Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:1399

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-02-2020
Datum publicatie
19-02-2020
Zaaknummer
03/995002-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor voormalig directeur woningstichting. Medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd. Gelet op tijdsverloop en gevorderde leeftijd gevangenisstraf van 10 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 80 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/995002-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.W. Heemskerk, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 20, 21 en 28 januari 2020. Behoudens de zitting op 28 januari 2020 is de verdachte telkens ter terechtzitting verschenen. Zijn raadsman is alle zittingsdagen ter terechtzitting verschenen. Op 5 februari 2020 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven en na wijziging van de tenlastelegging, op neer dat de verdachte al dan niet samen met een ander in de bedrijfsadministratie van een woningstichting valse dan wel vervalste geschriften heeft opgenomen.

3 De voorvragen

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie

niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. Enerzijds heeft de verdachte lange tijd op zijn berechting moeten wachten, met alle persoonlijke gevolgen van dien, anderzijds is de waarheidsvinding in het geding gekomen doordat belangrijke getuigen zich door het tijdsverloop niet alles meer kunnen herinneren.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen. Zij heeft zich, onder verwijzing naar actuele jurisprudentie van de Hoge Raad, op het standpunt gesteld dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding kan zijn het Openbaar Ministerie

niet-ontvankelijk te verklaren. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in deze strafzaak geen sprake. De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat de overschrijding van de redelijke termijn is verdisconteerd in haar strafeis.

3.3

Het standpunt van de rechtbank

Artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die redelijke termijn wordt in doorsneezaken in eerste aanleg in beginsel op twee jaren gesteld. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de (Nederlandse) Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat het eerste verhoor van de verdachte op 7 april 2015 door de FIOD/Belastingdienst als eerste handeling moet worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat in deze strafzaak, die overigens niet als doorsneezaak is aan te merken, niettemin de redelijke termijn ruimschoots is overschreden.

Op 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewezen voor wat betreft de (rechtsgevolgen van) overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken.1 De Hoge Raad heeft onder rechtsoverweging 3.21 overwogen:

Overschrijding van de redelijke termijn (…) leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf, die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.”

De rechtbank volgt de lijn van de Hoge Raad en ziet géén zwaarwegende omstandigheden die tot gevolg zouden moeten hebben dat door de overschrijding van de redelijke termijn, de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. De rechtbank verwerpt het door de raadsman op dit punt geformuleerde verweer.

4 De beoordeling van het bewijs

Inleiding

Aan het einde van de zomer van 2012 berichtte het NRC Handelsblad dat [medeverdachte] zich, als directeur van de woningstichting [naam woningstichting 1] , zou hebben verrijkt met een onroerendgoedtransactie. Daarnaast zouden een aantal gebeurtenissen en transacties binnen de woningstichting “vragen oproepen”. De minister van Binnenlandse Zaken heeft vervolgens aan de Raad van Toezicht van de woningstichting opdracht gegeven een onafhankelijk onderzoek in te laten stellen en een interim directeur te benoemen. Onafhankelijk onderzoeksbureau Intégis B.V. is vervolgens ingeschakeld om het onderzoek te verrichten. Dit onderzoeksbureau heeft onder meer een transactie met betrekking tot een pand aan de [adres] in Sittard bekeken, zijnde de onroerendgoedtransactie waarover het NRC had bericht. Daarnaast heeft het onderzoeksbureau de salarissen, de bedrijfsadministratie en andere aspecten van het zakelijk handelen van [medeverdachte] onderzocht. Tijdens dit onderzoek kwamen ook een aantal declaraties van de verdachte, zijnde de vader van [medeverdachte] , aan het licht. Het rapport van Intégis B.V. is in januari 2013 naar de Belastingdienst/FIOD gestuurd. De verbalisanten van de Belastingdienst/FIOD hebben vervolgens een strafrechtelijk onderzoek naar het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte ingesteld. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft zich op een viertal onderwerpen gericht, te weten:

1. De salariëring van [medeverdachte] door de woningstichting;

2. De handelswijze van en door [naam bv 1] , waarvan [medeverdachte] voor

50 % eigenaar was;

3. De privéopnames uit de kas/van de bank van de woningstichting door

[medeverdachte] ;

4. De verrichte werkzaamheden van de onderneming [naam onderneming 1] van de verdachte voor de woningstichting.2

Een korte geschiedenis van de woningstichting

“ [naam woningvereniging] ” is opgericht op 16 juni 1920. Op 6 mei 1994 is deze vereniging omgezet in een stichting, genaamd “ [naam woningstichting 2] ”.3 De woningstichting had een woningbestand van ongeveer 300 eenheden, bestaande uit sociale woningbouw, appartementen, zorgcomplexen en bedrijfsruimtes.4 De verdachte was vanaf

6 mei 1994 tot 1 juni 2007 bestuurder en directeur van de stichting. [medeverdachte] trad op

1 januari 2005 in dienst bij de woningstichting als junior adviseur bouw- en woningzaken. Met ingang van 1 juni 2007 heeft [medeverdachte] de verdachte opgevolgd als bestuurder en directeur van de stichting. De naam van de stichting is op 1 november 2011 gewijzigd in “ [naam woningstichting 1] ”. Na het gesprek van de Raad van Toezicht met de minister van Binnenlandse Zaken over mogelijke fraude is [medeverdachte] op 31 augustus 2012 geschorst. Nadat het rapport van Integis in januari 2013 verscheen, is hij ontslagen.5 Om de leesbaarheid van dit vonnis te bevorderen zal de rechtbank in dit vonnis spreken van “de woningstichting”, waar zij bedoelt [naam woningstichting 2] of [naam woningstichting 1] .

