Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:10625

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
C/03/282485 / JE RK 20-1953
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

OTS over 3 kinderen uitgesproken. Verzoek UHP aangehouden; UHP betekent inbreuk op family life en dient pas ingezet te worden als lichtere maatregelen niet toereikend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

Zaakgegevens : C/03/282485 / JE RK 20-1953

datum uitspraak: 29 september 2020

beschikking ondertoezichtstelling en verlening machtiging uithuisplaatsing

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te Maastricht,

hierna te noemen de raad,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonend te [woonplaats]

advocaat mr. S.G.L. Bremen,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonend te [woonplaats]

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de raad van 11 september 2020, ingekomen bij de griffie op 14 september 2020.

Op 29 september 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die apart zijn gehoord,

- de moeder, bijgestaan door mr. F.H.M. Belt, waarnemend voor mr. S.G.L. Bremen,

- de vader,

- een tolk voor de vader,
- een vertegenwoordigster van de raad.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.

Het verzoek

De raad heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verzocht voor de duur van twaalf maanden.

Tevens wordt de uithuisplaatsing verzocht van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van twaalf maanden in een voorziening voor pleegzorg.

Ter onderbouwing van het verzoek stelt de raad het volgende.

Er is sprake van complexe en langdurige problematiek op allerlei gebieden. De kinderen groeien op in een structureel (emotioneel) onveilige opvoedingssituatie, waarbij het ontbreekt aan structuur, stimulering, affectie en aandacht. De kinderen zijn op zichzelf aangewezen. Er is sprake van huiselijk geweld en verwaarlozing. De banden tussen de beide ouders en de kinderen zijn zorgwekkend. De gezagsverhoudingen zijn scheef gegroeid. Het ontbreekt de ouders aan probleeminzicht en motivatie. Ook met intensieve hulpverlening binnen het vrijwillige kader is het niet gelukt het tij te keren. Team Jeugd is al sinds 2017 betrokken in het gezin.

De raad heeft met alle drie de jongens gesproken. Geen van de kinderen geeft aan een vertrouwensband met een van de ouders te hebben. Ook de school ziet geen blijken van affectie tussen de ouders en de kinderen. De loyaliteit naar elkaar is minimaal. De kinderen hebben ook geen respect voor hun ouders. De broertjes hebben ook onderling niets met elkaar.

Het standpunt van belanghebbenden

De moeder stelt op zich geen problemen te hebben met de ondertoezichtstelling, maar zij kan niet instemmen met een uithuisplaatsing. De moeder is van mening dat de situatie al verbeterd is. Zij stelt grenzen en de kinderen luisteren beter. De moeder vindt dat nu met name naar de toekomst gekeken moet worden.

De advocaat van de moeder heeft aangevoerd dat, aangezien niet eerder sprake is geweest van een ondertoezichtstelling, niet meteen het middel van een uithuisplaatsing ingezet dient te worden. De moeder is bereid met de GI samen te werken en te laten zien dat zij de situatie kan doorbreken door de kinderen grenzen te stellen en sturing te bieden. De moeder wil een kans krijgen om het beter te doen.

De vader stemt in met een ondertoezichtstelling. Hij is van mening dat de kinderen niet meer bij de moeder moeten wonen.

De mening van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

[minderjarige 1] heeft verklaard dat hij graag een vaste plek wil hebben. Hij ervaart weinig gezag van de ouders en vindt het lastig dat hij op zichzelf aangewezen is. Hij is blij met de steun van zijn buddy [naam buddy] en zou hem vaker willen zien. [naam buddy] kan [minderjarige 1] helpen om zijn leven op de rit te houden. Als wordt besloten tot een uithuisplaatsing wil hij bij voorkeur in een pleeggezin of gezinshuis geplaatst worden. Hij wil de Nederlandse cultuur leren kennen, maar heeft ook behoefte aan begrip voor zijn Irakese afkomst. Hij hoeft niet ergens samen met zijn broertjes geplaatst te worden.

