Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:10620

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
C/03/285752 / JE RK 20-2546
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ongeboren kind. Ondertoezichtstelling. De rechtbank merkt vader als belanghebbende aan. Nu de vader de ongeboren vrucht reeds heeft erkend, acht de rechtbank het ook aannemelijk dat de ouders er kort na de geboorte voor zullen gaan zorgen dat de vader naast de moeder ook het gezag zal gaan krijgen. Eerder kunnen ouders dat niet regelen. Met dat vooruitzicht heeft de vader in feite thans dezelfde positie als de moeder: Een en ander betekent dat het verzoek ondertoezichtstelling niet alleen op de rechten en plichten van de moeder maar ook die van de vader rechtstreeks betrekking heeft, in de zin van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Derhalve is naast de moeder ook de vader belanghebbende in deze procedure en heeft hij recht om als zodanig te worden gehoord, de processtukken te ontvangen en kan hij tegen een beslissing van de kinderrechter, net als de moeder, in hoger beroep gaan bij een hogere rechter als hij het met die beslissing niet eens is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2021/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Jeugdrecht

Locatie Maastricht

Zaaknummer: C/03/285752 / JE RK 20-2546

Datum uitspraak: 18 december 2020

Beschikking ondertoezichtstelling

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

locatie Maastricht, hierna te noemen: de Raad,

betreffende

het nog ONGEBOREN KIND [het kind] ,

hierna te noemen: het (ongeboren) kind of het zoontje,

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

de moeder en de vader hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek met bijlage(n) van de Raad van 1 december 2020, ingekomen bij de griffie op 2 december 2020;

Op 18 december 2020 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:
- de moeder;
- een vertegenwoordig(st)er van de Raad;
- een vertegenwoordig(st)er van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna te noemen de GI.

Wel opgeroepen doch niet verschenen:

- de vader.

De feiten

De ouders verwachten samen een zoontje. De moeder is uitgerekend op 2 januari 2021. De ouders zijn niet gehuwd. De vader heeft met instemming van de moeder het nog ongeboren kind erkend. Partijen hebben ruim een jaar een relatie en wonen sinds een maand samen. De ouders hebben afgesproken dat de vader met instemming van de moeder (net zoals dat met de erkenning is gedaan) na de geboorte van hun zoontje ook het gezag over hem zal krijgen zodat ze als ouders samen het gezag over hem zullen hebben.

Het verzoek

De Raad verzoekt om het ongeboren kind vanaf de dag van de geboorte voor een periode van twaalf maanden onder toezicht te stellen van gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, gezien de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van het (nu nog ongeboren) kindje als gevolg van een kwetsbare opvoeding, die is gelegen in het feit dat de ouders beperkt zijn, de moeder weinig leerbaar is, een belaste gezinsachtergrond heeft, er sprake is geweest van forse persoonlijke problematiek, middelengebruik en van een gespannen relatie met de vader van haar eerste kindje, [minderjarige] . Op grond van het door de Raad uitgevoerd onderzoek en rapport van 1 december 2020, is er sprake van grote zorgen over het nog ongeboren kindje.

Hoewel de ouders aangeven open te staan voor hulpverlening en ondersteuning vanuit Anacare, is de Raad van mening dat hulpverlening gewaarborgd dient te worden binnen de kaders van een ondertoezichtstelling. Gebleken is namelijk dat de opvoedingsomgeving heel kwetsbaar is en dat de ouders beiden over nauwelijks tot geen probleembesef beschikken en dat er vragen zijn of de ouders daadwerkelijk hulp en advies vragen – en of zij inzien dat ze dat eventueel nodig hebben – indien dat nodig mocht zijn. Bovendien is gebleken dat moeder weinig leerbaar is en er enige zorgen zijn over of met name moeder zich ook transparant op zal (blijven) stellen binnen de hulpverlening, omdat haar zoon [minderjarige] , in het verleden uit huis werd geplaatst en moeder daardoor wantrouwend is ten aanzien van de hulpverlening. De zorg en opvoeding van het nog ongeboren kindje betekent een forse verantwoordelijkheid en momenteel is nog onduidelijk of de ouders deze verantwoordelijkheid voldoende aan kunnen. Hoewel de ouders een goed contact hebben met de grootouders vaderszijde zullen zij slechts zeer beperkt kunnen ondersteunen binnen de opvoeding, hetgeen betekent dat er een groot beroep wordt gedaan op de verantwoordelijkheid van de ouders zelf. De Raad redeneert bovendien dat, mocht er (meer) hulp nodig zijn, hulpverlening en ook het inzetten van eventuele andere vormen van hulp gewaarborgd dient te zijn. Een gezinsvoogd is volgens de Raad nodig om hulp te garanderen en te kunnen coördineren, maar ook om acuut ingrijpen mogelijk te maken, mocht dat nodig zijn. De kwetsbaarheid van de situatie betekent volgens de Raad dat er geen enkele ruimte is om risico’s te nemen. Het dient daarom duidelijk te zijn wie de regie voert en het is volgens de Raad van wezenlijk belang dat er toezicht is op de opvoedingssituatie. De Raad is ook van mening dat het, rekening houdende met de noodzaak van een gezonde hechting voor het nog ongeboren kindje, nodig is dat binnen maximaal een half jaar duidelijk is of de ouders het kindje al dan niet zelf kunnen opvoeden, eventueel met de hulp van (intensieve) opvoedingsondersteuning.

