Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:10323

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
05-01-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 308
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor in afwijking van bestemmingsplan realiseren van boerengolfbaan bij agrarisch bedrijf. Verklaring van geen bedenkingen onverplicht afgegeven. Omdat deze niet was vereist, was terinzagelegging van ontwerp daarvan niet nodig. Omgevingsvergunning laat mogelijkheden bestemmingsplan onverlet, zodat juridisch gezien niet gesproken kan worden van verplaatsing van de boerengolfbaan. Ondergeschiktheid van boerengolfbaan aan agrarische activiteiten niet voorgeschreven in omgevingsvergunning. Omgevingsvergunning en bijbehorende stukken gaan wel uit van (extensief) recreatief medegebruik. Voorschriften om dat te borgen ontbreken echter. Ontbreken holes in 35 meter-zone langs perceel van eiser waarborgen onvoldoende dat deze zone niet zal worden gebruikt voor het boerengolfspel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/308

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder

(gemachtigde: drs. A.P. Langerak).

Als derde-partij (vergunninghouder) heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder] , te [vestigingsplaats]

(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een gedeelte van zijn pand tot een bed & breakfast en de verplaatsing van de boerengolf-activiteiten aan de [adres] te [plaats] .

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2020. Eiser en zijn echtgenote zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder zijn verschenen

[naam] en zijn echtgenote, bijgestaan door hun gemachtigde en ing. [naam ing.] .

Overwegingen

1. Op onderhavige projectlocatie zijn een boerderij met woonhuis, een berging en een varkens- en rundveestal aanwezig. In 2004 is door vergunninghouder gestart met een boerderijterras en een boerengolfbaan in de weilanden. Naar aanleiding van een aanvraag van vergunninghouder heeft verweerder bij het bestreden besluit een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een gedeelte van het pand (boerderij) tot een bed & breakfast (4 kamers) en de (gedeeltelijke) verplaatsing van de boerengolfactiviteiten. Eiser woont in de directe nabijheid van de boerderij en het terrein van de boerengolfbaan grenst deels direct aan zijn woonperceel.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat de aanvraag in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, maar dat uit de ruimtelijke onderbouwing van de aanvraag blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Verder past de ontwikkeling volgens verweerder binnen de Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas (Structuurvisie). Ook heeft de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Verweerder is derhalve van mening dat er geen bezwaren bestaan tegen het realiseren van de bed & breakfast op en het verplaatsen van de boerengolfactiviteiten naar onderhavige locatie.

3. Eiser voert in beroep aan -kort samengevat- dat hij vreest hinder en overlast te zullen ondervinden van vooral de boerengolfbaan dat op korte afstand van zijn woning zal worden gerealiseerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de verklaring van geen bedenkingen ten onrechte niet in ontwerp ter inzage is gelegd. Verder voert hij aan dat de recreatieve ontwikkeling die de omgevingsvergunning mogelijk maakt, niet meer kan worden aangemerkt als een ondergeschikte nevenactiviteit of als medegebruik bij het agrarisch bedrijf. Eiser is ook van mening dat het bij de omgevingsvergunning opgenomen voorschrift met betrekking tot de situering van de holes van de boerengolfbaan buiten een 35 meter-zone langs de grens van zijn perceel geenszins waarborgt dat die zone niet gebruikt zal worden voor het boerengolf. Met betrekking tot de mogelijke geluidsoverlast stelt eiser dat verweerder niet heeft gereageerd op zijn kritiekpunten op het akoestisch onderzoek van 29 mei 2017.

Juridisch kader

4. De rechtbank gaat uit van het volgende juridische kader.

4.1.

Onderhavig perceel is gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas, vastgesteld op 24 december 2014. Het perceel is ingevolge de bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ bestemd voor een intensieve veehouderij met bijbehorende voorzieningen. Op een deel van het perceel is ingevolge de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 12’ ondergeschikt daaraan toegestaan: solexverhuur, boerengolf en -spellen, verhuur van vergaderruimte, ondergeschikte horeca van categorie 1 en 2 van maximaal 432 m². Dat geldt echter niet voor het terrein gelegen direct achter en naast het perceel van eiser, waar de boerengolfbaan ook geprojecteerd is.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de activiteiten waarvoor vergunning is verleend in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Verder is ter zitting gebleken dat het beroep zich uitsluitend richt tegen de verplaatsing/uitbreiding van de boerengolfbaan. In dit verband heeft de rechtbank ter zitting vastgesteld dat de overzichtstekening van 3 oktober 2014 (werknummer [werknummer] , bladnummer [bladnummer] ), ook al is deze niet als zodanig gewaarmerkt, volgens alle partijen de vergunde situering van de golfbaan juist weergeeft. Deze tekening stemt ook overeen met de begrenzing van het besluitvlak (de begrenzing) van de omgevingsvergunning.

