Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:10172

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
C/03/270355 / HA ZA 19-557
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn in het verleden gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Afwikkeling huwelijkse schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/270355 / HA ZA 19-557

Vonnis van 16 december 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. S. Mestrini te Heerlen,

tegen

BUREAU INKOMENSBEHEER B.V.,

in hoedanigheid van bewindvoerder van de goederen van [onderbewindgestelde],

gevestigd te Brunssum,

gedaagde,

advocaat mr. J.G. van Ek te Heerlen.

Partijen zullen hierna [eiser] , de bewindvoerder en [onderbewindgestelde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 augustus 2019 met producties 1 tot en met 7,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7,

  • -

    de akte houdende vermeerdering van eis met producties 8 tot en met 18,

  • -

    de antwoordakte van [onderbewindgestelde] met producties 1 en 2,

  • -

    het B16 formulier van [eiser] van 9 juni 2020 met productie 19,

  • -

    het B16 formulier van [onderbewindgestelde] van 10 juni 2020 met het bericht van de bewindvoerder van 10 juni 2020 dat zij de procedure overneemt van [onderbewindgestelde] ,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2020,

  • -

    het B9 formulier van [eiser] van 23 juni 2020 met verzoek om nog geen vonnis te wijzen omdat partijen in onderhandeling zijn

  • -

    het B16 formulier van [eiser] van 24 juni 2020 met productie 19,

  • -

    de akte uitlating van de bewindvoerder van 24 juni 2020 met verzoek om nog geen vonnis te wijzen omdat partijen in onderhandeling zijn,

  • -

    het B16 formulier van de bewindvoerder van 21 juli 2020 met verzoek om nog geen vonnis te wijzen omdat partijen in onderhandeling zijn,

  • -

    het B16 formulier van de bewindvoerder van 17 augustus 2020 met verzoek om nog geen vonnis te wijzen omdat partijen in onderhandeling zijn,

  • -

    het B16 formulier van [eiser] van18 augustus 2020 met verzoek om nog geen vonnis te wijzen omdat partijen in onderhandeling zijn

  • -

    de B16 formulieren van partijen van 15 september 2020 met verzoek om nog geen vonnis te wijzen omdat partijen in onderhandeling zijn,

  • -

    het B16 formulier van [eiser] van 29 september 2020 met verzoek vonnis te wijzen,

  • -

    het B16 formulier van de bewindvoerder van 30 september 2020 met verzoek vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [gemeente] in gemeenschap van goederen gehuwd. [onderbewindgestelde] heeft op 30 juli 2018 het verzoekschrift tot echtscheiding bij deze rechtbank ingediend. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2018 in de registers van de burgerlijke stand op 22 januari 2019.

2.2.

Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, van 16 januari 2019 zijn de goederen die (zullen) behoren aan [onderbewindgestelde] onder bewind gesteld met ingang van 1 februari 2019. Bureau Inkomens Beheer B.V. is benoemd tot bewindvoerder.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij dagvaarding en na vermeerdering van eis bij akte, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de inboedel en de overige in en rondom de woning aanwezige zaken aan
[onderbewindgestelde] toedeelt, waarbij [onderbewindgestelde] wordt veroordeeld een bedrag van

€ 500,00 aan [eiser] te voldoen, met uitzondering van de zaken die aan [eiser] dienen te worden toegedeeld en zoals in het petitum van de dagvaarding genoemd;

II. [onderbewindgestelde] veroordeelt, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] te voldoen in het kader van de regresvordering een bedrag van € 1.254,19, althans

een bedrag van € 1.154,19, althans een in goede justitie door de rechtbank vast te stellen bedrag.

3.2.

De bewindvoerder voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inboedel

4.1.

[eiser] heeft ter comparitie vordering I ingetrokken. Hierover zal de rechtbank dus niet meer beslissen.

Huwelijkse schulden

4.2.

Partijen zijn gehuwd vóór wijziging van de huidige wettekst van artikel 1:94 BW per 1 januari 2018. Op de rechtsverhouding van partijen is van toepassing artikel 1:94 oud BW.

4.3.

