Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:10006

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
AWB/ROE 19/3292
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor vijfsterrenhotel in Maastricht in afwijking van bestemmingplan. Beroep ziet op privaatrechtelijke belemmeringen, privacy, schaduwwerking, (verkeers)geluid, parkeren vormvrije mer-beoordeling, omgevingsverordening en het vijfsterren plus-concept. Beroep ongegrond. Zaak hangt samen met de zaken in de uitspraken 19/3309 ECLI:NL:RBLIM:2020:10003, 19/3322 ECLI:NL:RBLIM:2020:10002, 19/3290 en 19/3307 ECLI:NL:RBLIM:2020:10005 en 19/3213 ECLI:NL:RBLIM:2020:10004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/3292

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Rijsterborgh),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigden: mr. M.E.J.M. Vorstermans en M.M.E. Carta).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te [vestigingsplaats]

(gemachtigden: mr. D. Korsse en mr. J.A.M.A. Sluysmans).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij (hierna: vergunninghouder) omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een vijfsterrenhotel aan de [adres 1] en de [adres 2] te [plaats] .

Eiser hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghouder heeft een reactie op eisers beroep ingediend. Bij brief van 11 november 2020 heeft eiser zijn beroep nader toegelicht en enkele nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is vertegenwoordigd door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en bijgestaan door mr. D. Korsse.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiser woont aan de [adres 3] en is eigenaar van deze woning. Vergunninghouder heeft op 20 juli 2018 en 18 februari 2019 aanvragen ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een vijfsterrenplus-hotel met 56 kamers aan de [adres 1] en doorlopend naar de [adres 2] (hierna: het bouwplan). Op het bouwplan rust op grond van het bestemmingsplan “Centrum”, vastgesteld op 21 mei 2013 (hierna: bestemmingsplan) deels de bestemming ‘Centrum’ en deels de bestemming ‘Wonen’. Het bouwplan is in strijd met deze bestemmingen, omdat nieuwvestiging van een hotel niet is toegestaan, nieuwbouw ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ niet is toegestaan en de toegestane goothoogte wordt overschreden. Het huidige pand aan de [adres 1] is een rijksmonument en de huidige panden aan de [adres 2] zijn gemeentelijke monumenten. Het perceel ligt in een beschermd stadsgezicht. Het bouwplan houdt (onder meer) in dat het pand aan de [adres 1] wordt gerestaureerd, dat de panden aan de [adres 2] worden gesloopt en dat er een toren wordt gebouwd, met daarin hotelkamers. Op 22 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Maastricht ten behoeve van verlening van de omgevingsvergunning een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten (ver)bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)), slopen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder g en/of h van de Wabo), het wijzigen/herstellen van een beschermd monument dan wel het slopen van een beschermd monument (artikel 2.1, eerste lid, onder f of artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo) en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo).

Aanvulling beroepsgronden

3. Bij brief van 11 november 2020, dus relatief kort voor de zitting, heeft de (nieuwe) gemachtigde van eiser het aantal beroepsgronden substantieel uitgebreid. Verweerder heeft ter zitting aangegeven zich daardoor (enigszins) belemmerd te voelen in zijn proceshouding. Gelet op de aard van de beroepsgronden en het gegeven dat de nadere gronden meer dan tien dagen voorafgaand aan de zitting zijn ingediend, acht de rechtbank het meenemen van de aanvullende beroepsgronden in deze procedure niet in strijd met de goede procesorde. De nieuwe beroepsgronden zijn deels al aangevoerd in de andere beroepen tegen het bestreden besluit, zodat verweerder hierover reeds een standpunt heeft kunnen innemen en de overige beroepsgronden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig complex dat de andere partijen hierdoor worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of dat de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

Evidente privaatrechtelijke belemmering?

