Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:1064

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2427 _ AWB - 18 _ 2428
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: planschade, taxatie, contra-expertise, normaal maatschappelijk risico.

Betreft beroepen tegen de hoogte van de verleende tegemoetkoming in planschade in verband met de komst van de Buitenring Parkstad Limburg. De rechtbank is van oordeel dat het door eiser ingebrachte rapport geen concrete aanknopingspunten bevat voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de Schadecommissie in die zin dat de Schadecommissie de gevolgen van de planologische wijzigingen voor de objecten van eiser onjuist dan wel onvolledig heeft beoordeeld. Verweerder heeft die adviezen mogen volgen en heeft toereikend onderbouwd en in redelijkheid een drempel voor het normaal maatschappelijk risico kunnen hanteren die niet lager is dan 3%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 18/2427 en 18/2428

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2020 in de zaken tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigden: A.M.T. Smolenaars en mr. E.J.J.P. Engels),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder,

(gemachtigden: mr. T.E.F. Reijnders, mr. M.G. Nielen en mr. K. Kloth).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder beslist op de verzoeken van eiser om een tegemoetkoming in planschade.

Bij besluiten van 21 augustus 2018 (de bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eiser tegen de primaire besluiten heeft gemaakt, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en zijn dochter [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens is namens de Schadecommissie Parkstad Limburg (de Schadecommissie) A.M.G. van Hooft-van Kuijk verschenen die op zitting is gehoord.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van twee woningen aan [adres 1] en [adres 2] en heeft op 19 mei 2016 (voor [adres 2]) en op 26 augustus 2016 (voor [adres 1]) verzoeken om een tegemoetkoming in planschade ingediend in verband met de inwerkingtreding van het Provinciaal Inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg (PIP BPL). Eiser bewoont de woning [adres 2] en verhuurt de woning [adres 1]. Ter plaatse van deze woningen voorziet het PIP BPL in de realisatie van de hoofdstructuur van de Buitenring. De autoweg bestaat uit twee rijbanen van elk twee rijstroken en vormt een doortrekking van de Dentgenbachweg. De nieuwe weg kruist de bestaande Kerkradersteenweg en Vauputseweg, en sluit aan op de N300 (Hamstraat). De Buitenring volgt de rand van de bebouwde kom en is ter plaatse verdiept gelegen.

2. Verweerder heeft de verzoeken voor advies aan de Schadecommissie voorgelegd die de waardevermindering van eisers woning aan [adres 1] als gevolg van de vaststelling van het PIP BPL op € 5.000,00 heeft getaxeerd. De schadecommissie heeft geadviseerd om een korting in verband met het normaal maatschappelijk risico (NMR) van 2% toe te passen en voor dit object een bedrag van € 3.000,00 aan eiser te vergoeden.

De waardevermindering van eisers woning aan [adres 2] als gevolg van de vaststelling van het PIP BPL heeft de Schadecommissie op € 15.000,00 getaxeerd. De Schadecommissie heeft verweerder geadviseerd om met toepassing van een korting van 2% in verband met het NMR voor dit object een bedrag van € 10.000,00 te vergoeden.

3. Verweerder heeft die adviezen gevolgd met uitzondering van de korting in verband met het NMR. Daarvoor hanteert verweerder een kortingspercentage van 3%. Bij de primaire besluiten heeft verweerder aan eiser voor [adres 1] een bedrag van € 2.000,00 vergoed en voor [adres 2] een bedrag van € 7.500,00. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd en de daartegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

4. De rechtbank overweegt naar aanleiding van de ingediende beroepsgronden als volgt.

5. De gemachtigde van eiser heeft de beroepsgrond dat de Schadecommissie in haar advies onvoldoende rekening heeft gehouden met de verslechtering van het woongenot als gevolg van uitzicht op een eventueel op te richten geluidscherm ingetrokken.