De schulden van partijen behoren ingevolge artikel 1:94 oud BW tot de gemeenschap van goederen. Op grond van artikel 1:100 BW geldt als uitgangspunt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de huwelijkse schulden. [eiser] heeft krachtens artikel 6:10 lid 2 BW pas een regresvordering op de bewindvoerder [onderbewindgestelde] indien en voor zover hij meer dan zijn aandeel in de huwelijkse schulden heeft voldaan.

Schulden die volledig voldaan zijn door [eiser]

4.4.

noemt een zestal huwelijkse schulden die door hem volledig zijn voldaan. Het gaat om de huurtoeslag 2016, kindertoeslag 2018, kindertoeslag/kgb 2018, huurtoeslag 2018, eigen bijdrage advocaat 2018 en de eindafrekening Essent periode 4/9/2017 – 30/7/2018.

4.5.

Tussen partijen staat vast dat de hoogte van deze schulden op de peildatum
30 juli 2018 als volgt waren:

huurtoeslag 2016: € 183,00

kindertoeslag 2018: € 118,00

kindertoeslag/kgb 2018: € 189,00

huurtoeslag 2018: € 201,00

eigen bijdrage advocaat 2018: € 143,00

eindafrekening Essent periode 4/9/2017 – 30/7/2018: € 134,32

totaal: € 968,32

4.6.

Ter comparitie is gebleken dat tussen partijen vast staat dat [eiser] deze schulden volledig heeft betaald. Gelet hierop dient de bewindvoerder aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 484,16 (€ 968,21 / 2).

Overige schulden

4.7.

Tijdens de comparitie is afgesproken dat [eiser] van een aantal schulden nog betaalbewijzen in het geding zou brengen. [eiser] heeft na de comparitie diverse bankafschriften overgelegd (productie 19). Partijen zijn daarna langdurig in overleg geweest over een regeling. Toen bleek dat een regeling niet tot stand was gekomen, heeft de bewindvoerder niet gevraagd om nog bij antwoord-akte te mogen reageren op de inhoud van productie 19. In plaats daarvan heeft de bewindvoerder vonnis gevraagd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de bewindvoerder de betalingen van huwelijkse schulden door [eiser] die blijken uit productie 19, niet inhoudelijk betwist.

* Kindertoeslag/Kgb 2016 ad € 61,00

4.8.

Ter comparitie is gebleken dat partijen het met elkaar eens zijn dat [eiser] deze schuld heeft afgelost tot een bedrag van € 21,00. [eiser] heeft toen toegezegd dat hij het resterende bedrag van € 21,00 in juni 2020 zou voldoen. De door [eiser] als productie 19 overgelegde rekeningafschriften bevatten niet de volledige maand juni 2020. De rechtbank kan uit deze productie niet afleiden dat [eiser] het resterende bedrag van € 21,00 heeft voldaan.

4.9.

Omdat de rechtbank niet kan vaststellen of [eiser] in juni 2020 ook de resterende € 21,00 heeft voldaan, kan de rechtbank de bewindvoerder nu niet veroordelen tot het betalen van de helft van de totale schuld van € 61,00. Nu vaststaat dat [eiser] een bedrag van € 40,00 heeft voldaan, dient de bewindvoerder het bedrag dat [eiser] meer dan zijn aandeel van € 30,50 heeft voldaan, te weten een bedrag van € 9,50, aan [eiser] te voldoen.

4.10.

Als [eiser] na het wijzen van dit vonnis met een betalingsbewijs aan de bewindvoerder kan aantonen dat hij ook het resterende bedrag van € 21,00 voldaan heeft en hij daardoor de hele schuld heeft afgelost, zal de bewindvoerder op grond van artikel 6:10 lid 2 BW nog € 30,50 - € 9,50 = € 21,00 aan [eiser] moeten voldoen. Partijen zullen dit zelf met elkaar moeten afwikkelen.

* Huurtoeslag 2017 ad € 24,00

4.11.