4. Volgens eiser is sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering, omdat het bouwplan in strijd is met de in een notariële akte van 19 mei 1992 vastgelegde erfdienstbaarheid tussen eiser en de toenmalige eigenaar van het pand [adres 1] (LIOF). In die akte wordt volgens eiser voorzien in de voorwaardelijke toestemming van eiser aan LIOF om een verbinding te realiseren van het pand naar eventuele toekomstige eigendommen in de [straat 1] via haar tuin. In ruil daartoe verleent LIOF toestemming voor de door eiser gerealiseerde ramen in de zijgevel van eisers pand. Het voorwaardelijke karakter van eisers toestemming ziet erop dat het bouwwerk dat moet voorzien in de bedoelde verbinding, niet hoger wordt dan 2,5 meter. Voor verbouwing die deze hoogtegrens overschrijdt, is door eiser geen toestemming verleend, aldus eiser. De ter plaatse voorziene lobby zal een hoogte van circa 3,5 meter hebben, hetgeen in strijd is met de akte. Deze hoogte zal tot gevolg hebben dat de gehele raampartij dichtgemetseld zal worden, wat eveneens in strijd is met de akte, omdat daarin enkel wordt uitgegaan van het dichtmetselen van de beneden ramen. Deze belemmering is evident, omdat deze zonder nader onderzoek, op grond van de akte, kan worden vastgesteld.

5. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraak van 4 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2618), is voor de bestuursrechter slechts aanleiding om te oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning (met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo) in de weg staat, wanneer deze belemmering evident is. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. De aanwezigheid van een zakelijk recht, zoals een erfdienstbaarheid, is in beginsel voor de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning niet doorslaggevend. Dit is slechts anders indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het bouwplan leidt tot strijd met de zakelijke rechten en tevens vaststaat dat niet tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan (uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3721).

6. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan verlening van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

6.1.

Niet betwist is dat de erfdienstbaarheid c.q. hetgeen is afgesproken zoals vastgelegd in de notariële akte er niet aan in de weg staat dat de tuin tussen de panden [adres 3] en [adres 1] , waarop eisers ramen uitkijken, bebouwd mag worden tot een hoogte van circa 2,50 meter.

Volgens vergunninghouder en verweerder wordt niet, zoals door eiser gesteld, voorzien in de voorwaardelijke toestemming van eiser aan LIOF om een verbinding te realiseren van het pand naar eventuele toekomstige eigendommen in de [straat 1] via haar tuin, maar heeft eiser toestemming gekregen om ramen in de zijgevel van zijn woning te plaatsen. De ramen mogen niet in de weg staan aan het realiseren van bebouwing tot ongeveer 2,5 meter hoog.

Uit de tekst van de akte leidt de rechtbank inderdaad, conform het door vergunninghouder en verweerder gestelde, af dat de afspraken zijn geïnitieerd door eiser die voornemens was ramen in de zijgevel van zijn pand te maken die uitzicht hebben op de tuin van LIOF, waarvoor toestemming wordt gevraagd aan LIOF. LIOF heeft deze toestemming gegeven onder de voorwaarde dat bebouwing van (een deel van) de tuin van LIOF tot een hoogte van circa 2,50 meter mogelijk blijft. Een en ander houdt in dat LIOF en diens rechtsopvolgers de ramen van eiser, zoals omschreven in de akte, moeten dulden en dat eiser bebouwing in de tuin van LIOF, zoals omschreven in de akte, tot een hoogte van circa 2.50 meter moet dulden. Uit de akte volgt, in tegenstelling tot wat eiser stelt, naar het oordeel van de rechtbank niet, althans niet evident, dat LIOF of diens rechtsopvolgers niet hoger mogen bouwen dan circa 2.50 meter.

6.2.

Tussen vergunninghouder en eiser bestaat tevens discussie over de vraag of de omgevingsvergunning in strijd is met de erfdienstbaarheid omdat door het bouwplan eisers ramen worden dichtgemetseld. In de akte is hierover aangegeven dat de benedenramen dienen te worden uitgevoerd als vast (niet te openen) raam met uitzondering van een bovenlicht als klepraam en dat LIOF de bevoegdheid heeft om, als zij tot bebouwing in de tuin overgaat, de benedenramen dicht te laten metselen. Verder is in de akte vastgelegd dat eiser zich verplicht om het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen, alsmede het aanvragen van benodigde vergunningen daarvoor, op geen enkele wijze te zullen verhinderen of belemmeren.