Volgens de statuten van de woningstichting werd het toezicht op de directeur uitgeoefend door een Raad van Toezicht van ten minste drie en ten hoogste zes leden. Bij de politie en ter terechtzitting zijn een aantal oud-leden van de Raad van Toezicht gehoord, te weten:

[naam lid RvT 1] , [naam lid RvT 2] , [naam lid RvT 3] en [naam voorzitter RvT] .6 Laatstgenoemde was met ingang van 1 januari 2008 voorzitter van de Raad van Toezicht.7 Teneinde de leesbaarheid van dit vonnis te bevorderen zal de rechtbank in dit vonnis spreken van “de raad”, waar zij bedoelt de Raad van Toezicht van de woningstichting.

Bij de woningstichting werkte, behalve de directeur, [naam administratief medewerkster] als administratief medewerkster en een derde persoon in de functie van onderhoudsmedewerker.8

[naam samenstellend accountant] was de samenstellend accountant, wat betekende dat hij informatie verzamelde voor de jaarrekening. De jaarrekening werd vervolgens gecontroleerd door de accountants van Ernst & Young. Deze werd jaarlijks aan de leden van de raad gepresenteerd.9

[naam bv 1]

Op 29 juli 2009 werd mede door [medeverdachte] de besloten vennootschap genaamd [naam bv 1] opgericht, waarvan hij via zijn eigen besloten vennootschap [naam bv 2] een aandeel had van 50 %. Dit formaliseerde de samenwerking die hij al in juli 2008 was aangegaan met het bedrijf [naam bedrijf] . [naam bv 1] was tot stand gekomen om de toenemende vraag naar zorgwoningen en de problematiek omtrent afstemming van vraag en aanbod naar woningen voor zorgbehoevenden te faciliteren.10

[naam onderneming 1]

Na zijn pensionering heeft de verdachte per 1 juni 2007 zijn bedrijf, de eenmanszaak genaamd [naam onderneming 1] , in het handelsregister ingeschreven. Volgens de inschrijvingen in het handelsregister zijn de ondernemingsactiviteiten weer gestaakt per 1 januari 2009. Een jaar later heeft hij de onderneming [naam onderneming 2] ingeschreven in het handelsregister. Deze onderneming werd per 1 januari 2011 weer uitgeschreven.11

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 bewezen zijn, zoals verwoord in het door haar overgelegde schriftelijke requisitoir.

Ten aanzien van feit 1 blijkt uit het dossier dat door de Raad van Toezicht akkoord is gegaan met het door de verdachte na zijn pensionering als directeur van de woningstichting gaan verrichten van advieswerkzaamheden voor de woningstichting in de periode van 1 juni 2007 tot 1 juni 2008, tegen betaling van een uurtarief van € 70,- en voor maximaal twintig uren per week. Het zou dan vooral gaan om werkzaamheden met betrekking tot het project Hoogveld. Dat project is uiteindelijk - met enige vertraging - opgeleverd in 2008. Uit het dossier blijkt dat de verdachte in eerste instantie conform deze afspraak zijn werkzaamheden aan de woningstichting heeft gefactureerd. Uit het strafrechtelijk onderzoek is echter gebleken dat de verdachte eind 2008 is overgegaan tot het factureren van de werkzaamheden op basis van een percentage van de aanneemsom. De Raad van Toezicht is daar niet over ingelicht. De verdachte en zijn zoon, genaamd [medeverdachte] , hebben in samenspraak de tenlastegelegde valse documenten in de bedrijfsadministratie opgenomen of doen opnemen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verdachte in 2009 en 2010 een aantal facturen aan de woningstichting heeft gestuurd, welke door de woningstichting zijn voldaan. Voor deze werkzaamheden is echter geen toestemming verleend door de Raad van Toezicht. Sterker nog, de Raad van Toezicht was niet eens op de hoogte van werkzaamheden, die de verdachte in deze periode voor de woningstichting zou hebben verricht. De officier van justitie is van oordeel dat op basis van het procesdossier kan worden vastgesteld dat deze werkzaamheden zelfs niet zijn uitgevoerd. De betreffende facturen zijn dan ook valselijk opgemaakt.

Ten aanzien van beide feiten heeft de officier van justitie verder aangevoerd dat alle tenlastegelegde geschriften (offerte, opdrachtbevestiging en facturen) valselijk zijn opgemaakt en vervolgens zijn verwerkt in de bedrijfsadministratie, met als gevolg dat die administratie als vals kan worden aangemerkt. Zowel de verdachte als [medeverdachte] waren van deze valsheden op de hoogte en hebben zich derhalve schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrifte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit.

De raadsman heeft ten aanzien van de offerte, die onder feit 1 het onderwerp van het tenlastegelegde vormt, aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat bij de verdachte opzet bestond tot het antedateren daarvan, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte heeft deze offerte niet opgesteld en heeft de onjuiste datum gewoonweg niet opgemerkt. Dit geldt volgens de raadsman ook voor de overige twee documenten, waarvan de valsheid aan de verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd. In de totstandkoming van deze documenten heeft de verdachte in het geheel geen aandeel gehad. Uit het dossier is niet gebleken dat de verdachte zich op een of andere manier schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrifte.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat niet zonder gerede twijfel de stelling kan worden ingenomen dat de verdachte in de jaren 2009 en 2010 geen werkzaamheden voor de woningstichting heeft verricht. De verdachte moet alleen al daarom van het onder feit 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 12

Feit 1

Afspraken over werkzaamheden na pensionering; de kwestie [naam onderneming 1]

In de vergadering van de raad op 6 maart 2007 heeft de verdachte aan de raad medegedeeld dat hij met pensioen wilde en zijn arbeidsovereenkomst als directeur van de woningstichting per 1 juli 2007 wenste te beëindigen. Hij wilde na zijn pensioen als technisch adviseur inzetbaar blijven voor de woningstichting. De ontslagdatum werd nadien gewijzigd in 1 juni 2007.13