De termijn van 12 maanden is nodig zodat er in ieder geval voor de duur van 12 maanden toezicht is op de opvoeding, de pedagogische mogelijkheden en inzichten van de ouders en om eventuele noodzakelijke extra hulp in te zetten.

De Raad handhaaft ter zitting haar standpunt en geeft desgevraagd aan dat, nu de ouders pas kort samenwonen, er nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden of de samenwoning van de ouders gevolgen heeft (gehad) voor hun relatie.

Het standpunt van de ouders

De moeder geeft aan dat vader niet ter zitting aanwezig kon zijn omdat hij moest werken.

De moeder, die desgevraagd mede namens de vader ter zitting hun standpunt toelicht, is van mening dat er geen zorgen zijn. Zij hebben nu ruim een jaar een goede relatie en wonen sinds een maand samen. De moeder geeft aan dat de situatie destijds met [minderjarige] , waarnaar de Raad verwijst, niet vergelijkbaar was. De moeder gebruikte toen nog drugs en de relatie met de vader van [minderjarige] was niet stabiel. De moeder stelt dat ze al ruim een jaar geen drugs gebruikt en ook niet vreest voor een terugval. De moeder vindt dat het standpunt van de Raad voornamelijk is ingegeven door haar verleden en haar relatie met haar ex-partner, de vader van [minderjarige] , en ze daardoor een stempel van de Raad heeft gekregen. Ouders herkennen de zorg niet dat ze een ongezonde leefstijl hebben. Ondersteuning van Levanto is volgens moeder enkel nog nodig voor zover die hulp is gericht op haar administratie en het afstemmen van afspraken met de GI, maar niet meer op het aanbrengen van structuur in haar leven.

De moeder voegt daaraan toe dat ze bezig is met een opleiding tot metselaar en stukadoor via het UWV omdat ze daarna in de bouw wilt gaan werken. De vader werkt fulltime bij een boomkwekerij.

De moeder geeft ter zitting aan het lastig te vinden aan te geven of ze akkoord kan gaan met een ondertoezichtstelling. De ouders willen namelijk laten zien, door hulpverlening zoals Anacare toe te laten, dat ze de opvoeding prima zelfstandig aan kunnen en dat een ondertoezichtstelling niet nodig is. Desgevraagd geeft de vertegenwoordigster van de GI aan dat zij, indien het verzoek zal worden toegewezen, de gezinsvoogd zal worden nu zij ook al als gezinsvoogd van [minderjarige] bij het gezin is betrokken. De moeder kan hiermee instemmen nu zij al bekend is met deze voogd.

De beoordeling

Ten aanzien van het ongeboren kind

Een ongeboren vrucht is als zodanig weliswaar geen drager van rechten en plichten, maar op grond van artikel 1:2 BW wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Daaruit leidt de kinderrechter af dat een ongeboren kind de bescherming van het Nederlandse recht toekomt vanaf het moment dat redelijkerwijs moet worden geoordeeld dat het ongeboren kind de, overeenkomstig de laatste stand van de medische wetenschap te bepalen, levensvatbaarheidsgrens is gepasseerd. Die grens heeft het aanstaande kindje ruimschoots gepasseerd omdat de moeder heeft verteld dat ze op 2 januari a.s. is uitgeteld en sprake is van een voldragen zwangerschap.