Eiser stelt dat de verbinding 3,5 meter hoog wordt, waardoor ook de bovenramen op de verdieping verdwijnen. Vergunninghouder is echter van mening dat door het bouwplan enkel de benedenramen op de begane grond verdwijnen, zodat de bovenramen blijven bestaan. De vraag wat precies met de benedenramen wordt bedoeld in de akte en de vraag wat hierover tussen partijen precies heeft te gelden mede in relatie tot onderhavig bouwplan, vergt naar oordeel van de rechtbank nader onderzoek dat is voorbehouden aan de burgerlijke rechter. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de erfdienstbaarheden een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter opleveren die in de weg stond aan het verlenen van de omgevingsvergunning. Zonder nader onderzoek kan immers niet worden vastgesteld dat de bebouwing in strijd is met de akte. Als hier al sprake van is, dan staat bovendien niet vast dat niet tot opheffing of wijziging van de akte kan worden overgegaan.

6.3.

Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat de bebouwing ingevolge onderhavige omgevingsvergunning evident in strijd is met het burenrecht of anderszins in de weg wordt gestaan door een evidente privaatrechtelijke belemmering. Het betoog van eiser slaagt dus niet.

Privacy, schaduwwerking en (stem)geluid

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn woon- en leefklimaat in onevenredige mate wordt benadeeld door de schaduwwerking van de in het plan voorziene twintig meter hoge toren, door de aantasting van zijn privacy vanwege het feit dat hotelgasten vanuit de raamopeningen in de lifthal van de toren ongehinderd zicht hebben op zijn tuin en door het stemgeluid van gasten die zich mogelijk in de ‘binnentuin’ van het hotel bevinden. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat eisers woon- en leefklimaat hierdoor op dit punt niet onevenredig benadeeld wordt, aldus eiser. In de bouwtekeningen zijn namelijk geen privacyschotten ingetekend. Uit de door eiser gemaakte bezonningsstudie blijkt, anders dan verweerder stelt, dat de toren op 15 maart eisers tuin vanaf de late ochtend grotendeels in de schaduw legt. Voorts is in deze bezonningsstudie volgens eiser de verhoging van de erfafscheiding buiten beschouwing gebleven.

8. De rechtbank stelt het volgende voorop. Het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo voor een project dat in strijd is met het bestemmingsplan is een bevoegdheid van verweerder. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder dient bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan de belangen af te wegen, waarbij het beleidsruimte heeft. De bestuursrechter dient zich te beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (zie bijvoorbeeld uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1532).

9. Over bezonning en schaduwwerking overweegt de rechtbank als volgt.

9.1.

In het kader van de aanvraag is door de AMA group, associated architects bv, een bezonningsstudie “Grand hotel Maastricht” van 23 juli 2019 verricht, waaruit blijkt dat het bouwplan in juni geen invloed heeft op de bezonning van eisers perceel en dat er in maart eerst vanaf 14:00/15:00 uur schaduw is bij eisers woning op het achter terrein. De resultaten van deze studie maken onderdeel uit van het bestreden besluit. Verweerder stelt zich, naast verwijzing naar deze bezonningsstudie, op het standpunt dat de toren niet direct geprojecteerd is naast eisers tuin, maar op een afstand van 9,19 meter op het breedste punt en 8,85 meter op het smalste punt ten zuiden van eisers tuinmuur. Hiermee wordt de verminderde licht- en zonlicht inval in de tuin van eiser tot een minimum beperkt. Dit geldt zeker in het voorjaar en de zomer, bij uitstek de periode van het jaar waarop eiser buiten van zijn tuin wil en kan genieten.

9.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1272, overweegt de rechtbank dat voor de bezonning van woningen geen wettelijke normen bestaan. Dat neemt echter niet weg dat in het kader van een omgevingsvergunning een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en dus ook bij voldoende zonlichttoetreding c.q. beperking van schaduwhinder.

