Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:10619

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
8638817 CV EXPL 20-3303
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbetaalde facturen – niet gedupliceerd – positief contractbelang - ontbinding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8638817 CV EXPL 20-3303

Vonnis van de kantonrechter van 23 december 2020

in de zaak van

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde WHUB Incasso & Juristen,

tegen

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] handelend onder de naam [handelsnaam 2] ,

wonend [adres] ,

[woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] worden genoemd.

1 De procedure

in conventie in reconventie

l. l. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding

het antwoord in conventie en van eis in reconventie

de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie tevens akte wijziging van eis

de rolbeslissing inhoudende dat het recht van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] om een conclusie van dupliek in conventie en een conclusie van repliek in reconventie in te dienen is vervallen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten en het geschil

in conventie in reconventie

2.1.

Tussen partijen is in februari 2020 een overeenkomst tot stand gekomen waarbij [eiser in conventie, verweerder in reconventie] voor [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] de vindbaarheid van de website van [handelsnaam 2] zou verbeteren. In de schriftelijke overeenkomst, door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ondertekend op 18 februari 2020, is neergelegd dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van 12 maanden en daarna iedere maand opzegbaar is. Er is voorts een maandbedrag van€ 180,29 (incl. btw) overeengekomen.

2.2.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft uit dien hoofde in februari, maart, april en mei 2020 facturen aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] verzonden ter hoogte van elk€ 180,29, in totaal€ 721,16. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft eenmaal, op 27 maart 2020, een bedrag van€ 180,29 betaald. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft de overeenkomst in maart 2020 opgezegd. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op 27 mei 2020 gesommeerd tot betaling van de eerste factuur van februari 2020.

2.3.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert, samengevat en na wijziging van eis, de overeenkomst te ontbinden en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] veroordelen om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te betalen € 2.307,84, te vermeerderen met (handels)rente en (na)kosten. Dit bedrag is opgebouwd uit de vier facturen ad€ 721,16, positief contractbelang ter hoogte van de resterende acht maandtermijnen ad€ 1.442,32 en buitengerechtelijke incassokosten ad€ 324,65 minus de gedane betaling ad€ 180,29.

2.3.1.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, dat de tekortkoming [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de bevoegdheid geeft de overeenkomst te ontbinden en dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] verplicht is om de schade aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te vergoeden die [eiser in conventie, verweerder in reconventie] lijdt doordat geen nakoming van de overeenkomst plaatsvindt.

2.4.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft geantwoord en op haar beurt verzocht om de overeenkomst te vernietigen en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te veroordelen om aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] (terug) te betalen € 180,00 alsmede [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te veroordelen in de kosten.

2.5.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft vervolgens de vordering nader toegelicht. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft bij die toelichting de vordering nader uitgewerkt en het antwoord van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] besproken.

2.6.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft daarop niet meer gereageerd, hoewel daartoe bij brief van de griffier in de gelegenheid gesteld. Er is ook niet om uitstel verzocht.

3 De beoordeling

in conventie en in reconventie

3.1.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt dat zij door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] onder druk is gezet om tot de overeenkomst te komen, dat zij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst onder invloed was van een geestelijke stoornis althans dat haar wil tot contracteren heeft ontbroken en dat voorafgaande aan de schriftelijke overeenkomst zijdens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] mondeling was meegedeeld dat er sprake zou zijn van een overeenkomst op basis van No Cure No Pay, die bovendien maandelijks opzegbaar zou zijn. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft dit gemotiveerd betwist onder verwijzing naar de schriftelijke overeenkomst en - terecht - erop gewezen dat het hier op de weg van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ligt om haar stellingen te bewijzen. Gelet hierop had [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] het aanvankelijk gevoerde verweer nader hebben moeten bespreken, hetgeen evenwel niet is geschied. Zij heeft geen bewijs van de bij antwoord aangevoerde stellingen aangeboden en de kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ambtshalve toe te laten tot enige bewijslevering, zodat het door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gevoerde verweer behoort te worden verworpen. De overeenkomst staat hiermee nog overeind.

3.2.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt verder dat de dienstverlening haar na twee maanden niets had opgeleverd. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft hiertegen ingebracht dat de overeenkomst was ingericht op werkzaamheden van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] over een periode van 12 maanden en dat het feitelijk ook niet mogelijk was dat al binnen twee maanden alle resultaten al zouden zijn bereikt. Daarbij is

- terecht - gesteld dat het op de weg van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] had gelegen om te klagen en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zo nodig in gebreke te stellen. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] stelt dat dit niet is gebeurd. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft ook hiertegen

niets ingebracht, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Ook dit verweer wordt verworpen.

conclusie in conventie

3.3.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft bij repliek aangegeven dat in het petitum abusievelijk niet is verzocht om de overeenkomst te ontbinden ex artikel 6:265 BW (terwijl dit wel uit het lichaam van de dagvaarding voortvloeit). [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft kennis kunnen nemen van deze eiswijziging en hiertegen geen verweer gevoerd. Gelet op hetgeen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] aanvoert, begrijpt de kantonrechter dat zij zich hierin kan vinden want ook [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] wil zo snel mogelijk van de overeenkomst af. Haar opzegging in maart 2020 heeft ook niet het effect gesorteerd dat de overeenkomst eerder eindigt dan na afloop van het eerste contractjaar conform de schriftelijke overeenkomst (aldus in februari 2021). De vordering tot rechterlijke ontbinding van de overeenkomst ligt daarmee voor toewijzing gereed. Gelet op artikel 6:269 BW heeft een ontbinding overigens geen terugwerkende kracht.

