Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:10503

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
C/03/283662 / FA RK 20-3795
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek beëindiging gezag beide ouders; ten aanzien van de vader toegewezen, nu hij zich al twee jaar heeft teruggetrokken uit het leven van minderjarige en er geen contact meer is; ten aanzien van de moeder aangehouden; zij heeft positieve stappen gezet, heeft hulpverlening gezocht en in samenspraak met hulpverlening wordt bekeken welke mogelijkheden er zijn om omgang uit te breiden en waar toekomstperspectief van minderjarige komt te liggen, moeder moet komende periode laten zien de prille ontwikkeling te kunnen volhouden; beslissing aangehouden tot zitting in maart 2021.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Jeugdrecht

Locatie Maastricht

Zaaknummer: C/03/283662 / FA RK 20-3795

Datum uitspraak: 30 december 2020

beschikking gezagsbeëindiging

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidoost Nederland,

hierna te noemen: de raad,

locatie Maastricht,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de pleegmoeder] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder,

wonende te Heerlen,

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek met bijlage(n) van de raad van 9 oktober 2020, ingekomen bij de rechtbank op

13 oktober 2020;

- de door de raad overgelegde geboorteakte, ingekomen bij de rechtbank op

26 oktober 2020;

- een door de raad bij brief van 30 november 2020 overgelegd stuk, ingekomen bij de

rechtbank op 1 december 2020.

Op 24 november 2020 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:
- [minderjarige] , die apart is gehoord,
-de moeder,

-de pleegmoeder, ook te noemen: de oma,
-een vertegenwoordigster van de raad,
-een vertegenwoordigster van de GI.

De vader is, opgeroepen conform de wettelijke voorschriften, niet ter zitting verschenen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van 21 september 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 21 september 2021.

Sinds 21 september 2019 is [minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst bij de pleegmoeder. Bij beschikking van de kinderrechter van 1 september 2020 is de machtiging uithuisplaatsing bij de pleegmoeder verlengd tot 21 maart 2021 onder aanhouding van de beslissing op de resterende termijn.

De GI heeft zich bij brief van 14 juli 2020 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Het verzoek

De raad verzoekt het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Ter onderbouwing van het verzoek stelt de raad dat er nog steeds sprake is van een bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] , die bestaat uit het niet thuis bij de ouders kunnen wonen, de gevolgen van de afwijzing door de vader, zijn beperkingen, het aangewezen zijn op bescherming en begeleiding nu en in de toekomst, daar waar het wonen en andere basale levensbehoeften betreft.

De moeder en de vader zijn niet in staat gebleken om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van [minderjarige] binnen een voor hem aanvaardbare termijn te dragen. [minderjarige] heeft recht op duidelijkheid over waar hij verder zal opgroeien. Gezien de onduidelijke loyaliteitsverhoudingen tussen oma en de moeder, het feit dat de hulpverlening aangeeft dat oma niet altijd opgewassen is tegen de druk die de moeder uitoefent en om de mogelijkheden van contact tussen [minderjarige] , de vader en de grootouders vaderszijde objectief te kunnen onderzoeken, dient de voogdij bij de GI te komen die de belangen van [minderjarige] als neutrale instantie het beste kan waarborgen.

De raad handhaaft ter zitting het verzoek. De huidige prille positieve ontwikkeling bij de moeder gaat op en neer zoals in de afgelopen jaren vaker is gezien en zich nu weer manifesteert, wellicht mede in het licht van het voorliggende verzoek. De raad heeft er geen vertrouwen in dat deze positieve ontwikkeling een duurzaam karakter kent. [minderjarige] heeft nú recht op duidelijkheid, nu het perspectief niet meer bij een van de ouders ligt.

