Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:10240

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
05-01-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3086
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden bezwaar tegen een na bezwaren van andere omwonenden in stand gelaten omgevingsvergunning voor het verbouwen van een pand tot bowlingbaan met Prison Island en restaurant. De rechtbank heeft mondeling uitspraak gedaan en het beroep met toepassing van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard. Het aangevraagde bouwplan en het beoogd gebruik, waarvoor de omgevingsvergunning is verleend die bij het bestreden besluit in stand is gelaten, zijn niet gewijzigd. Dat verweerder pas bij de voorbereiding van het bestreden besluit naar aanleiding van bezwaren van andere omwonenden heeft onderkend dat tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist en dat alsnog akoestisch onderzoek is gedaan, betekent niet dat het primaire besluit bij het bestreden besluit in het nadeel van eisers is gewijzigd. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat hen niet redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar tegen het primaire besluit hebben gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/3086

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2020 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: mr. W.D.W. van Aken),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder,

(gemachtigden: mr. M.C. van Doornik en ing. R.J.A. Alferink).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te [vestigingsplaats] ,

(gemachtigde: mr. R. Evens).

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het pand [adres] in [plaats] tot bowlingbaan met Prison Island en restaurant.

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder beslist op de bezwaren die door negen andere (rechts)personen tegen het primaire besluit zijn gemaakt.

Eisers hebben op 8 november 2019 bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft dat bezwaar op 15 november 2019 aan de rechtbank doorgezonden om dit als beroep in behandeling te nemen.

Op 11 december 2019 hebben eisers de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 24 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2020. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster is verschenen, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] , bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghoudster.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder voor het toestaan van een van het geldend bestemmingsplan afwijkend gebruik van de tweede verdieping een nieuw primair besluit had moeten nemen en daarvoor de in artikel 15.1 van het bestemmingsplan voorgeschreven procedure had moeten volgen. Verweerder heeft die voorbereidings-procedure ten onrechte niet gevolgd en daarbij ook in strijd met artikel 4:7 en artikel 4:8 van de Awb gehandeld. Eisers zijn daardoor ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen tegen de afwijkingen van het bestemmingsplan. Eisers wijzen erop dat zij op een aangrenzend perceel wonen en niet zijn geraadpleegd. Zij achten het in strijd met een zorgvuldige voorbereiding dat verweerder hen niet in de gelegenheid heeft gesteld vóór het nemen van een nieuw besluit een zienswijze in te dienen en omdat hun belangen niet bij de voorbereiding van dat besluit zijn betrokken. Naar aanleiding van het door verweerder ingenomen standpunt dat de aanvraag en daarmee het bouwplan niet is gewijzigd en het bestreden besluit binnen die reikwijdte blijft, hebben eisers aanvullend gesteld dat de ruimtelijke uitstraling van het pand wijzigt omdat de akoestische gevolgen van de ontheffing voor het gebruik van de tweede verdieping bij het primaire besluit niet zijn vastgesteld. Eisers betogen dat zij door de inhoud van het primaire besluit op het verkeerde been zijn gezet. Omdat in het primaire besluit het standpunt is ingenomen dat geen afwijking nodig was en dus voor een beoordeling van de akoestische gevolgen geen ruimte was, heeft eisers toenmalige gemachtigde eisers geadviseerd dat een bezwaar geen kans van slagen had. Verweerder is echter op het primaire besluit teruggekomen en daardoor is een verschuiving van het geschil ontstaan waardoor eisers alsnog in de procedure moeten worden betrokken.

3. De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen de voorzieningenrechter voorlopig heeft geoordeeld. Vast staat dat de aanvraag en het primaire besluit, waarbij voor het bouwplan omgevingsvergunning is verleend, zijn gepubliceerd in het huis-aan-huisblad “ViaLimburg, editie Maastricht/Meerssen en zijn geplaatst op de website van de gemeente Maastricht. Namens eisers is ook erkend dat zij daarvan kennis hebben genomen. Zij voeren aan dat zij door het primaire besluit (bewust) zijn misleid en dat verweerder daarom een nieuw primair besluit had moeten nemen waartegen zij alsnog bezwaar mochten maken. De rechtbank overweegt dat sinds de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de daarin voorgeschreven voorbereidingsprocedure dient te worden gevolgd. Verweerder heeft terecht op de bezwaren van andere omwonenden een beslissing op bezwaar genomen. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb dient degene die beroep wil instellen, bezwaar te hebben gemaakt tegen het genomen primaire besluit tenzij van het niet maken van bezwaar redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Het gaat er dus om of eisers redelijkerwijs kan worden tegengeworpen dat zij geen bezwaar tegen het primaire besluit hebben gemaakt. Naar aanleiding van het betoog dat zij zijn misleid, overweegt de rechtbank dat eisers, evenals andere omwonenden hebben gedaan, in bezwaar hadden kunnen aanvoeren dat verweerders standpunt dat het bouwplan binnen de planregels paste, onjuist was en dat daarom met hun belangen onvoldoende rekening was gehouden. De rechtbank volgt eisers daarom niet in hun betoog dat zij bij het primaire besluit door verweerder (bewust) op het verkeerde been zijn gezet en ook niet in hun (kennelijke) betoog dat het bestreden besluit ten opzichte van het primaire besluit een wijziging in hun nadeel inhoudt. In dat geval hadden zij in beroep tegen die wijziging kunnen opkomen. Het aangevraagde bouwplan en het beoogd gebruik, waarvoor de omgevingsvergunning is verleend die bij het bestreden besluit in stand is gelaten, zijn echter niet gewijzigd. Dat verweerder pas bij de voorbereiding van het bestreden besluit naar aanleiding van bezwaren van andere omwonenden heeft onderkend dat voor het aangevraagde gebruik, voor zover het de tweede verdieping betreft, tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist, en dat akoestisch onderzoek nodig is om te beoordelen of daarvoor afgeweken kan worden van de planregels, betekent niet dat het primaire besluit bij het bestreden besluit in het nadeel van eisers is gewijzigd. Omdat eisers het met het aangevraagde bouwplan en beoogd gebruik, waarvoor omgevingsvergunning is verleend, niet eens zijn, hadden zij tegen het primaire besluit bezwaar moeten maken. Met hetgeen is aangevoerd hebben eisers niet aannemelijk dat hen niet redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar tegen het primaire besluit hebben gemaakt. Dat er mogelijk een onjuiste inschatting is gemaakt van de kans van slagen van een dergelijk bezwaar, dient voor rekening van eisers te blijven. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2020.

de griffier is verhinderd de rechter

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:22 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.