De raad heeft op 3 april 2007 en 1 mei 2007 over de inzet van de verdachte als technisch adviseur gesproken. Besloten werd dat de verdachte na zijn pensioen nog maximaal twintig uur per week werkzaamheden zou verrichten als adviseur en begeleider van de projecten Molenbron en Hoogveld tegen een vergoeding van € 70,- per uur, exclusief BTW, ingaande op 1 juni 2007. Er zou een overeenkomst worden opgemaakt voor de duur van één jaar. 14

Per 1 juni 2007 heeft de verdachte zijn eenmanszaak [naam onderneming 1] ingeschreven in het handelsregister. Volgens deze inschrijving zijn de ondernemersactiviteiten gestaakt per 1 januari 2009. De verdachte heeft per 1 januari 2010 de onderneming [naam onderneming 2] ingeschreven. Deze onderneming is per 1 januari 2011 weer uitgeschreven.15

Voor werkzaamheden in de periode van juni tot september 2007 factureerde de verdachte aan de woningstichting. De eerste vier facturen waren alle gedateerd 8 oktober 2007. De gefactureerde bedroegen in totaal € 25.239,90.16 Deze bedragen zijn door de woningstichting aan de verdachte betaald.17 Alhoewel deze facturen geen onderdeel uitmaken van de tenlastelegging, vallen er wel een aantal dingen op. Deze facturen hebben namelijk geen (opvolgend) factuurnummer, bevatten geen specificatie van de (aard) van de werkzaamheden, er was evenmin een urenspecificatie bijgevoegd en ze zijn, zoals vermeld, telkens gedateerd op 8 oktober 2007.

Op 1 juli 2008 werden de diensten van de verdachte opnieuw in een vergadering van de raad besproken. Afgesproken werd dat de verdachte vanaf 1 juli 2008 net als voorheen op regiebasis zou worden ingezet.18

De valsheid in geschrifte in een drietal documenten

In de administratie van de woningstichting is een offerte aangetroffen met de dagtekening

2 februari 2007 van [naam onderneming 1] , [verdachte] , voor werkzaamheden ten behoeve van complex Hoogveld tegen een tarief van 3,5% van de aanneemsom, exclusief BTW (D-031). Dit document is door de verdachte ondertekend.19 Daarnaast is in de administratie een factuur aangetroffen gedateerd op 18 november 2008 van [naam onderneming 1] voor verrichte werkzaamheden ten behoeve van Hoogveld ten bedrage van deze 3,5 %, zijnde € 141.595,06 inclusief BTW (D-044). Op dit document staat een handtekening van de verdachte en van [medeverdachte] .20 Deze factuur werd door de woningstichting betaald met verrekening van de eerder gefactureerde bedragen. De woningstichting betaalde aan de verdachte vervolgens een bedrag van € 127.094,24.21

Met betrekking tot het werken op basis van een percentage van de aanneemsom zijn onder meer nog een tweetal andere documenten in de administratie van de woningstichting aangetroffen.

Dit betreft een document met dagtekening februari 2007 waarop staat dat er een opdracht wordt verstrekt aan de verdachte inzake werkzaamheden Hoogveld te Sittard. Het tarief wordt gesteld op 3,5% van de aanneemsom, exclusief BTW (D-033). Onder dit document staat voor akkoord [medeverdachte] .22

Het tweede document (D-034) had als briefhoofd [naam woningstichting 2] en was gedateerd op 21 februari 2007. Dit document is gericht aan [naam onderneming 1] en het onderwerp is Project Hoogveld Sittard. De tekst luidt: “Geachte heer [verdachte] , wij verzoeken u om uitvoering van de werkzaamheden van het project Hoogveld te Sittard conform uw offerte d.d. 2 februari 2007, met een tarief van 3,5% van de aanneemsom, exclusief BTW. [medeverdachte]”.23

In het dossier bevindt zich een schermafdruk van een document dat in het programma Word is opgemaakt. Het gaat hierbij om de voornoemde opdrachtbevestiging d.d. 21 februari 2007 (D-034). Op de schermafdruk is te zien dat het document is aangemaakt en afgedrukt op

26 november 2008.24

De verklaringen van getuigen over het factureren op basis van percentage aanneemsom

[naam administratief medewerkster] heeft verklaard bovengenoemde offerte te hebben opgemaakt en de gegevens hiervoor van de verdachte en van [medeverdachte] te hebben ontvangen. De offerte is volgens haar rond november/december 2018 opgemaakt. [medeverdachte] was haar aanspreekpunt in deze kwestie. Over de datum op de offerte heeft [naam administratief medewerkster] verklaard dat haar is gezegd een datum in het verleden te kiezen en dat zij toen maar voor deze datum heeft gekozen.25 [naam administratief medewerkster] heeft verder verklaard het document, inhoudende de opdrachtbevestiging tegen het nieuwe tarief wel te kennen, maar dat zij dat document niet heeft opgemaakt. Ze weet niet wie dit document wel heeft opgemaakt.26

[naam samenstellend accountant] heeft verklaard dat hij [naam onderneming 1] kent als de onderneming van de verdachte. [naam onderneming 1] hield toezicht op de ontwikkeling van het project Hoogveld. Hij heeft op een gegeven moment bij [medeverdachte] aangegeven dat de facturen van [naam onderneming 1] tijdiger moesten worden aangeleverd. Er kon wekelijks of maandelijks gefactureerd worden of met een vast bedrag per maand. Hij heeft toen ook bij [medeverdachte] aangegeven dat het in de bouwwereld niet ongebruikelijk is om met een vast percentage van de aanneemsom te werken. Hij weet zeker erbij te hebben gezegd dat er dan wel een nieuwe opdracht moest komen. Hij denkt erbij te hebben gezegd dat het goedgekeurd moest worden door de raad. Het vaste percentage van 3,5% heeft [naam samenstellend accountant] samen met [medeverdachte] vastgesteld via informatie, verkregen na een zoekopdracht in Google.27