Het standpunt van de belanghebbenden

De moeder voert aan dat het goed met haar gaat en zij afspraken gemaakt heeft met de hulpverlening. De moeder gebruikt al een maand geen middelen meer en is clean wat ook blijkt uit de laatste drug- en urinetest in oktober 2020. Zij heeft voor het laatst in december 2019 amfetamine gebruikt maar van een verslaving was geen sprake. Ook haar financiën heeft ze nu op de rit. Er is een schema voor de dagindeling als [minderjarige] bij de moeder is en dat werkt goed voor haar. Wel heeft de moeder last van stemmingswisselingen waardoor zij vaak emotioneel of snel boos kan worden. Echter [minderjarige] merkt daar niets van. Het is de moeder nog steeds niet gelukt de behandeling bij PsyQ op te starten en zij wacht nu op meer duidelijkheid omtrent het te volgen traject.

De oma vindt een gezagsbeëindiging van de moeder te ver gaan. [minderjarige] doet het goed bij de oma maar hij geeft wel dagelijks aan bij de moeder te willen zijn. Als hij bij de moeder zou wonen, heeft de moeder wel begeleiding nodig omdat ze het niet alleen kan. De oma stelt regels aan [minderjarige] , die verstandelijk functioneert op het niveau van een 7-jarige. Hij verveelt zich bij haar en wil liever bij de moeder zijn. Het enige minpunt bij de moeder is gelegen in haar beperkte financiële middelen.

De GI herkent de cirkel welke de raad aangeeft en de vraag is of het lukt een stabiele situatie te creëren zodat [minderjarige] bij de moeder kan wonen. Na de uitspraak van de kinderrechter in september is een nieuw plan gemaakt samen met de moeder, oma en de hulpverlening. Als [minderjarige] in het weekend bij de moeder is verloopt dat beter doordat er schema’s zijn gemaakt en gezien wordt dat de moeder, na een moeizame start, in [minderjarige] investeert. Wel blijkt dat de schema’s nog teveel ruimte bieden waardoor de moeder thans hulp van pleegzorg krijgt ter ondersteuning. De GI voorziet dat het verstandig is om [minderjarige] bij de oma te laten wonen en zodra hij 16 jaar is hem door te laten groeien naar zelfstandigheid. Nu is het risico te groot voor een terugval omdat de GI meent dat een weekverblijf van [minderjarige] bij de moeder te lastig wordt. Sinds [minderjarige] bij de oma woont, gaat het goed op school. Wel is gebleken dat [minderjarige] altijd begeleiding nodig zal hebben. [minderjarige] zit in een enorm loyaliteitsconflict. Hij wil graag bij de moeder wonen en beiden doen daar heel erg hun best voor. De GI vreest echter dat dit niet haalbaar gaat worden omdat het de moeder niet lukt [minderjarige] de structuur te bieden die hij nodig heeft. De samenwerking met de moeder is goed, hoewel die soms moeilijk is als zij last heeft van stemmingswisselingen. Het is een gegeven dat er bij de omgang altijd hulpverlening moet zijn. De combinatie die thans met hulpverlening is ingezet kan bestendig zijn en dat gunt de GI de moeder en [minderjarige] .

De GI vindt het voor [minderjarige] nodig dat hij duidelijkheid krijgt over zijn toekomstperspectief. De vader wordt door de GI op de hoogte gehouden nu hij mede het gezag heeft, maar de vader reageert nergens op.

De vader heeft geen verweer gevoerd.

De mening van [minderjarige]

is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is, buiten aanwezigheid van de belanghebbenden, gehoord.

Ter zitting heeft de rechtbank een kort verslag van het gesprek met [minderjarige] aan de aanwezigen voorgehouden waarop een ieder heeft kunnen reageren.

geeft aan liever bij de moeder dan bij de oma te zijn. Hij heeft niet veel ruzie meer met zijn moeder en het is bij haar veel gezelliger. Bij zijn oma is het saai, terwijl hij bij de moeder zijn vrienden in de buurt heeft. Hij zou bij zijn oma willen blijven wonen als zij een gewoon huis zou hebben. Zijn moeder heeft namelijk een tuin en honden, hij kan daar buiten zijn. [minderjarige] vindt het goed dat het gezag van zijn vader beëindigd wordt, zodat hij niets meer over [minderjarige] te zeggen heeft. [minderjarige] is blij hem niet meer te zien. Hij ziet zijn grootouders vaderszijde wel eens als hij gaat wandelen.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting blijkt dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft een licht verstandelijke beperking en is gediagnosticeerd met ADHD waardoor hij niet functioneert op zijn actuele leeftijdsniveau. [minderjarige] heeft een stabiele thuissituatie nodig waarin hem door zijn verzorger en opvoeder structuur, sturing, stimulering, voorspelbaarheid en een basale verzorging wordt geboden. In de achterliggende jaren hebben noch de vader, noch de moeder door hun eigen persoonlijke problematiek [minderjarige] die basale thuissituatie kunnen bieden.