3.4.

De vordering aan hoofdsom ad€ 721,16 (alsook de opbouw van de vordering onder punt 13 van de dagvaarding, weergegeven onder r.o. 2.3.) kan de kantonrechter niet geheel plaatsen nu een factuur reeds ruim vóór de aanmaning van 7 mei 2020 is betaald. Deze betaling dient hiermee geheel te worden toegeschreven aan de huurtermijn (volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] : de eerste huurtermijn). De kantonrechter begrijpt daarmee dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] - concreet - vordert de veroordeling tot het betalen van de drie openstaande facturen ad (slechts)

€ 540,87, welke vordering, als onvoldoende gemotiveerd betwist, zal worden toegewezen.

3.4.1.

De vordering om deze hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW ingaande de dag van dagvaarden is niet betwist en toewijsbaar.

3.5.

Op grond van art. 6:277 BW is de schuldenaar in beginsel verplicht tot volledige vergoeding van de schade die de schuldeiser lijdt doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. De omvang van de schadevergoeding dient te worden vastgesteld door met elkaar in vergelijking te brengen, enerzijds de hypothetische situatie waarin [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zou hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke wederzijdse nakoming en anderzijds de feitelijke situatie waarin hij na de ontbinding van de overeenkomst verkeert. Volgens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] moet zijn schade worden vastgesteld op een bedrag van€ 1.442,32, zijnde het bedrag gelijk aan acht huurtermijnen dat hij van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zou hebben ontvangen bij volledige en behoorlijke nakoming van de overeenkomst. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft hiertegen niets ingebracht. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om deze vordering geheel toe te wijzen.

3.5.1.

De wettelijke handelsrente is hier niet toewijsbaar, nu deze niet kan zien op een vordering tot schadevergoeding (al dan niet wegens ontbinding van de overeenkomst). In plaats daarvan zal de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over voormeld bedrag worden toegewezen met ingang van de dag van dagvaarden, zoals gevorderd.

3.6.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Hij vordert een bedrag gerelateerd aan€ 721,21 aan hoofdsom en€ 1.442,32 aan positief contractbelang dit alles gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter slechts ten dele betrekking op één van de situaties waarin genoemd Besluit van toepassing is (te weten de geldsom die voortvloeit uit een overeenkomst, niet die uit schadevergoeding). De kantonrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom

toetsen aan de voor de individuele delen van de vordering geldende vereisten.

Voor wat betreft de geldsom die voortvloeit uit een overeenkomst heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Een enkele brief is voldoende. De kantonrechter constateert evenwel dat die brief van 7 mei 2020 ziet op de eerste termijn (terwijl [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] bij antwoord de eerste betaling in maart 2020 onbetwist toeschrijft aan juist die eerste termijn), maar als zodanig is onbetwist gebleven dat er incassowerkzaamheden zijn verricht (terwijl op 7 mei 2020 ook drie facturen openstonden). De kantonrechter zal die brief daarmee aanmerken als een voldoende onderbouwing dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Dit is anders voor wat betreft de vordering uit hoofde van schadevergoeding, waarvan niet is gebleken dat aan het vereiste van redelijke kosten is voldaan.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, voor zover dat aldus is gerelateerd aan de geldsom die voortvloeit uit de overeenkomst, is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief, nu daarin niet de betaling is meegenomen die al is verricht vóór de aanmaning. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat behoort bij de hoogte van de drie facturen ad€ 540,87, zijnde€ 81,13, eveneens zonder btw zonder gevorderd.

3.6.1.

De vordering om deze som te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande de dag van dagvaarden is toewijsbaar en zal worden toegewezen.

3.7.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] worden begroot op:

dagvaarding € 86,85

griffierecht

salaris gemachtigde

236,00

360,00 (2 punten x tarief€ 180,00)

totaal

682,85

3.8.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

conclusie in reconventie

3.9.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat er geen grondslag om de overeenkomst te vernietigen en of om [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te veroordelen om enig bedrag terug te betalen aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . De vorderingen in reconventie zijn niet toewijsbaar en zullen daarmee worden afgewezen.

3.10.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. De kosten aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] worden begroot op € 36,00.

3.11.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

4.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande overeenkomst,

4.2.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van€ 540,87, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 24 juni 2020 tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van€ 1.523,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2020 tot de dag van volledige betaling,

4.4.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van€ 682,85,

4.5.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , onder de voorwaarde dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet binnen twee weken na aanschrijving door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 90,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening,

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.7.

wijst het gevorderde af,

4.8.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op € 36,00,

4.9.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , onder de voorwaarde dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet binnen twee weken na aanschrijving door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op€ 18,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening,

in conventie en in reconventie

4.10.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

Nlv