De leden van de raad hebben verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van de offerte van [naam onderneming 1] van februari 2007 en ook niet op de hoogte te zijn geweest van de nieuwe afspraak, inhoudende dat [naam onderneming 1] op basis van een percentage van de aanneemsom betaald zou worden voor werkzaamheden. Ze kennen alleen de oude afspraak van maximaal 20 uren per week voor een tarief van 70 euro per uur.28 De notulen van de vergaderingen van de raad bevatten geen besluit of discussie over een nieuw tarief. De leden van de raad kennen ook de brief aan [naam onderneming 1] niet, inhoudende de opdrachtbevestiging tegen het nieuwe tarief.29

De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] hem eind 2008 heeft benaderd met de vraag te factureren op basis van een percentage van de aanneemsom. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij de offerte heeft ondertekend, die [naam administratief medewerkster] al voor hem had opgemaakt. Over de datum van de offerte heeft de verdachte in eerste instantie verklaard dat deze is opgemaakt in februari 2007, zoals daarin ook vermeld staat. Als hem dan wordt voorgehouden dat hij op deze datum nog directeur was van de woningstichting, geeft hij aan dat de offerte na juli 2007 door hem is ondertekend. Later heeft de verdachte verklaard dat de datum op de offerte hem in het geheel niet is opgevallen. Hij heeft voorts verklaard deze nieuwe wijze van facturering niet met de raad te hebben besproken.30

Conclusie ten aanzien van het afgesproken tarief

Op grond van het bovenstaande kan worden vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte] eind 2008 hebben afgesproken dat de verdachte op basis van een percentage van de aanneemsom zijn werkzaamheden voor de bouwbegeleiding van het project Hoogveld aan de woningstichting zou factureren, ook al had de raad in 2007 een ander tarief bepaald. Zonder dit aan de raad voor te leggen heeft de verdachte vervolgens eind 2008 een offerte ingediend gedateerd op 2 februari 2007. [medeverdachte] heeft vervolgens in zijn functie van directeur een opdrachtbevestiging opgesteld, eveneens gedateerd op 2 februari 2007, de offerte van de verdachte ondertekend en de opdracht aan de verdachte bevestigd met een brief, gedateerd op 21 februari 2007. Uit de verklaring van getuige [naam samenstellend accountant] en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting kan worden afgeleid dat de bedoeling was om eind 2008 duidelijkheid te hebben over de totale kosten van het project Hoogveld. Daarnaast was het kennelijk de bedoeling de werkzaamheden tegen een substantieel hogere vergoeding af te rekenen. Dat dit mede een vergoeding was voor toekomstige werkzaamheden na 2008, is in tegenspraak met de facturen, zoals deze door de verdachte voor werkzaamheden tot en met 2008 bij de woningstichting zijn ingediend.

Door de offerte en de opdrachtbevestigingen, zijnde documenten die bestemd waren voor de bedrijfsadministratie van de woningstichting als basis voor de afrekening, te voorzien van een onjuiste datum hebben zowel de verdachte als de medeverdachte die administratie vervalst.

Medeplegen

Het initiatief voor de nieuwe afspraak over het tarief voor [naam onderneming 1] , dus de verdachte, lag bij de medeverdachte, kennelijk na overleg met [naam samenstellend accountant] . Om aan die afspraak uitvoering te geven hebben echter zowel de verdachte als [medeverdachte] geantedateerde documenten opgesteld, waaronder de documenten D-031, D-033 en D-034. Gelet op deze gang van zaken en gelet op de intentie van de verdachte en van [medeverdachte] , oordeelt de rechtbank dat ten aanzien van de valsheden, die hebben geleid tot een vervalsing van de bedrijfsadministratie, in de kern sprake is van een gezamenlijke uitvoering waartoe zij nauw en bewust hebben samengewerkt. Door deze samenwerking acht de rechtbank het aan de verdachte tenlastegelegde bewezen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen met een ander :

  • -

    een offerte voor werkzaamheden heeft gedateerd op 2 februari 2007;

  • -

    een notitie inhoudende een opdrachtbevestiging heeft gedateerd op februari 2007;

  • -

    een brief aan de verdachte heeft gedateerd 21 februari 2007;

terwijl al deze documenten in werkelijkheid in november of december 2008 zijn opgesteld en ondertekend, met als oogmerk deze documenten in de bedrijfsadministratie van de woningstichting als echt en onvervalst te gebruiken.

De tenlastegelegde periode

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 november 2008 tot en met 31 december 2008 schuldig heeft gemaakt aan de valsheid in geschrifte. De verdachte zal voor de overige tenlastegelegde periode worden vrijgesproken.

Feit 2

In de periode van 1 januari 2009 tot en met 2 november 2010 heeft de verdachte een aantal facturen aan de woningstichting gericht voor een totaalbedrag van € 58.846,02. Hij factureerde aanvankelijk € 70,- per uur, later € 78,- per uur, e.e.a. vermeerderd met BTW. Ook deze facturen hebben geen (opvolgend) factuurnummer, er is geen specificatie van de (aard) van de werkzaamheden bijgevoegd en er is geen urenspecificatie bijgevoegd. Deze facturen zijn, behalve de eindafrekening, door de woningstichting betaald.31

[naam administratief medewerkster] kent deze facturen. Zij heeft deze opgemaakt. Het briefpapier van [naam onderneming 1] lag op kantoor van de woningstichting. De verdachte gaf een briefje mee aan

[medeverdachte] met de uren. [medeverdachte] gaf dit briefje vervolgens aan haar, zodat zij de facturen kon opmaken. De verdachte kwam na zijn pensionering niet meer op kantoor.

[medeverdachte] nam de facturen mee en liet de verdachte deze ondertekenen. Vervolgens tekende [medeverdachte] de facturen voor akkoord.32

Welke werkzaamheden zijn door de verdachte in 2009 en 2010 voor de woningstichting verricht?