[eiser] heeft ter comparitie toegezegd dat hij een betalingsbewijs zal verstrekken waaruit blijkt dat hij het bedrag van € 24,00 heeft voldaan. Uit het door [eiser] als productie 19 overgelegde betalingsoverzicht van de Rabobank met volgnummer 0608, bladnummer 003, blijkt dat [eiser] dit bedrag op 27 oktober 2019 heeft betaald.

4.12.

Nu vaststaat dat [eiser] het volledige bedrag heeft voldaan, dient de bewindvoerder de helft van € 24,00, zijnde € 12,00, aan [eiser] te voldoen.

* Huurtoeslag/Kgb 2017 ad € 12,00

4.13.

[eiser] heeft ter comparitie toegezegd dat hij een betalingsbewijs zal verstrekken waaruit blijkt dat hij het bedrag van € 12,00 heeft betaald. Uit het door [eiser] als productie 19 overgelegde betalingsoverzicht van de Rabobank met volgnummer 0614, bladnummer 0001, blijkt dat [eiser] dit bedrag op 21 april 2020 heeft betaald.

4.14.

Nu [eiser] het volledige bedrag heeft voldaan, dient de bewindvoerder de helft van € 12,00, zijnde € 6,00, aan [eiser] te voldoen.

* Schuld broer de heer [eiser] 2017 ad € 600,00

4.15.

Partijen zijn het met elkaar eens dat er een schuld van € 600,00 bestaat aan de broer van [eiser] . [eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hij op 2 maart 2020 en op

11 april 2020 telkens een bedrag van € 100,00 aan zijn broer heeft overgemaakt, en in de maand mei een bedrag van € 200,00. Voorts heeft [eiser] ter comparitie toegezegd dat hij het resterende bedrag van € 200,00 in juni en juli 2020 zal betalen.

4.16.

De rechtbank stelt vast dat de betalingen van 2 maart 2020 en 11 april 2020 van telkens € 100,00 blijken uit productie 18 van [eiser] . Uit het door [eiser] als productie 19 overgelegde betalingsoverzicht van de Rabobank met volgnummer [nummer ] , bladnummer 0002, blijkt dat [eiser] een bedrag van € 200,00 op 27 mei 2020 aan zijn broer heeft voldaan. Productie 19 bevat geen bankafschriften over de maanden juni en juli 2020 aan de hand waarvan de rechtbank kan vaststellen dat ook het resterende bedrag van
€ 200,00 is afgelost door [eiser] aan zijn broer.

4.17.

Op dit moment kan de rechtbank slechts vaststellen dat [eiser] van de schuld van € 600,00 inmiddels € 400,00 heeft voldaan. De bewindvoerder dient het bedrag dat [eiser] meer dan zijn aandeel van € 300,00 heeft voldaan, te weten een bedrag van
€ 100,00, aan [eiser] te voldoen. Voor dat bedrag zal de rechtbank een veroordeling uitspreken.

4.18.

Als [eiser] na het wijzen van dit vonnis met betalingsbewijzen aan de bewindvoerder kan aantonen dat hij ook het resterende bedrag van € 200,00 voldaan heeft aan zijn broer en hij daardoor de hele schuld heeft afgelost, zal de bewindvoerder op grond van artikel 6:10 lid 2 BW nog € 300,00 - € 100,00 = € 200,00 aan [eiser] moet voldoen. Partijen zullen dit zelf met elkaar moeten afwikkelen.

* Huwelijkse schuld CZ ad € 2.730,36

4.19.

Partijen zijn het er over eens dat [eiser] een bedrag van € 1.043,05 op de huwelijkse schuld heeft afgelost. Nu [eiser] zijn deel van de schuld nog niet volledig heeft voldaan, heeft hij nog geen regresvordering op de bewindvoerder. Immers, [eiser] heeft pas een regresvordering op de bewindvoerder indien en voor zover hij meer dan zijn aandeel in de huwelijkse schulden heeft voldaan. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.20.

Ook voor deze vordering geldt dat [eiser] zodra hij meer dan zijn aandeel voldaan heeft, zich met betalingsbewijzen waaruit dit blijkt tot de bewindvoerder kan wenden.

4.21.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de bewindvoerder om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 611,66,

5.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2020.1

1 type: AP