6. Eiser heeft in bezwaar een tegentaxatie van Corio Makelaars B.V. (Corio) overgelegd, waarin van een aanzienlijk hogere schade voor beide objecten wordt uitgegaan dan door de Schadecommissie is aangenomen. Eiser acht het onbegrijpelijk dat er zo grote verschillen in de taxatie van de woningen zijn. Volgens eiser heeft verweerder die verschillen onvoldoende verklaard. Hij betoogt dat de Schadecommissie de milieuhinder en gezondheidsschade die ontstaat door het wonen aan een semi-snelweg, onvoldoende heeft meegewogen bij haar advisering.

7. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kent het bestuursorgaan degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

7.1.

Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2398).

7.2.

De maatstaf bij de te verrichten toetsing is niet de eigen waardering door de rechter van de nadelen van de planologische wijziging, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat het bestuursorgaan, gelet op de motivering van het advies van de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige, zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op dat deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Dit laat onverlet dat de besluitvorming dient te voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan dient te toetsen (uitspraak van de Afdeling van

14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3052).

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het door eiser ingebrachte rapport van Corio geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de Schadecommissie in die zin dat de Schadecommissie de gevolgen van de planologische wijzigingen voor de objecten [adres 1] en [adres 2] onjuist dan wel onvolledig heeft beoordeeld. De Schadecommissie heeft met alle relevante schadefactoren rekening gehouden en Corio geeft niet aan op welk onderdeel het advies van de Schadecommissie, zoals dat op 25 april 2018 en op 4 mei 2018 is aangevuld, onjuist of onvolledig is. Dat Corio de schade hoger heeft gewaardeerd dan de Schadecommissie is op zich onvoldoende voor die conclusie (uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:176). Dit geldt te meer nu de Schadecommissie in de aanvullende adviezen erop heeft gewezen dat Corio de waarde van de woningen vóór de planologische wijziging heeft bepaald door de per 3 maart 2011 getaxeerde waarde te indexeren naar de peildatum, 11 maart 2015. In de aanvullende adviezen is toegelicht dat Corio daarbij van een onjuiste objectafbakening is uitgegaan. De objectkenmerken in het taxatierapport uit 2011 komen niet overeen met de objectkenmerken in de contra-expertise van Corio. In totaliteit is in het taxatierapport uit 2011 sprake van een perceelsoppervlakte van 1.184 m² en bij de contra-expertise van 915 m². De waarde ná de planologische wijziging is door Corio niet vastgesteld. Er is volstaan met vermelding van de waardedaling. Corio heeft verder bij de taxatie geen rekening gehouden met het feit dat [adres 1] per de peildatum werd verhuurd. Ten slotte heeft de Schadecommissie toegelicht dat de door Corio gebruikte referentieobjecten niet geschikt zijn, omdat zij binnen de invloedssfeer van de Buitenring liggen, dan wel niet vergelijkbaar zijn met de woningen van eiser. [Eisers dochter] heeft er namens eiser bij de behandeling van de beroepen ter zitting op gewezen dat ook de Schadecommissie geen goede referentiepanden heeft kunnen vinden omdat de objecten van haar vader bijzonder en uniek zijn met name gezien de specifieke ligging in het buitengebied. Door de komst van de Buitenring is daaraan grote afbreuk gedaan. De taxateur van de Schadecommissie heeft erkend dat er in de directe omgeving geen vergelijkbare panden waren te vinden, maar toegelicht dat zij een kwalitatieve beoordeling van de verschillen tussen de objecten [adres 1] en [adres 2] en de door haar geselecteerde referentieobjecten heeft gemaakt, waarop de taxatie is gebaseerd. De bestuursrechter kan een taxatie slechts terughoudend toetsen. Daarbij is van belang dat de waardering van onroerende zaken niet slechts door het toepassen van een taxatiemethode plaatsvindt, maar daarbij ook de kennis, ervaring en intuïtie van de desbetreffende deskundige een rol spelen (uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2939). Mede in aanmerking genomen dat eiser geen specifieke weerlegging van de taxatie van de schadecommissie in het geding heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de taxatie van de Schadecommissie de op dit punt beperkte rechterlijke toets kan doorstaan.

8. Namens eiser is verder betoogd dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om een contra-expertise uit te laten voeren. Verweerder heeft 1,5 jaar de tijd genomen voor het nemen van de primaire besluiten, terwijl eiser een termijn van vier weken heeft gekregen om de gronden van het bezwaar in te dienen.