4.3.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c (in dit geval: gebruiken in strijd met het bestemmingsplan), de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Verklaring van geen bedenkingen

5. Over eisers beroepsgrond met betrekking tot de afgegeven verklaring van geen bedenkingen overweegt de rechtbank het volgende.

5.1.

Bij besluit van 26 maart 2019 heeft de gemeenteraad besloten dat geen verklaring van geen bedenkingen vereist is, kort gezegd en voor zover hier van belang, bij het beslissen op een aanvraag toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo voor “projecten welke passen binnen een vastgesteld structuurplan, structuurvisie, beleidsregel, beleidsnotitie”.

5.2.

Op grond van de Structuurvisie Buitengebied gemeente Peel en Maas, vastgesteld op 15 december 2015, onderdeel Structuurplan Buitengebied regio Peel en Maas (paragraaf 6.7.3) geldt het volgende beleidsuitgangspunt voor dagrecreatieve voorzieningen:

Gestreefd wordt naar behoud en versterking van de bestaande dagrecreatieve voorzieningen. De criteria voor beoordeling van verzoeken om medewerking voor uitbreiding zijn:

  • -

    Het initiatief mag geen aantasting betekenen van bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden.

  • -

    Er mag geen sprake zijn van onevenredige verkeerskundige effecten.

  • -

    Geen milieuhygiënische belemmeringen opleveren voor omliggende functies.

  • -

    Het initiatief moet een tegenprestatie leveren gericht op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit welke gebaseerd wordt op het ter plaatse geldend gebiedstype.

  • -

    Het initiatief heeft uitbreiding nodig om een interne kwaliteitsslag te maken. Nadrukkelijk moet hierbij vermeld worden dat alleen het verkrijgen van een beter bedrijfsresultaat niet als verbetering van de kwaliteit wordt aangemerkt.

5.3.

Eiser heeft aangevoerd dat niet is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat de uitbreiding/verplaatsing van de boerengolfbaan geen milieuhygiënische belemmeringen mag opleveren voor omliggende functies, omdat niet is aangetoond dat geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidsoverlast bij zijn woning. De rechtbank is van oordeel dat deze voorwaarde geen betrekking heeft op het tegengaan van hinder of overlast, zoals geluidhinder, voor omwonenden en niet ziet op een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, maar op het voorkomen dat een dagrecreatieve voorziening, als gevoelige functie, een belemmering oplevert voor (de bedrijfsvoering van) omliggende (hinderveroorzakende) functies die immers vanuit onder meer milieuregels beperkt zouden kunnen worden door een dergelijke gevoelige functie. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de boerengolfbaan om deze reden niet binnen het beleid past. In de ruimtelijke onderbouwing is gemotiveerd dat de boerengolfbaan omliggende agrarische functies niet belemmert in de bedrijfsvoering.

5.4.

Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder niet heeft onderbouwd of en op welke wijze de boerengolfbaan een tegenprestatie levert gericht op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De gemachtigde van verweerder heeft in dit verband ter zitting, onweersproken, gesteld dat met vergunninghouder hierover (privaatrechtelijke) afspraken zijn gemaakt. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Aan de omgevingsvergunning is bovendien het voorschrift verbonden dat de verplaatsing van de boerengolfactiviteiten landschappelijk moet worden ingepast, waartoe een anterieure overeenkomst is gesloten waarin een fondsbijdrage is opgenomen. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat ook op dit punt geen sprake is van strijd met het beleid.

5.5.

Anderszins is niet gesteld dat het project in strijd is met het beleid zoals bedoeld in de algemene verklaring van geen bedenkingen van 26 maart 2019 en de rechtbank is ook anderszins hiervan niet gebleken. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Het feit dat de gemeenteraad deze verklaring desondanks onverplicht heeft afgegeven maakt dit niet anders. Nu geen verklaring van geen bedenkingen vereist was, is er ook geen grond om te stellen dat deze in ontwerp ter inzage had moeten worden gelegd gelijktijdig met de ontwerp-omgevingsvergunning. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2734) en 9 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1511) is aangegeven dat het voorgaande geldt in het geval waarin een verklaring van geen bedenkingen is vereist.