De vader heeft zich circa 2 jaar geleden volledig teruggetrokken uit het leven van [minderjarige] en er is geen contact meer tussen de vader en [minderjarige] . Daaruit volgt, mede gelet op jarenlang lopende kinderbeschermingsmaatregelen, dat de vader [minderjarige] niet de opvoeding en thuissituatie kan geven die [minderjarige] nodig heeft en voor de rechtbank staat daarmee vast dat de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader toewijzen.

Ten aanzien van de moeder is de rechtbank van oordeel dat op dit moment het verzoek nog niet kan worden beoordeeld. De kinderrechter heeft in haar beschikking van 1 september 2020 geoordeeld dat de moeder positieve stappen heeft gezet, hulpverlening bij PsyQ heeft gezocht, haar financiën op de rit heeft en haar relatie met haar ex-partner verbroken heeft. In samenspraak met de hulpverlening wordt bekeken welke mogelijkheden er zijn om de omgang verder vorm te geven en mogelijk uit te bouwen en waar het toekomstperspectief van [minderjarige] komt te liggen. De rechtbank is in het verlengde van die uitspraak en de naar aanleiding daarvan in gang gezette stappen van oordeel dat de moeder de komende periode de kans moet krijgen te laten zien dat zij de prille positieve ontwikkelingen kan vasthouden, blijft meewerken aan de drugstests en het traject bij PsyQ blijft volgen zodra dit start. De moeder zal zoveel mogelijk op eigen kracht moet laten zien dat zij de aangereikte adviezen en hulp kan omzetten in het op adequate wijze zorgen voor [minderjarige] . Dat betekent onder meer dat [minderjarige] erop moet kunnen vertrouwen dat hem door zijn moeder voldoende toezicht en structuur geboden wordt, dat zij als moeder voor [minderjarige] voorspelbaar is, dat zij kan zorgen voor zijn basale verzorging, dat zij op positieve wijze kan blijven samenwerken met de gezinsvoogd, oma moederszijde en de hulpverlening voor haar en [minderjarige] , dat zij niet terugvalt in drugsgebruik en dat zij zich niet op een negatieve wijze laat beïnvloeden in haar opvoeding en verzorging van [minderjarige] door mensen in haar directe omgeving. Van de GI wordt verwacht dat hij in het kader van het bepaalde in artikel 1:262 lid 1 Burgerlijke Wetboek de moeder actief steunt in het vlot trekken van het traject bij PsyQ zodat er ook daadwerkelijk met de behandeling van de moeder kan worden begonnen en de moeder en [minderjarige] daarvan kunnen profiteren.

De rechtbank zal de behandeling daartoe aanhouden tot de zitting van 19 maart 2021 om 8.45 uur.

De rechtbank verwacht van de raad, dan wel van de GI, een week voorafgaand aan de zitting nadere schriftelijke informatie over de stand van zaken rondom de ontwikkelingen van de moeder in relatie tot haar zoon [minderjarige] in het licht van de aspecten die zojuist door de rechtbank zijn benoemd.

De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;

houdt de beslissing voor het overige aan;

verzoekt de raad dan wel de GI de rechtbank uiterlijk een week voor de nadere zitting schriftelijk te informeren zoals hierboven omschreven;

bepaalt dat de behandeling wordt voortgezet op vrijdag 19 maart 2021 om 8.45 uur en dat de verzoeker en de belanghebbenden voor die zitting worden opgeroepen.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2020 door

mr. M.I.J. Hegeman, voorzitter, mr. P.H.J. Frénay en mr. drs. C.M.J. van den Acker, kinderrechters, in tegenwoordigheid van E.H.C.M. Franssen-Peeters, als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.