Ten aanzien van de juridische positie van vader in deze procedure

Voorts is de kinderrechter het volgende van oordeel naar aanleiding van de verklaring van de moeder dat zij na de geboorte van het kindje samen met de vader het gezamenlijk gezag willen gaan uitoefenen over het kindje en daarvan aantekening zullen laten maken in het gezagsregister. Nu de vader de ongeboren vrucht reeds heeft erkend, acht de kinderrechter het ook aannemelijk dat de ouders er kort na de geboorte voor zullen gaan zorgen, mede gelet op de duur van hun relatie en de recente stap van samenwoning, dat de vader naast de moeder ook het gezag zal gaan krijgen. Eerder kunnen ouders dat niet regelen. Met dat vooruitzicht heeft de vader in feite thans dezelfde positie als de moeder: de moeder krijgt op grond van de wet met de geboorte automatisch het gezag en de vader krijgt kort na de geboorte door een eenvoudige registratie in het gezagsregister ook het gezag. Een en ander betekent dat het verzoek ondertoezichtstelling (waarmee in de gezagspositie van de ouders wordt ingegrepen) niet alleen op de rechten en plichten van de moeder maar ook die van de vader rechtstreeks betrekking heeft, zoals dat in artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is verwoord. Derhalve is naast de moeder ook de vader belanghebbende in deze procedure en heeft hij recht om als zodanig te worden gehoord, de processtukken te ontvangen en kan hij tegen een beslissing van de kinderrechter, net als de moeder, in hoger beroep gaan bij een hogere rechter als hij het met die beslissing niet eens is.

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling

Ter beantwoording van de vraag of het ongeboren kind onder toezicht dient te worden gesteld, sluit de kinderrechter aan bij het bepaalde in artikel 1:255 BW. Hieruit volgt dat een minderjarige onder toezicht kan worden gesteld indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in het verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding in staat zijn te dragen.

De kinderrechter is op de daartoe door de raad in het verzoekschrift aangevoerde gronden, welke de kinderrechter overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat er sprake is van een thans in te schatten zorgelijke situatie waarin het nog ongeboren kindje zal opgroeien bij zijn ouders met dien verstande dat niet genoegzaam is gebleken van het risico op het gebruik van drugs of alcohol door de moeder. Noch de GI noch Levanto hebben daar op grond van hun regelmatige contacten met de moeder aanwijzingen voor gegeven en de moeder heeft het gebruik van drugs en alcohol pertinent ontkend. De Raad heeft dit aspect ter zitting niet nader kunnen onderbouwen. Hetzelfde geldt voor de door de Raad gestelde vraagtekens bij de relatie van de aanstaande ouders nu de moeder, onweersproken door de Raad heeft gesteld, dat zij thans ruim één jaar een stabiele relatie heeft met de vader en dat ook de samenwoning geen gevolgen heeft gehad voor hun relatie.

Waar zitten de zorgen in voor het kindje in relatie tot zijn ouders ?

Hoewel de relatie tussen de ouders door de zorgaanbieders als rustig wordt beschouwd en er geen sprake lijkt te zijn van onderlinge spanningen of ruzies, kan ook moeilijk ingeschat worden hoe de vader in pedagogisch opzicht zal functioneren als het kindje er is. De vader is erg teruggetrokken en passief en lijkt zich aan te passen aan de moeder. De verwachting bestaat dat wanneer het kindje er is, een groot beroep wordt gedaan op de moeder en de vader mogelijk haar tekortkomingen als opvoedster onvoldoende kan compenseren, hetgeen weer voor een grotere belasting van de moeder kan betekenen in de zorg en opvoeding van het kindje. Nog niet voorzien kan worden wat zowel de samenwoning van de ouders als de komst van een kindje voor een effect zal hebben op de relatie tussen de ouders en of deze dan voldoende stabiel zal blijken te zijn.

