in rechtsoverweging 11.1. genoemde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant betoogd dat de rechtbank door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) moet laten onderzoeken wat de rook- en geurhinder is die door de houtkachel van derde-partij wordt veroorzaakt. De rechtbank ziet, gelet op de rechtsoverwegingen 15. en 16. hiertoe geen aanleiding. Daarbij merkt zij nog op, zoals de rechtbank Oost-Brabant heeft overwogen, dat niet alle beoordelingscriteria bij de zogenaamde “harde aanpak” van de StAB, waarbij een beoordeling ter plaatse plaatsvindt, werkbaar zijn. Ook moet nog meer onderzoek worden gedaan naar de geuremissienorm van de StAB.

Conclusie

18. De rechtbank concludeert dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft aangenomen dat er geen sprake is van overmatige hinder van de door de derde-partij gestookte houtkachel, er geen overtreding van artikel 7:22 van het Bouwbesluit is en verweerder derhalve niet bevoegd was hiertegen handhavend op te treden. Het verzoek van eiser daartoe is terecht afgewezen.

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.W.J. Reuvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 20 februari 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.