Na afloop van het jaar waarin de verdachte nog werkzaamheden had verricht voor de projecten Molenbron en Hoogveld, heeft de raad op 1 juli 2008 besloten dat de verdachte vanaf 1 juli 2008 op regiebasis zal worden ingezet.33

De verklaringen van de leden van de raad over werkzaamheden na 2008

Volgens de verklaring van [naam voorzitter RvT] is project Hoogveld in oktober 2007 opgeleverd. Hij heeft de facturen voor werkzaamheden in de periode 2009 en 2010 nooit gezien. Hij heeft geen weet van nieuwe projecten na Hoogveld waaraan de verdachte zijn medewerking heeft verleend.34

[naam lid RvT 2] heeft verklaard dat de verdachte, na zijn pensionering, in eerste instantie voor de duur van één jaar nog betrokken zou blijven bij de woningstichting en dan vooral wat betreft de projecten Hoogveld en Molenbron. Na dat jaar is overeengekomen dat de verdachte eventueel bij nieuwe projecten op regiebasis zal worden ingezet, maar volgens [naam lid RvT 2] zijn er na Hoogveld en Molenbron geen nieuwbouwprojecten meer geweest waarvoor de verdachte door de woningstichting is ingeschakeld. [naam lid RvT 2] kan zich nu niet meer precies herinneren wanneer Hoogveld is opgeleverd. [naam lid RvT 2] was niet op de hoogte van de facturen van de verdachte in 2009 en 2010, die door de woningstichting zijn betaald.35

[naam lid RvT 1] heeft verklaard zich de “tweede” regieafspraak met de verdachte te kunnen herinneren. Dit had betrekking op een stukje begeleiding en advisering door de verdachte. [naam lid RvT 1] weet dat de verdachte wel zijdelings betrokken was bij projecten, maar niet structureel. Dit was volgens [naam lid RvT 1] ook nog wel zo na 2008. [naam lid RvT 1] denkt dat de oplevering van het project Hoogveld in 2008 heeft plaatsgevonden. Het kwam tijdens een vergadering van de raad wel eens ter sprake, dat de verdachte een locatie had bezocht, als er bijvoorbeeld sprake was geweest van een calamiteit. Dit was ook wel uit praktische overwegingen, nu de verdachte in de buurt van deze locaties woonachtig was. [naam lid RvT 1] was niet op de hoogte van de facturen van de verdachte in de jaren 2009 en 2010.36

Gezien de notulen daarvan, is tijdens de vergadering van de raad van 18 december 2008 de eindafrekening van Hoogveld, inclusief zwembad, besproken.37

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft tegenover ambtenaren van de Fiod/Belastingdienst in eerste instantie verklaard dat de factuur van november 2008 de laatste was.38 Als hem dan wordt gevraagd naar de facturen in 2009 en 2010 geeft hij aan dat hij zich heeft vergist. Hij weet niet meer op welke projecten of werkzaamheden deze facturen precies betrekking hadden. Hij weet ook niet meer hoeveel uren of wanneer hij heeft gewerkt. Hij kan zich van een aantal projecten wel nog iets herinneren.39De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de uren die hij verantwoord vond, heeft gefactureerd. Hij heeft deze uren geschat en op een blaadje genoteerd.40

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de projecten Molenbron en Hoogveld waren opgeleverd vóór 1 januari 2009 en dat de raad na 2008 geen nieuwe opdracht tot werkzaamheden aan de verdachte heeft gegeven. Voor project Hoogveld had de verdachte al eerder gefactureerd, namelijk tot en met december 2008. Uit de facturen van de verdachte is niet af te leiden op welke werkzaamheden deze facturen betrekking hebben en wanneer daarvoor opdracht is verstrekt. De enkele omstandigheid dat de verdachte na 2008 wel eens een project of complex bezocht, zoals uit de ter zitting overgelegde documenten blijkt, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de in 2009 en 2010 gefactureerde advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding door de verdachte niet in opdracht van de woningstichting hebben plaatsgevonden en de verdachte deze facturen aldus valselijk heeft opgemaakt.

Op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de vijf facturen, die betrekking hebben op in 2009 en 2010 ten behoeve van de woningstichting verrichtte werkzaamheden, maar waartoe de verdachte in elk geval geen opdracht van de woningstichting heeft gekregen, valselijk heeft opgemaakt met als oogmerk deze facturen in de bedrijfsadministratie van de woningstichting als echt en onvervalst te gebruiken.

Medeplegen

De verdachte heeft met medeweten van [medeverdachte] en met zijn instemming ook na 2008 nog valse facturen ingediend, welke door het optreden van [medeverdachte] hun weg naar de bedrijfsadministratie van de woningstichting hebben gevonden. Gelet op deze gang van zaken en gelet op de intentie van de verdachte en van [medeverdachte] , oordeelt de rechtbank dat ten aanzien van de valsheden, die hebben geleid tot een vervalsing van de bedrijfsadministratie, ook in dit geval in de kern spake is van een gezamenlijke uitvoering waartoe zij nauw en bewust hebben samengewerkt. Door deze samenwerking acht de rechtbank het aan de verdachte tenlastegelegde bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

1.

in de periode van 1 november 2008 tot en met 31 december 2008 te Limbricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, de bedrijfsadministratie van [naam woningstichting 2] en/of [naam woningstichting 1] - zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen- vals heeft doen opmaken, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader, opzettelijk in die bedrijfsadministratie, valse geschriften opgenomen, bestaande die valsheden hierin, dat in strijd met de waarheid, -zakelijk weergegeven-

-Op de offerte (D-31) gedateerd op 2 februari 2007 afkomstig van [naam onderneming 1] een tarief is vermeld van 3,5% van de aanneemsom en welke is ondertekend door [verdachte] , terwijl in werkelijkheid deze offerte in november of december 2008 is ondertekend en