5.6.

De beroepsgrond van eiser over de verklaring van geen bedenkingen slaagt gelet op het voorgaande niet.

Ondergeschiktheid van nevenactiviteit(en)

6. Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat geen sprake is van een ondergeschikte nevenactiviteit of van medegebruik bij het agrarische bedrijf overweegt de rechtbank het volgende.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat eisers betoog dat juridisch gezien niet slechts sprake is van een verplaatsing van de boerengolfbaan juist is. Op grond van de in het bestemmingsplan opgenomen aanduiding mag de boerengolfbaan immers ter plaatse van die aanduiding nog steeds gerealiseerd worden. De omgevingsvergunning, op grond waarvan de boerengolfbaan ook op andere gronden mag worden gerealiseerd in afwijking van het bestemmingsplan, heft de betreffende aanduiding niet op. Voor de beoordeling van de (geluids)overlast c.q. de gevolgen die eiser stelt te (gaan) ondervinden van de boerengolfbaan naast en achter zijn woonperceel, is dit niet of minder van belang. Voor de beoordeling van de door eiser opgeworpen vraag of met een boerengolfbaan zoals voorzien in de omgevingsvergunning nog sprake is van een ondergeschikte nevenactiviteit, is dat echter wel van belang. Het bestemmingsplan staat immers rechtstreeks een boerengolfbaan toe tegenover het perceel van eiser, aan de overzijde van de weg, gekoppeld aan het bedrijf van vergunninghouder of in ieder geval aan de bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ die dit bedrijf (als enige in de directe nabijheid) heeft. Door het combineren van de mogelijkheden van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning zou een boerengolfbaan kunnen worden gerealiseerd die eisers woning aan drie zijden omringt (met aan een zijde een tussenliggende weg). Hoewel ter zitting door vergunninghouder is aangegeven dat dit slechts een theoretische mogelijkheid is gelet op de eigendomssituatie en zijn plannen dienaangaande alsmede de plannen van de eigenaar van de gronden aan de overzijde van eisers woning, betekent dit niet dat dit bij de beoordeling van de gevolgen van de omgevingsvergunning voor eiser volledig genegeerd kan worden.

6.2.

De rechtbank stelt vast dat ondergeschiktheid van de recreatieve nevenactiviteiten, meer in het bijzonder de boerengolfbaan, niet specifiek als zodanig is voorgeschreven in of als voorschrift is verbonden aan de omgevingsvergunning. Wel blijkt uit zowel de tekst van de omgevingsvergunning als uit de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing dat beoogd is met de omgevingsvergunning op een andere locatie toe te staan wat het bestemmingsplan via de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - 12’ (als ondergeschikte activiteit) toestaat. Het bestreden besluit gaat in dit verband ook uit van een (gedeeltelijke) verplaatsing van de boerengolfbaan. Hoewel dit zoals hiervoor is overwogen, juridisch niet als zodanig is geregeld, kan hieruit worden afgeleid dat niet beoogd is van de boerengolfbaan (in combinatie met de andere nevenactiviteiten) een meer dan ondergeschikte functie te maken. In de ruimtelijke onderbouwing wordt ook gesproken over het boerengolf als nevenactiviteit van het agrarisch-toeristische bedrijf, maar daarbij wordt ondergeschiktheid aan het agrarische bedrijf als zodanig niet als argument gebruikt waarom de boerengolfbaan aanvaardbaar is. Wel wordt aangegeven dat de boerengolfbaan als extensief recreatief medegebruik van de weilanden ruimtelijk passend is. Dat impliceert dat uitgegaan wordt van een extensief medegebruik van de landbouwgronden, waarbij agrarisch gebruik van die gronden kennelijk toch het hoofdgebruik of in ieder geval meer intensief gebruik is. Een intensief gebruikte boerengolfbaan past in ieder geval niet bij de kwalificatie ‘(extensief) recreatief medegebruik’. Bij de beoordeling in het kader van het Activiteitenbesluit is het boerengolf in de ruimtelijke onderbouwing verder aangemerkt als onderdeel van de agrarische activiteit.