8.1.

De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat verweerders besluitvorming op dit punt onvoldoende zorgvuldig is geweest. Vanaf het opstellen van de conceptadviezen van de Schadecommissie op 3 mei 2017 bestond voor eiser de mogelijkheid om zelf een deskundige in te schakelen. Naar aanleiding van de aanvullende adviezen van 25 april 2018 en 4 mei 2018 heeft eiser ook in de bezwaarfase die op 21 augustus 2018 is afgerond, de gelegenheid gehad om Corio te vragen een reactie te geven op de advisering van de Schadecommissie.

9. Eiser is het niet eens met het hanteren van een NMR van 3%. Daartoe is aangevoerd dat de gemeente Kerkrade zich lang heeft verzet tegen realisatie van de Buitenring en dat de plannen van de provincie sinds de jaren 60 regelmatig zijn aangepast of zo vaag waren dat de gekozen invulling van die voornemens niet in de lijn der verwachtingen lag. Verder lag deze ontwikkeling alleen al niet vanwege het tijdsverloop tussen de verschillende plannen en de uiteindelijke realisatie in de lijn der verwachtingen. Tenslotte voert eiser aan dat op geen enkel streekplan een weg achter de percelen van eiser was ingetekend.

9.1.

De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normaal maatschappelijk risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop die ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel. Vergelijk de overzichtsuitspraak over planschade van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 5.9 en 5.10.

9.2.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4668), is de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normale maatschappelijk risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

9.3.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich op goede gronden op het standpunt dat de aanleg en uitbreiding van infrastructurele werken door de overheid, zoals in dit geval de realisatie van de buitenring een normale maatschappelijke ontwikkeling betreft. Verweerder wijst erop dat ten tijde van de vaststelling van het PIP BPL de regio Parkstad Limburg al jaren kampte met diverse problemen als gevolg van de ontoereikende infrastructuur die remmend werkte op de economische ontwikkeling en een negatieve invloed had op de leefbaarheid binnen Parkstad Limburg in de vorm van verslechterde luchtkwaliteit, geluidhinder en barrièrewerking. Het PIP BPL diende ter verbetering van de verkeersstructuur, de interne en externe bereikbaarheid en het versterken van de economie en kan worden beschouwd als een normale maatschappelijke ontwikkeling. Verder past deze ontwikkeling volgens verweerder binnen het sedert geruime tijd vóór het vaststellen van het PIP BPL gevoerde provinciale beleid. Dat de gemeente Kerkrade zich heeft verzet tegen de komst van de Buitenring doet daar niet aan af onder meer omdat verweerder steeds over juridische instrumenten beschikte om het provinciaal beleid, zo nodig tegen de wens van de gemeente in, uit te kunnen voeren. De omstandigheid dat sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling die past in het gevoerde provinciale beleid en dus in zoverre in de lijn der verwachtingen lag, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de toepassing van een hogere drempel dan het wettelijk forfait van artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro van 2 procent van de waarde van de woningen van eiser, onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade. Verweerder heeft er rekening mee gehouden dat deze ontwikkeling niet volledig past in de ruimtelijke structuur. Het betreft een nieuwe weg die weliswaar een doortrekking vormt van de Dentgenbachweg en die aansluit op de N300, maar de Buitenring ligt haaks op de bestaande wegenstructuur en doorsnijdt bestaand agrarisch landschap. Wel volgt de Buitenring de rand van de bebouwde kom en past deze in zoverre wel in de structuur van de omgeving. Verweerder heeft verder rekening gehouden met de omstandigheid dat de weg op korte (ca. 50 meter) afstand van de woningen van eiser is gerealiseerd. Gezien het vorenstaande heeft verweerder in dit geval in redelijkheid een drempel voor het normaal maatschappelijk risico kunnen hanteren die niet lager is dan 3%. De daartegen gerichte beroepsgronden slagen niet.

10. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, voorzitter, en mr. R.J.G.H. Seerden en mr. N.M.J. Janssen, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 februari 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.