- Op de notitie en/of opdrachtbevestiging (D-033) gedateerd op februari 2007 is vermeld "opdracht verstrekken aan Dhr. [verdachte] inzake werkzaamheden Hoogveld te Sittard tegen een tarief van 3,5% van de aanneemsom” en welke voor akkoord is ondertekend door [medeverdachte] , terwijl in werkelijkheid deze notitie of opdrachtbevestiging in november of december 2008 is ondertekend en

-Op de brief (D-034) gedateerd op 21 februari 2007 afkomstig van [naam woningstichting 2] en gericht aan [naam onderneming 1] , is vermeld dat uitvoering mag worden gegeven aan Project Hoogveld Sittard tegen een tarief van 3,5% van de aanneemsom, welke is ondertekend door [medeverdachte] , terwijl in werkelijkheid voornoemde brief in november en december 2008 is ondertekend,

zulks met het oogmerk om die geschriften en die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2.

in de periode van 1 juni 2009 tot en met 6 april 2010 te Limbricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, de bedrijfsadministratie [naam woningstichting 2] en/of [naam woningstichting 1] - zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen- vals heeft doen opmaken, immers heeft hij, verdachte en zijn mededader, opzettelijk in die bedrijfsadministratie valse geschriften opgenomen, -zakelijk weergegeven-

-een factuur gedateerd op 1 juni 2009(D-047A) afkomstig van [naam onderneming 1] en gericht aan [naam woningstichting 2] , waarin is vermeld -zakelijk weergegeven- een declaratie voor advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding voor de Woningstichting tot een totaalbedrag van EURO 9.996,00 en ondertekend door [verdachte] en

-een factuur gedateerd 8 oktober 2009 (D-049A) afkomstig van [naam onderneming 1] en gericht aan [naam woningstichting 1] of [naam woningstichting 2] , waarin is vermeld -zakelijk weergegeven- een declaratie voor advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding voor de [naam woningstichting 1] en [naam woningstichting 2] voor een totaalbedrag van EURO 13.458,90 en ondertekend door [verdachte] en

-een factuur gedateerd op 2 februari 2010 (D-050A) afkomstig van [naam onderneming 1] en gericht aan [naam woningstichting 1] of [naam woningstichting 2] , waarin is vermeld -zakelijk weergegeven- een declaratie voor advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding voor de [naam woningstichting 1] of [naam woningstichting 2] voor een totaalbedrag van EURO 15.686,58 en ondertekend door [verdachte] en

-een factuur gedateerd op 6 april 2010 (D-051A) afkomstig van [naam onderneming 1] en gericht aan [naam woningstichting 1] of [naam woningstichting 2] , waarin is vermeld -zakelijk weergegeven- een declaratie voor advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding voor de Woningstichting voor een totaalbedrag van EURO 15.593,76 en ondertekend door [verdachte] en

-een factuur gedateerd op 6 april 2010 (D-053A) afkomstig van [naam onderneming 1] en gericht aan [naam woningstichting 2] , waarin is vermeld -zakelijk weergegeven- een declaratie voor advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding voor de [naam woningstichting 1] of [naam woningstichting 2] voor een totaalbedrag van EURO 4.110,78 en ondertekend door [verdachte]

en bestaande die valsheden hierin, dat in strijd met de waarheid, -zakelijk weergegeven- op de voornoemde facturen werd vermeld dat er advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding heeft plaatsgevonden, terwijl in werkelijkheid voornoemde advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding niet hebben plaatsgevonden, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1. of onder 2. meer of anders aan de verdachte is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

medeplegen van valsheid in geschrifte

Feit 2

medeplegen van valsheid in geschrifte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit, gelet op de leeftijd en de gezondheidssituatie van hem, de verdachte niet te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een geheel voorwaardelijke straf is volgens de raadsman passend. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat een deels voorwaardelijke straf passend is, dan is een veroordeling tot een onvoorwaardelijke taakstraf een daarbij passende strafmodaliteit.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich in de jaren 2008, 2009 en 2010 meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door met zijn mededader documenten te antedateren om zijn werkzaamheden achteraf te kunnen declareren tegen een aanzienlijk hoger tarief en nadien valse facturen voor niet verrichte werkzaamheden op te stellen. Door dergelijk handelen wordt het vertrouwen ondermijnd dat in het maatschappelijk verkeer in dergelijke documenten moet kunnen worden gesteld, maar ook het vertrouwen dat de maatschappij in de integriteit van woningcorporaties moet kunnen worden gesteld.

De oriëntatiepunten

Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting bij fraude, gepubliceerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), is voor een benadelingsbedrag tussen € 125.000,- tot € 250.000,- een veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden passend. De rechtbank acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstaf in deze categorie passend.

Strafverzwarende omstandigheden

Een woningstichting richt zich op de sociale woningbouw en de volkshuisvesting voor de minst bedeelden in de samenleving. Het gedrag van een bestuurder van een woningstichting moet daarom bij uitstek onberispelijk zijn. Dat geldt ook voor de voormalig directeur/bestuurder. Dat de verdachte als voormalig bestuurder van een dergelijke organisatie uit ongebreideld winstbejag die organisatie financieel voor enkele tonnen benadeelt is moeilijk te begrijpen en zeer verwerpelijk. Hij heeft door zijn vergaand grensoverschrijdend gedrag niet alleen het vertrouwen van de woningstichting geschaad, maar ook het vertrouwen van de maatschappij in de integriteit van (oud)bestuurders van woningstichtingen.