In het zienswijzenrapport wordt over ondergeschiktheid aangegeven dat het initiatief uitgaat van een agrarisch bedrijf met een recreatieve bedrijfstak en dat ondergeschiktheid van de nevenactiviteit niet vereist is op grond van de structuurvisie. Ook wordt in het zienswijzenrapport aangegeven dat op grond van het bestemmingsplan gebruik kan worden gemaakt van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor een nevenactiviteit, maar dat daarbij is vereist dat het agrarisch bedrijf de hoofdactiviteit is. Omdat hiervan geen sprake is, zo staat in het zienswijzenrapport, is geen gebruik gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid maar van de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid.

In het verweerschrift motiveert verweerder enerzijds waarom er naar zijn mening wel sprake is van ondergeschiktheid, maar anderzijds stelt verweerder zich op het standpunt dat alleen de aangevraagde activiteiten zelf interessant zijn en niet de vraag of deze ondergeschikt zijn aan de andere activiteiten. Ter onderbouwing van het eerste standpunt verwijst verweerder naar het bedrijfsontwikkelingsplan dat als bijlage bij de omgevingsvergunning is gevoegd.

6.3.

De rechtbank constateert op basis van het voorgaande dat ondergeschiktheid van de boerengolfbaan als zodanig (al dan niet in combinatie met de andere nevenactiviteiten) niet is voorgeschreven in de omgevingsvergunning, maar dat in de motivering van de aanvraag en van de vergunning in de ruimtelijke onderbouwing er wel van wordt uitgegaan dat de boerengolfbaan een (extensief) recreatief medegebruik is als nevenactiviteit van het agrarische bedrijf, dat als hoofdactiviteit wordt beschouwd. Voor de vraag of verweerder de omgevingsvergunning voor de aangevraagde boerengolfbaan had mogen verlenen is daarom, gelet op eisers beroepsgrond over de ondergeschiktheid maar ook gelet op eisers beroepsgrond over (geluids)overlast, van belang of de vergunde boerengolfbaan als extensief medegebruik bij de agrarische activiteiten c.q. van de agrarische gronden kan worden beschouwd.

6.4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat volgens het Bedrijfsontwikkelingsplan ‘ [vergunninghouder] ’ van juli 2014 60% van de inkomsten afkomstig zullen zijn van de agrarische tak en 40% van de recreatieve tak, waardoor, volgens verweerder, de recreatieve tak van het bedrijf ondergeschikt is aan de agrarische. Ter plaatse is een volwaardig agrarisch bedrijf aanwezig. De rechtbank acht deze motivering onvoldoende voor het standpunt dat sprake is van een ondergeschikte activiteit, omdat de gegevens in dit plan ten tijde van het bestreden besluit vijf jaar oud waren en dus niet recent. Bovendien wordt in het plan uitgegaan van een fictieve situatie met betrekking tot de inkomsten en niet van de feitelijke situatie/inkomsten. Een en ander nog los van de vraag of de omzet(verdeling) in dit geval een goede maatstaf is voor het bepalen van de intensiteit van de ruimtelijke uitstraling. Het voorgaande betekent dat uit het bedrijfsontwikkelingsplan niet kan worden afgeleid dat sprake zal zijn van een ondergeschikte nevenactiviteit. Dat betekent op zichzelf echter niet dat eisers beroepsgrond slaagt, omdat zoals hiervoor onder 6.3 geconcludeerd, ondergeschiktheid als zodanig niet is voorgeschreven.

6.5.

In het bedrijfsontwikkelingsplan wordt aangegeven dat de hoofdtak van het bedrijf de agrarische activiteit is. Hoewel de toeristisch- recreatieve activiteiten steeds belangrijker worden, is dit nog de nevenactiviteit, aldus het bedrijfsontwikkelingsplan uit 2014. Als nevenactiviteiten worden daarin genoemd: boerengolf/ boerenspellen, solexverhuur, boerenterras met slechtweeraccommodatie, vergaderruimten, horeca en een terras.

Uit de ruimtelijke onderbouwing en het akoestisch onderzoek, dat als bijlage bij de omgevingsvergunning is gevoegd en waarin de representatieve bedrijfssituatie is beschreven, blijkt dat boerengolf het hele jaar kan worden gespeeld met als piek de periode maart tot en met oktober (elke dag in de week). Het spel kan worden gespeeld vanaf 08.30 uur zolang het licht is (tot 22.00 uur), waarbij 90% van de groepen zal starten tussen 10.00 en 17.00 uur. Uitgegaan wordt van circa 5.000 deelnemers per jaar. Boerengolf wordt, zo staat in de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie, gespeeld in groepjes van maximaal 10 personen, die zich van hole tot hole verplaatsen over het parcours. Een volledige ronde van 11 holes neemt maximaal 2 uur in beslag (10 minuten per hole). Gelijktijdig bevinden zich maximaal 100 personen op de baan. Gemiddeld wordt uitgegaan van ongeveer 21 spelers per dag, uitgaande van 240 speeldagen (maart tot en met oktober). De rechtbank constateert dat dit betekent dat de boerengolfbaan gemiddeld, uitgaande van circa 20 spelers in twee groepen van 10 personen, 2 uur en 10 minuten (bij direct na elkaar spelende groepen) tot 4 uur in gebruik zal zijn op elke dag in de periode maart tot en met oktober. De groep bevindt zich daarbij steeds slechts op een beperkt gedeelte van de boerengolfbaan.

6.6.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de hiervoor genoemde aantallen personen en gebruikstijden een gebruik van agrarische weilanden opleveren die als extensief recreatief medegebruik kunnen worden gekwalificeerd. Een reëel agrarisch gebruik lijkt met deze intensiteit niet meer mogelijk, zeker omdat het boerengolfspel gedurende het gehele jaar gespeeld kan worden. In die zin kan van medegebruik van de gronden eigenlijk niet gesproken worden. Hoewel het in vergelijking met bijvoorbeeld een golfbaan, welke vergelijking in de ruimtelijke onderbouwing wordt gemaakt, geen intensief gebruik betreft, maakt dat niet dat gesproken kan worden van extensief gebruik c.q. medegebruik of van een onderdeel van de agrarische activiteit, althans niet wat betreft het gebruik van de weilanden zelf.

De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing weliswaar staat dat sprake is van extensief recreatief medegebruik, maar dat bovengenoemde vraag of dit volgt uit de genoemde personenaantallen en gebruikstijden niet echt wordt beantwoord anders dan door de vergelijking met een golfbaan. Die vergelijking gaat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende op omdat een golfbaan onmiskenbaar een hoofdfunctie met intensief gebruik betreft. Een (veel) minder intensief gebruik kwalificeert daarmee niet zonder meer als extensief medegebruik.

Daar komt bij dat de genoemde bezoekersaantallen en gebruikstijden niet concreet juridisch zijn vastgelegd. Evenmin geldt, althans niet expliciet, zoals hiervoor onder 6.3 geconcludeerd, de eis van ondergeschiktheid ingevolge de omgevingsvergunning, zoals deze wel geldt ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - 12’. Met de omgevingsvergunning heeft verweerder daarom een gebruik vergund dat niet per definitie beperkt is tot de in de ruimtelijke onderbouwing genoemde personenaantallen en gebruikstijden en -periode. Handhavend optreden tegen een (veel) intensiever gebruik dan is beschreven als representatieve bedrijfssituatie lijkt op basis van de omgevingsvergunning daarom niet, of in ieder geval niet zonder meer, mogelijk. Dit geldt des te meer nu gesproken wordt over een ‘circa-aantal’ personen per jaar waaruit een gemiddeld aantal personen per dag wordt afgeleid, zodat bij (grote) overschrijding van het aantal genoemde personen per dag, ook gedurende meerdere dagen, nog niet zonder meer gesteld kan worden dat de in de ruimtelijke onderbouwing genoemde uitgangspunten niet worden nageleefd. Hoe dan ook is in de omgevingsvergunning ter zake geen concrete normstelling opgenomen.

Het standpunt van verweerder dat de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek niet in de omgevingsvergunning hoeven te worden opgenomen omdat het de verplaatsing van een bestaand parcours betreft en niet de nieuwvestiging, kan de rechtbank niet volgen gelet op de hiervoor behandelde stellingname van verweerder over de ondergeschiktheid van de boerengolfbaan aan de agrarische activiteit. Verweerder stelt in dat verband immers dat de voor de bestaande boerengolfbaan ingevolge het bestemmingsplan vereiste ondergeschiktheid niet geldt voor de nieuwe locatie van de boerengolfbaan. De beperkingen voor de bestaande boerengolfbaan ingevolge het bestemmingsplan zijn niet overgenomen in de verleende omgevingsvergunning.

6.7.

Het voorgaande betekent dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd en gewaarborgd dat sprake zal zijn van een extensief medegebruik van de betreffende gronden, terwijl een dergelijk gebruik kennelijk wel is beoogd. De beroepsgrond van eiser, gericht op ondergeschiktheid aan het agrarische bedrijf en karakterisering van het gebruik als medegebruik, en daarmee gericht op het voorkomen een te intensief gebruik van de gronden, slaagt derhalve.

35 meter-zone

7. Met betrekking tot eisers beroepsgrond over de ’35 meter-zone’ overweegt de rechtbank het volgende.

7.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de holes op grond van het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift op een afstand van minimaal 35 meter van het perceel van eiser dienen te worden gesitueerd, waardoor mogelijke geluidsoverlast afkomstig van het boerengolf zoveel mogelijk wordt voorkomen. Er is dan sprake van een zone langs het perceel van eiser waar in principe niet of nauwelijks boerengolfactiviteiten plaats zullen vinden en waar dus ook geen geluid wordt geproduceerd.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat met dit voorschrift de geluidsoverlast voor eiser voldoende wordt beperkt. Daartoe overweegt de rechtbank dat weliswaar de holes op minimaal 35 meter van eisers perceel zijn gesitueerd, maar dat de spelers wel gebruik kunnen maken van deze zone. Deze zone maakt immers onderdeel uit van het besluitvak (het gebied waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend en dus het van het bestemmingsplan afwijkende gebruik wordt toegestaan) en in het betreffende voorschrift staat ook expliciet dat (ook) deze gronden gebruikt mogen worden in afwijking van het bestemmingsplan. Er is geen sprake van een fysieke afscheiding of een verbod voor spelers om zich in deze zone te bevinden. Het enkele feit dat de holes niet in deze zone zijn gelegen waarborgt, bij een spel als boerengolf waar ook minder vaardige spelers verwacht mogen worden, onvoldoende dat personen zich niet met enige regelmaat binnen de 35 meter-zone zullen bevinden. De rechtbank acht het dus niet onaannemelijk dat zich regelmatig meerdere spelers tegelijk in deze zone zullen bevinden. De (mogelijke) door deze spelers veroorzaakte geluidsoverlast wordt door het voorschrift niet beperkt. Dit betekent dat ook deze beroepsgrond van eiser slaagt.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en daarbij concreet moeten regelen, in beginsel via aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften (en/of door beperking van het gebied waarvoor de omgevingsvergunning geldt), welke bezoekersaantallen en welke gebruikstijden gelden voor de boerengolfactiviteiten en waar wel en niet gespeeld mag worden. Verweerder zal hierbij ook moeten motiveren waarom de in dit verband te stellen normen waarborgen dat sprake is van (extensief) recreatief medegebruik c.q. ter plaatse planologisch aanvaardbaar gebruik. Omdat verweerder zelf zal moeten afwegen welke normen in dit verband precies gesteld zullen gaan worden, kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien.

9. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb te bepalen dat de voorbereiding van het nieuwe besluit niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb hoeft te geschieden. Dit betekent dat verweerder, met inachtneming van deze uitspraak, een besluit over de omgevingsvergunning kan nemen zonder dat hieraan voorafgaand een ontwerp daarvan ter inzage hoeft te worden gelegd. De reden daarvoor is dat het nieuwe besluit gelet op hetgeen hiervoor onder 8 is overwogen, een beperking zal inhouden ten opzichte van het bestreden besluit, zodat omwonenden en andere belanghebbenden niet worden benadeeld door het achterwege laten van de voorbereidingsprocedure en dat die beperkingen gebaseerd zijn op hetgeen reeds in de stukken behorende bij de aanvraag en bij de omgevingsvergunning is verwoord, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het belang van de vergunninghouder om snel te beschikken over een nieuwe omgevingsvergunning groter is dan het belang om zienswijzen te kunnen indienen tegen het ontwerp van die vergunning waarin de betreffende beperkingen zijn vervat. In dit verband overweegt de rechtbank dat het niet hoeven volgen van genoemde voorbereidingsprocedure er niet aan in de weg staat dat verweerder met vergunninghouder in overleg treedt over de concreet te stellen voorschriften en op die wijze het nieuwe besluit zorgvuldig voorbereidt.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 525,- en een wegingsfactor 1). De door eiser gemaakte reiskosten stelt de rechtbank vast op € 10,84.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat dit nieuwe besluit niet hoeft te worden voorbereid overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.060,84.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020

rechter

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.