Hoewel door Levanto een indicatie bij Anacare is aangevraagd, zodat tijdig kan worden gestart met het bieden van opvoedingsondersteuning, blijft het vooralsnog echter niet duidelijk of de moeder straks, als het kindje is geboren, ook vragen stelt en advies vraagt als dat nodig blijkt te zijn en of zij kan inschatten wat het kindje nodig heeft. Het risico is, ondanks de goede bedoelingen van de ouders, dat de moeder dat niet zal doen uit angst om hierin te falen en omdat ze bezorgd is dat een hulpvraag gevolgen kan hebben, gezien haar eerdere ervaring met de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Het doel van Levanto blijft het vergroten van moeders zelfredzaamheid, doch er dient rekening mee te worden gehouden dat begeleiding op meerdere basale terreinen nodig blijft, zoals het aanbrengen van structuur in het dagelijkse leven en het huishouden en ook in het verzorgen en opvoeden van hun zoontje. De vraag is of het in het vrijwillig hulpverleningskader haalbaar en afdoende is om de zorgen over het functioneren van de ouders ten aanzien van de zorg en opvoeding van hun kindje weg te nemen. Er zijn namelijk aanwijzingen dat de moeder zich minder begeleidbaar opstelt en dat haar leerbaarheid beperkt blijkt te zijn. De moeder heeft moeite met het vertrouwen van mensen mogelijk als gevolg van een belast verleden. Het ontbreekt de ouders vooralsnog aan pedagogisch inzicht en voldoende probleembesef. Omdat de moeder maar enkele uren per maand contact heeft met [minderjarige] , is het vooralsnog moeilijk om concreet inzicht te krijgen in haar (pedagogische) mogelijkheden en beperkingen. Hoewel de begeleide contacten met [minderjarige] best goed verlopen, is het nog maar de vraag of de moeder ook de fulltime zorg van een kindje aan kan.

De betrokken zorgaanbieders zoals Xonar pleegzorg en Levantogroep hebben eveneens bedenkingen of de moeder voldoende beschikbaar kan zijn voor een kindje en of het kindje voldoende zorg kan bieden zodat deze zich optimaal kan ontwikkelen.

De kinderrechter deelt de zorg van de Raad dat het risico bestaat dat het kindje onvoldoende gesteund en gestimuleerd zal worden in zijn/haar ontwikkeling als gevolg van het feit dat het kindje opgroeit met beperkte ouders en er slechts een beperkt steunend netwerk is dat onvoldoende 24/7 kan ondersteunen , hetgeen het risico op een ontwikkelingsbedreiging extra accentueert. Daarom is het van belang dat er goed zicht is en blijft op de opvoedingsomgeving en dat de ouders ondersteuning krijgen bij de opvoeding. Dan kan ook duidelijk worden welke ondersteuning de ouders nodig hebben, ook op langere termijn, en of het de ouders lukt om het kindje een verantwoorde en stabiele opvoedingsomgeving te bieden. De kinderrechter deelt het standpunt van de Raad dat gezien de kwetsbaarheid van de situatie en de afhankelijkheid van het kindje van zijn ouders (24/7) er geen enkele ruimte is om risico’s te nemen hoezeer ook de ouders hun best (zullen gaan) doen.

De kinderrechter ziet ook dat de ouders de beste bedoelingen hebben en het kindje heel graag zelf samen willen opvoeden. Met de Levantogroep is inmiddels een positieve samenwerking opgebouwd. De kinderrechter acht het positief dat de moeder zich erg inzet en zelf zaken regelt die betrekking hebben op de komst van het kindje. Ook is gebleken dat de moeder bereid en gemotiveerd is om te werken aan haar toekomst op het gebied van werk en opleiding. De kinderrechter vindt dan ook dat de ouders de kans moeten krijgen om, met de benodigde hulpverlening, te laten zien of het hen lukt om het kindje een verantwoorde en stabiele opvoedingsomgeving te bieden. Het is niet enkel belangrijk dat ouders hulp accepteren doch ook dat zij zich de vaardigheden die hen door de hulpverlening worden aangeleerd, eigen gaan maken. De kinderrechter acht een termijn van 9 maanden voldoende om goed zicht te krijgen op de mogelijkheden van de ouders in relatie tot de zorg voor hun zoontje, mede in aanmerking genomen de voor de hechting in deze levensfase belangrijke periode van 9 maanden en om die redenen komt de kinderrechter tot het besluit het ongeboren kindje onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden.

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt het ongeboren kind van voornoemde ouders onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg met ingang van heden voor de duur van negen maanden, derhalve tot 18 september 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst hetgeen meer is verzocht af

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J.C. Vaessen, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020 en op 30 december 2020 op schrift gesteld. Bij afwezigheid van de griffier enkel door de kinderrechter ondertekend.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.