Strafverminderende omstandigheden

De rechtbank betrekt bij de strafoplegging bde zware wissel die deze strafzaak op het persoonlijke leven van de verdachte heeft getrokken. Dit komt ook door de lange duur van de afhandeling van deze strafzaak en de civiele procedures die zijn gevoerd. Voorts houdt de rechtbank bij het bepalen van een passende strafmodaliteit rekening met de gevorderde leeftijd van de verdachte en met zijn minder goede gezondheidssituatie. De verdachte heeft in vergelijking met zijn medepleger een kleinere rol: de rechtbank stelt vast dat het initiatief voor de vervalsingen lag bij de medepleger.

De overschrijding van de redelijke termijn

Zoals de rechtbank al onder de voorvragen heeft overwogen is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overschreden. Wat in een zaak een redelijke termijn is, is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM van kracht is geworden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358).

Op 15 april 2015 is de verdachte voor de eerste keer verhoord en vanaf dat moment heeft de op de redelijkheid daarvan te beoordelen termijn een aanvang genomen. Het onderzoek door de FIOD is in 2015 afgerond. Het strafrechtelijk financieel onderzoek is in 2016 afgerond. Vervolgens zijn door de verdediging onderzoekswensen kenbaar gemaakt, zijn op verzoek van de verdediging getuigen gehoord door de rechter-commissaris en hebben meerdere (regie)zittingen plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn op dit moment met ongeveer drie jaar is overschreden, zodat strafvermindering op zijn plaats is.

Welke straf is passend?

De rechtbank zal ondanks de strafverzwarende omstandigheden een lagere straf opleggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en vanwege de leeftijd van de verdachte en zijn gezondheidssituatie zal zij geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Een geheel voorwaardelijke straf zoals de verdediging heeft bepleit, acht zij niet passend omdat de verdachte zichzelf heeft willen verrijken met geld dat bestemd was voor volkshuisvesting.

De rechtbank zal de verdachte om te beginnen veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden. Met de oplegging van deze voorwaardelijke gevangenisstraf wil de rechtbank enerzijds de ernst van de strafbare feiten benadrukken, en anderzijds de verdachte (en anderen) ervan weerhouden (opnieuw) strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen. Gelet op zijn hoge leeftijd en gezondheidstoestand is taakstraf voor de duur van 80 uren passend.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Ontvankelijkheid

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1. en het onder 2. tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat aan hem onder 1. of onder 2. meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert, zoals deze hierboven onder 5 zijn omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte daardoor strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden;

  • -

    bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd, welk wordt gesteld op een periode van twee jaren, zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. D. Osmić, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.M. Feron-Voncken, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastegging, ten laste gelegd dat

1.

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 februari

2007 tot en met 31 december 2008 te Limbricht , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) (een deel van) de bedrijfsadministratie [naam woningstichting 2] en/of [naam woningstichting 1] - zijnde (dat deel van) die bedrijfsadministratie van (telkens) (een) (samenstel van) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feite te

dienen- (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk

heeft doen opmaken en/of doen vervalsen door (een) ander(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer) van zijn mededader(s),

toen aldaar (telkens) opzettelijk in (dat deel van) die

bedrijfsadministratie, een of meerdere valse en/of vervalste geschrift(en),

te weten 3, althans een of meer (afschrift(en) van) offerte(s) en/of

notitie(s) en/of brief/brieven, opgenomen en/of verwerkt en/doen opnemen

en/of doen verwerken, bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en)

(telkens) hierin, dat in strijd met de waarheid, -zakelijk weergegeven-

-Op de offerte (D-31) de dato 2 februari 2007 afkomstig van [naam onderneming 1]

een tarief is vermeld van 3,5% van de

aanneemsom en welke is ondertekend door [verdachte] , terwijl in

werkelijkheid deze offerte in november en/of december 2008, althans niet op 2

februari 2007 is ondertekend en/of

- Op de notitie en/of opdrachtbevestiging (D-033) de dato februari 2007 is

vermeld "opdracht verstrekken aan Dhr. [verdachte] inzake werkzaamheden

Hoogveld te Sittard" tegen een tarief van 3,5% van de aanneemsom en welke

voor akkoord is ondertekend door [medeverdachte] , terwijl in werkelijkheid

deze notitie en/of opdrachtbevestiging in november en/of december 2008,

althans niet in februari 2007 is ondertekend en/of

-Op de brief (D-034) de dato 21 februari 2007 afkomstig van [naam woningstichting 2]

en gericht aan [naam onderneming 1] , is

vermeld dat uitvoering mag worden gegeven aan Project Hoogveld Sittard tegen

een tarief van 3,5% van de aanneemsom, welke is ondertekend door [medeverdachte]

, terwijl in werkelijkheid voornoemde brief in november en/of

december 2008, althans niet op 21 februari 2007 is ondertekend,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van) geschrift(en)

en/of (dat deel van) die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2.

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2009

tot en met 6 april 2010 te Limbricht en/of Maastricht, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een deel van) de

bedrijfsadministratie van [naam woningstichting 2] en/of [naam woningstichting 1] - zijnde (dat deel van) die bedrijfsadministratie (telkens) (een) (samenstel van) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feite te dienen- (telkens) valselijk heeft opgemaakt

en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen door

(een) ander(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer) van zijn mededader(s),

toen aldaar (telkens) opzettelijk in (dat deel van) die

bedrijfsadministratie, een of meerdere valse en/of vervalste geschrift(en),

te weten 5, althans een of meer (afschrift(en) van) factu(u)r(en) opgenomen

en/of verwerkt en/doen opnemen en/of doen verwerken, -zakelijk weergegeven-

-een factuur de dato 1 juni 2009(D-047A) afkomstig van [naam onderneming 1]

en gericht aan [naam woningstichting 2] ,

waarin is vermeld -zakelijk weergegeven- een declaratie voor

advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding voor de Woningstichting een

totaalbedrag van EURO 9.996,00 en ondertekend door [verdachte] en/of

-een factuur de dato 8 oktober 2009 (D-049A) afkomstig van [naam onderneming 1]

en gericht aan [naam woningstichting 1]