[minderjarige 2] heeft verklaard dat het thuis niet zo goed gaat. Hij is blij dat hij nu op de praktijkschool zit. Hij krijgt steeds betere punten voor zijn inzet en zijn gedrag. Volgens hem heeft moeder weinig gezag. Hij denkt dat het beter is als hij bij zijn zus [naam zus] gaat wonen.

De beoordeling

De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

Uit artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat een minderjarige onder toezicht kan worden gesteld indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouders binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen.

Met de raad en op de door de raad in het verzoekschrift en ter zitting nader toegelichte gronden, die de kinderrechter overneemt en tot de hare maakt, is de kinderrechter van oordeel dat aan het wettelijk criterium genoemd in artikel 1:255 BW is voldaan.

De kinderrechter is niet gebleken dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn weer in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen.

De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de GI stellen voor de duur van twaalf maanden, aangezien deze termijn, gelet op de genoemde ontwikkelingsbedreigingen nodig wordt geacht.

De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

Op grond van artikel 1:265b BW kan de kinderrechter op verzoek van de raad een machtiging verlenen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

De kinderrechter overweegt dat de genoemde ontwikkelingsbedreigingen ernstig zijn. Er is sprake van een thuissituatie waarin noch de vader noch de moeder de verantwoordelijkheid als ouder neemt. De kinderen worden niet opgevoed, feitelijk wordt er geen gezag uitgeoefend en van met name de oudste twee kinderen weten de ouders vaak niet waar ze

(’s nachts) zijn. Daarnaast is er sprake van agressie. Deze situatie mag niet langer duren en daarom is een uithuisplaatsing te overwegen. Echter, een uithuisplaatsing is een inbreuk op het recht van de kinderen op family life, als bedoeld in artikel 8 EVRM, en dient ingezet te worden als het niet anders kan. Van alternatieve, lichtere maatregelen staat op dit moment niet vast dat ze niet toereikend zullen zijn.

De kinderrechter neemt ook in aanmerking de twijfel over de gevolgen van de uithuisplaatsing die bij door de raad geraadpleegde informanten is gerezen. Blijkens de raadsrapportage vragen zij zich af of de kinderen niet beschadigd zullen worden door ze uit hun vertrouwde omgeving weg te halen. Volgens de informanten zal het ingewikkeld zijn om voor de kinderen een “veilig warm nest” te vinden. Met name voor [minderjarige 1] zal het lastig worden, omdat hij gewend is zijn eigen ding te kunnen doen, maar daarnaast eveneens behoefte heeft aan een geborgen omgeving, aldus de raadsrapportage.

Daarom zal de beslissing op het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing voor een korte periode van 3 maanden worden aangehouden. Het is aan de moeder en de vader om te laten zien dat zij hun ouderlijke verantwoordelijkheid op alle gebieden op zich kunnen nemen, de kinderen grenzen en sturing kunnen geven en hen een veilig thuis kunnen bieden.

Van beide ouders verwacht de kinderrechter dat zij, zonder voorwaarden te stellen, met de GI samenwerken, contactafspraken nakomen (en niet afzeggen) en alle adviezen en aanwijzingen opvolgen om de huidige situatie te doorbreken en aanzienlijk te verbeteren.

Van de GI wordt verwacht dat zij voortvarend te werk gaat.

De kinderrechter zal het verzoek machtiging uithuisplaatsing weer behandelen op de hierna te melden zitting.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, met ingang van 29 september 2020 tot 29 september 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de raad, de GI, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de beide ouders zullen worden gehoord over het verzoek tot uithuisplaatsing ter zitting van 8 januari 2021 om 09.00 uur, welke zitting wordt gehouden in het gerechtsgebouw te Maastricht, Sint Annadal 1;

houdt de beslissing omtrent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg aan, pro forma tot 8 januari 2021.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020 en op schrift gesteld op 12 oktober 2020.
MK

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch