Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:10272

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
AWB 19/1801
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser staat op de Top X-lijst. Hij heeft verweerder gevraagd hem van de lijst te verwijderen. In een eerdere procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder het verzoek had moeten opvatten als een verzoek in de zin van artikel 36 van de Wbp en dat verweerder nog op dat verzoek moet beslissen. Toen het bestreden besluit werd genomen was de AVG van toepassing. Verweerder heeft bij het bestreden beslist dat eiser niet van de lijst kan worden verwijderd. De rechtbank heeft het besluit zo opgevat dat verweerder heeft geweigerd de persoonsgegevens die van eiser ivm zijn Top X-prioritering worden verwerkt te wissen. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder niet verplicht was deze gegevens te wissen omdat deze gegevens werden verwerkt om een taak van algemeen belang beter te kunnen vervullen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1801

uitspraak van de meervoudige van 22 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , wonende in [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B.N.R. Maenen),

en

De burgemeester van de gemeente Maastricht, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 8 maart 2018 ontvankelijk en gegrond verklaard, de brief van

11 oktober 2017 herroepen en het verzoek van eiser van 23 augustus 2017 om hem van de Top X-lijst te verwijderen alsnog afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2020.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg en

mr. M.C. van Doornik.

Overwegingen

Inleiding

1. In de brief van 6 juli 2017 heeft verweerder eiser laten weten dat hij op de Top X-lijst is geplaatst omdat gebleken is dat hij strafbare feiten pleegt en/of overlast veroorzaakt. Uit de brief blijkt dat Top X-prioritering is bedoeld om criminaliteit en overlast terug te dringen om de samenleving veilig te houden. Aangegeven is dat dit voor eiser concreet betekent dat in een gezamenlijk overleg binnen het Veiligheidshuis Maastricht Heuvelland (het Veiligheidshuis) informatie wordt uitgewisseld over hem en eventueel over zijn familieleden en naasten met als doel het criminele en/of overlast gevende gedrag van eiser te stoppen, het voorkomen dat de maatschappij last van eiser heeft en eiser en zijn gezin hulp te bieden als dat nodig is.

2. Het Veiligheidshuis is een samenwerkingsverband tussen gemeenten, de politie, justitie en de zorginstellingen genoemd in de bijlage bij het Convenant samenwerking en verwerking gegevens voor integrale persoons-/systeemgerichte aanpak (het Convenant). De betrokken partijen hebben in het Convenant afspraken gemaakt over (onder meer) de verwerking van persoonsgegevens binnen dit verband.

3. In de brief van 23 augustus 2017 heeft eiser verweerder gevraagd zijn plaatsing op de Top X-lijst ongedaan te maken en hem een overzicht te geven van de persoonsgegevens die verweerder van hem verwerkt. In de brief van 21 september 2017 heeft eiser zijn verzoeken verduidelijkt en daarvoor aangegeven dat hij van de Top X-lijst verwijderd wil worden (het verwijderingsverzoek) en dat hij om een overzicht verzoekt als bedoeld in artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) (het inzageverzoek).

4. In de brief van 11 oktober 2017 heeft verweerder eiser laten weten dat zijn plaatsing op de Top X-lijst niet op rechtsgevolg is gericht zodat het verwijderen of niet verwijderen van eiser van de lijst dat ook niet is en dat hiertegen daarom geen bezwaar en/of beroep openstaat. Verweerder heeft eiser meegedeeld dat op zijn inzageverzoek nog een besluit volgt en heeft dat besluit op 13 oktober 2017 aan eiser bekendgemaakt. Op 8 maart 2018 heeft verweerder twee afzonderlijke besluiten aan eiser bekendgemaakt. Het ene besluit houdt in dat het bezwaar van eiser tegen de brief van 11 oktober 2017 niet-ontvankelijk is, omdat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt (1). Het andere besluit houdt de beslissing van verweerder in op het bezwaar van eiser tegen het besluit op zijn inzageverzoek (2).

5. In de uitspraak van 13 maart 2019 (AWB/ROE 18/833) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 maart 2018 (1) gegrond verklaard omdat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder het verzoek van eiser om hem van de Top X-lijst te verwijderen als een verzoek in de zin van artikel 36 van de Wbp had moeten opvatten en dat verweerder alsnog inhoudelijk op dat verzoek moet beslissen. De rechtbank heeft verweerder opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen. Met het bestreden besluit heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser beslist.

5.1

In de afzonderlijke uitspraak van dezelfde dag (AWB/ROE 18/837) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 maart 2018 (2) ongegrond verklaard. In de uitspraak van 25 maart 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2020:849) deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Het bestreden besluit

6. het bestreden besluit houdt in dat eiser nog niet van de Top X-lijst kan worden verwijderd. Redengevend daarvoor is dat eisers ondanks de hem aangeboden hulpverlening nog steeds overlast veroorzaakt. Verweerder wijst erop dat er nog steeds meldingen van overlast bij de politie binnenkomen. Daarnaast werkt eiser volgens verweerder onvoldoende mee aan het binnen het veiligheidshuis voor hem persoonlijk opgestelde plan om criminaliteit en/of overlast terug te dringen. Omdat eiser nog niet met een psychologische en/of psychiatrische behandeling is begonnen, heeft verweerder er geen vertrouwen in dat de overlast die eiser veroorzaakt stopt. Verweerder wijst op de complexe meervoudige problematiek van eiser en dat zijn psychische situatie vraagt om een specifieke en intensieve benadering die het best mogelijk is vanuit het Veiligheidshuis. Om taken van algemeen belang naar behoren te kunnen uitvoeren is het daarom volgens verweerder noodzakelijk dat eiser op de lijst blijft staan. Verweerder verwijst naar artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG. Voor de grondslag om deze taken te mogen uitvoeren heeft verweerder verwezen naar artikel 172 van de Gemeentewet. De Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (de Richtlijn (EU)) is volgens verweerder op deze zaak niet van toepassing.

De gronden van beroep

7. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de Richtlijn (EU) niet van toepassing is op zijn zaak. Voor het geval de rechtbank het niet met hem eens is, verzoekt eiser de rechtbank het Hof van Justitie om uitleg te vragen over de toepassing van artikel 4 van de Richtlijn (EU) door middel van het stellen van een prejudiciële vraag. Eiser stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende wettelijke grondslag is om hem op de Top X-lijst te plaatsen en dat het daarom in strijd is met het legaliteitsbeginsel dat hij op deze lijst is gezet. Eiser vindt verder onduidelijk dat het noodzakelijk is dat hij op deze lijst staat en vindt ook overigens dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Eiser voert in dit verband aan dat hij inmiddels van alle nog openstaande strafbare feiten is vrijgesproken. Het bestreden besluit voldoet volgens eiser ten onrechte ook niet aan de voorschriften die voortvloeien uit de Handleiding protocol zwarte lijst van de Autoriteit Persoonsgegevens.

De beoordeling van het beroep

Wat is het uitgangspunt?

8. Op 25 mei 2018 is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in werking getreden en van toepassing geworden. De Wbp is toen ingetrokken. Bij het nemen van het bestreden besluit waren daarom de met de Wbp corresponderende bepalingen uit de AVG van toepassing.

Wat is het wettelijk kader?

8.1

In artikel 4, aanhef en onder 2, van de AVG is bepaald wat onder verwerking van persoonsgegevens moet worden verstaan en dat het vastleggen en wissen van persoonsgegevens dergelijke verwerkingen zijn. Onder 7 is bepaald wat onder een verwerkingsverantwoordelijke moet worden verstaan, namelijk een natuurlijk persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie of dienst of een ander orgaan dat/die alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

8.2

In artikel 6 staan de grondslagen voor een rechtmatige verwerking. Als de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang, is de verwerking ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG rechtmatig.

8.3

In artikel 17 van de AVG is het recht op gegevenswissing neergelegd. Ingevolge het eerste lid is de verwerkingsverantwoordelijke verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen als één van de onder a tot en met f genoemde gevallen van toepassing is. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, van artikel 17 van de AVG is het eerste lid niet van toepassing voor zover de verwerking nodig is voor het vervullen van een taak van algemeen belang.

Om welke persoonsgegevens gaat het in deze procedure?

9. De rechtbank moet in deze procedure beoordelen of verweerder terecht heeft besloten eiser niet van de Top X-lijst te verwijderen. Gelet op artikel 36 van de Wbp en het thans toepasselijk wettelijk kader gaat de rechtbank ervan uit dat eiser, omdat hij van de Top X-lijst verwijderd wil worden, bedoeld heeft te vragen al zijn persoonsgegevens te wissen die in verband met zijn plaatsing op de Top X-lijst binnen het Veiligheidshuis worden verwerkt. Hiervan uitgaande en gehoord één van de gemachtigden van verweerder ter zitting dat een daadwerkelijk (zwarte) lijst niet bestaat, maar dat het om een Top X-prioritering gaat, zal de rechtbank het besluit zo opvatten dat verweerder weigert de persoonsgegevens van eiser te wissen die in het kader van zijn Top X-prioritering binnen het Veiligheidshuis op grond van de AVG worden verwerkt. De rechtbank verwijst voor de betreffende persoonsgegevens naar het besluit van 13 oktober 2017 op het inzageverzoek, het besluit op bezwaar van 8 maart 2018 (2) en de al genoemde uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020.

Is verweerder de verantwoordelijk voor de verwerking van deze persoonsgegevens?

10. Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 blijkt dat de Afdeling zich de vraag heeft gesteld of verweerder verwerkingsverantwoordelijke is, als bedoeld in de AVG, voor de verwerking van persoonsgegevens van eiser binnen het Veiligheidshuis in verband met zijn Top X-prioritering. De Afdeling heeft verwezen naar artikel 8.1. van het Convenant, waarin is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders eindverantwoordelijke is voor verwerking van gegevens voor zover deze ter beschikking komen binnen het Veiligheidshuis en de samenwerking op basis van het Convenant, en naar artikel 8.2. van het Convenant, waarin is bepaald dat het college zorgt voor betrouwbare en veilige informatieverstrekking. Onder verwijzing naar de door verweerder ter zitting gegeven toelichting, dat hij voor het college deze taken uitoefent als deze taken gegevens betreffen die met de handhaving van de openbare orde van doen hebben, acht de Afdeling deze taakverdeling binnen het college, gelet op de verantwoordelijkheid van verweerder voor de handhaving van de openbare orde, juist en verweerder bevoegd om op het inzageverzoek van eiser te beslissen en dus verwerkingsverantwoordelijke, als bedoeld in de AVG, voor de verwerking van persoonsgegevens van eiser binnen het Veiligheidshuis in verband met zijn Top X-prioritering.

Was verweerder verplicht deze persoonsgegevens van eiser te wissen?

11. De verwerkingsverantwoordelijke, in dit geval verweerder dus, is ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, van artikel 17 van de AVG niet verplicht persoonsgegevens die worden verwerkt te wissen als de verwerking nodig is voor het vervullen van een taak van algemeen belang.

11.1

In artikel 172 van de Gemeentewet is bepaald dat verweerder belast is met de handhaving van de openbare orde. Taken die verband houden met de handhaving van de openbare orde zijn taken van algemeen belang. Uit het bestreden besluit blijkt dat het nodig is dat eiser Top X geprioriteerd blijft om naar behoren een taak van algemeen belang te kunnen vervullen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG. Gelet op de overlast die eiser veroorzaakt, zijn psychische problematiek en de behandeling die hij daarvoor nodig heeft, maar nog niet krijgt, in samenhang bezien, kan de rechtbank dit standpunt volgen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser deze feiten en omstandigheden niet betwist. De rechtbank vindt aannemelijk dat deze feiten en omstandigheden tezamen om de multidisciplinaire aandacht vragen die door de Top X-prioritering van eiser vanuit het Veiligheidshuis daaraan kan worden gegeven en dat deze aandacht onder de gegeven omstandigheden nodig is om de overlast die eiser veroorzaakt te kunnen terugdringen. Ingevolge artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG was verweerder daarom niet verplicht de persoonsgegevens van eiser die in het kader van zijn Top X-prioritering binnen het Veiligheidshuis op grond van de AVG worden verwerkt te wissen. De rechtbank volgt het standpunt van eiser, dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd is aldus niet. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding te oordelen dat de motivering van het bestreden besluit niet voldoende is. Het beroep slaagt daarom in zoverre niet.

11.2

De omstandigheid dat eiser inmiddels van alle openstaande strafbare feiten is vrijgesproken, wat hier ook van zij, heeft verweerder niet bij het nemen van het bestreden besluit kunnen betrekken, omdat deze omstandigheid toen het bestreden besluit werd genomen nog niet bekend was. Deze omstandigheid geeft daarom al geen grond het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank moet immers beoordelen of verweerder het bestreden besluit op grond van de hem bij het nemen van dat besluit bekende feiten en omstandigheden heeft kunnen nemen. Overigens zou deze omstandigheid onverlet laten dat verweerder vanwege de hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden niet verplicht is de persoonsgegevens van eiser die in het kader van zijn Top X-prioritering binnen het Veiligheidshuis op grond van de AVG worden verwerkt te wissen. De rechtbank is het verder met verweerder eens dat het voor de mate van overlast die eiser veroorzaakt niet relevant is of dit strafbare feiten inhouden waarop een veroordeling is gevolgd, zoals gemachtigden van verweerder ter zitting naar voren hebben gebracht. Het beroep slaagt zover dus ook niet.

11.3

Eiser voert verder tevergeefs aan dat het bestreden besluit ten onrechte niet

voldoet aan de Handleiding protocol zwarte lijst van de Autoriteit Persoonsgegevens (handleiding). Blijkens de handleiding is dit een hulpmiddel dat kan worden gebruikt bij het opstellen van een protocol over hoe persoonsgegevens worden verwerkt die op een zwarte lijst staan en met derden worden gedeeld. Deze handleiding geeft geen voorschriften die gelden voor het wissen van persoonsgegevens. Het beroep slaagt ook daarom niet.

11.4

Omdat het in deze procedure alleen gaat over het wissen van persoonsgegevens van eiser gaat de rechtbank voorbij aan hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen zijn plaatsing op de Top X-lijst. De door eiser in dat verband aangehaalde Richtlijn (EU) heeft verweerder daarom terecht niet van toepassing geacht op deze zaak. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding. Ook in zoverre slaagt het beroep dus niet.

Conclusie

12. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr. P.J.M. Bruijnzeels, leden, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.