en/of [naam woningstichting 2] , waarin is vermeld -zakelijk weergegeven- een

declaratie voor advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding voor de [naam woningstichting 1]

en/of [naam woningstichting 2] voor een totaalbedrag van EURO

13.458,90 en ondertekend door [verdachte] en/of

-een factuur de dato 2 februari 2010 (D-050A) afkomstig van [naam onderneming 1]

en gericht aan [naam woningstichting 1]

en/of [naam woningstichting 2] , waarin is vermeld -zakelijk weergegeven- een

declaratie voor advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding voor de [naam woningstichting 1]

en/of [naam woningstichting 2] voor een totaalbedrag van EURO

15.686,58 en ondertekend door [verdachte] en/of

-een factuur de dato 6 april 2010 (D-051A) afkomstig van [naam onderneming 1]

en gericht aan [naam woningstichting 1]

en/of [naam woningstichting 2] , waarin is vermeld -zakelijk weergegeven- een

declaratie voor advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding voor de

Woningstichting voor een totaalbedrag van EURO 15.593,76 en ondertekend door

[verdachte] en/of

-een factuur de dato 6 april 2010 (D-053A) afkomstig van [naam onderneming 1]

en gericht aan [naam woningstichting 2] ,

waarin is vermeld -zakelijk weergegeven- een declaratie voor

advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding voor de [naam woningstichting 1] en/of

[naam woningstichting 2] voor een totaalbedrag van EURO 4.110,78 en

ondertekend door [verdachte] en/of

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin, dat in

strijd met de waarheid, -zakelijk weergegeven- op de voornoemde facturen

heeft/hebben vermeld en/of heeft doen en/of laten vermelden dat er

advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding zou hebben plaatsgevonden, terwijl in

werkelijkheid voornoemde advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding niet hebben

plaatsgevonden,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

1 Vindplaats: ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358.

2 Proces-verbaal d.d. 30 juli 2015, pagina’s 11 tot en met 14.

3 Rapport d.d. 3 januari 2013 inzake forensisch onderzoek [naam woningstichting 1] , opgemaakt door onderzoeksbureau Intégis B.V., pagina 1580.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [naam voorzitter RvT] d.d. 13 maart 2014, pagina 378.

5 Rapport d.d. 3 januari 2013 inzake forensisch onderzoek [naam woningstichting 1] , opgemaakt door onderzoeksbureau Intégis B.V., pagina 1580.

6 Rapport d.d. 3 januari 2013 inzake forensisch onderzoek [naam woningstichting 1] , opgemaakt door onderzoeksbureau Intégis B.V., pagina 1580.

7 Verklaring van de getuige [naam voorzitter RvT] , afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 januari 2020.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 30 juli 2014, pagina 689.

9 Proces-verbaal verhoor van getuige [naam samenstellend accountant] bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 3 juli 2018.

10 Proces-verbaal d.d. 30 juli 2015, pagina 53.

11 Schriftelijk bescheid, pagina 1992.

12 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Belastingdienst/FIOD Zuid-Oost, proces-verbaalnummer 52294, gesloten d.d. 30 juli 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 3680.

13 Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 6 maart 2007, pagina’s 1976 tot en met 1979.

14 Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 3 april 2007, pagina’s 1980 tot en met 1983 en Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 1 mei 2007, pagina’s 1984 tot en met 1988.

15 Schriftelijk bescheid, pagina 1992.

16 Schriftelijke bescheiden, pagina’s 1998 tot en met 2009.

17 Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2006 en 2007 en de schriftelijke bescheiden, pagina’s 2010 tot en met 2012.

18 Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 1 juli 2008, pagina’s 1989.

19 Schriftelijk bescheid, pagina’s 1990 en 1991.

20 Schriftelijk bescheid, pagina’s 2014 en 2015.

21 Schriftelijk bescheid, pagina 2016.

22 Schriftelijk bescheid, pagina 1994.

23 Schriftelijk bescheid, pagina 1995.

24 Schriftelijk bescheid, pagina 1997.

25 Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 11 maart 2015, pagina 749.

26 Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 11 mei 2015, pagina 759.

27 Proces-verbaal verhoor van getuige [naam samenstellend accountant] bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 3 juli 2018.

28 Proces-verbaal verhoor getuige [naam lid RvT 1] d.d. 10 december 2014, pagina 482, proces-verbaal verhoor getuige [naam voorzitter RvT] d.d. 30 maart 2015, pagina 947 en proces-verbaal verhoor getuige [naam lid RvT 3] d.d. 9 december 2014, pagina 607.

29 Proces-verbaal verhoor getuige [naam lid RvT 3] d.d. 9 december 2014, pagina’s 608 en 610, proces-verbaal verhoor getuige [naam lid RvT 1] d.d. 10 december 2014, pagina’s 484 tot en met 486 en proces-verbaal verhoor getuige [naam voorzitter RvT] d.d. 13 maart 2014, pagina’s 380 tot en met 382.

30 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 7 april 2015, pagina’s 928 en 929 en proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 8 april 2015, pagina 931.

31 Schriftelijke bescheiden, pagina’s 2018 tot en met 2034.

32 Proces-verbaal verhoor getuige [naam administratief medewerkster] d.d. 11 mei 2015, pagina 757.

33 Verslag Vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 1 juli 2008, pagina 1989.

34 De verklaring van de getuige [naam voorzitter RvT] , afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 januari 2020.

35 De verklaring van de getuige [naam lid RvT 2] , afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 januari 2020.

36 De verklaring van de getuige [naam lid RvT 1] , afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 januari 2020.

37 Verslag vergadering Raad van Toezicht [naam woningstichting 2] d.d. 18 december 2008, pagina’s 3376 tot en met 3377.

38 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 9 april 2015, pagina 940.

39 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 9 april 2015, pagina 940 tot en met 943.

40 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 januari 2020.