9.3.

De rechtbank stelt vast dat, naar ter zitting is gebleken, verweerder niet betwist dat eiser op 15 maart vanaf ongeveer 15:00 uur geen, dan wel nauwelijks geen zon meer heeft in zijn tuin, maar stelt dat dit niet afdoet aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde schaduwberekening niet aannemelijk gemaakt dat de bezonningstudie waarop verweerder zich heeft gebaseerd, onjuist of onvolledig is. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de bezonningsstudie van AMA Group is opgesteld door een deskundige architect met toepassing van een computermodel, dat gebruik maakt van een 3D-model van het hotel en de omgeving. Gesteld noch gebleken is dat niet op basis van de exacte geografische positie van het hotel en de daaromheen liggende bouwwerken de schaduw is berekend op de gekozen datum en tijdstippen, rekening houdend met de positie van de zon. Gelet hierop geeft het computermodel een realistisch beeld van de schaduwwerking. Uit de bezonningsstudie blijkt dat er slechts beperkt sprake is van een gewijzigde bezonning als gevolg van het bouwplan en verweerder heeft op basis daarvan geconcludeerd dat dit geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser oplevert. De rechtbank acht deze conclusie niet onredelijk.

De door eiser op 11 november 2020 ingebrachte studie maakt het voorgaande niet anders. Uit deze studie blijkt niet dat de bezonningsstudie die verweerder aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, onjuist is. In de studie is immers niet aangegeven waarom de studie van verweerder niet klopt of wat precies de verschillen zijn tussen beide studies. De studie van eiser bestaat uit een figuur van de bezonning op 15 maart om 15:00 uur in de bestaande situatie en een figuur van de bezonning op deze dag en dit tijdstip in de nieuwe situatie. Er is niet gekeken naar de situatie in het najaar. Onvoldoende inzichtelijk is verder of zowel de bestaande als nieuwe situatie juist zijn weergegeven. Ook is onduidelijk hoe deze bezonningsstudie precies tot stand is gekomen. Bovendien blijkt uit de door eiser overgelegde bezonningsstudie, voor zover op basis daarvan al van een verminderde bezonning ten opzichte van de studie van verweerder moet worden uitgegaan, niet dat sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser. Derhalve heeft verweerder zich, mede onder verwijzing naar de bezonningsstudie, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor de bezonning van het perceel van eiser niet leiden tot een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Voor haar oordeel acht de rechtbank mede van betekenis dat het gebied een stedelijke omgeving betreft. In een dergelijke omgeving mogen andere eisen worden gesteld aan lichtinval en bezonning dan in een minder bebouwde omgeving.

Het betoog van eisers slaagt gelet op het voorgaande niet.

10. Over de gestelde aantasting van de privacy overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat eisers privacy niet onevenredig wordt aangetast. Immers, de 17 hotelkamers in de toren kijken allemaal uit op de binnentuin en bebouwingen behorende bij het hotel. Aan de zijde van eisers tuin zullen de ramen zijn voorzien van blinde schermen die het directe zicht naar de tuin van eiser grotendeels afschermen. De toren komt niet direct (aansluitend) naast eisers tuin, maar op een afstand van ruim 9 meter op het breedste punt en iets minder dan 9 meter op het smalste punt, ten zuiden van eisers tuinmuur. Dat vanuit de lifthal, waar mensen op de lift wachten, (zijdelings) zicht bestaat, maakt niet dat sprake is van een onevenredige aantasting van eisers privacy. Hiervoor geldt ook hetgeen onder 9.3 is overwogen over de stedelijke omgeving, waar enige aantasting van de privacy verwacht mag worden.

11. Over het stemgeluid van het terras stelt de rechtbank vast dat niet betwist is dat verweerder geen omgevingsvergunning heeft verleend voor een terras. In vergunningvoorschrift 9 onder het kopje ‘het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ is bovendien opgenomen dat het gebruik van een buitenterras niet is toegestaan. Gelet hierop heeft verweerder terecht gesteld dat niet te verwachten is dat hotelgasten veelvuldig en lang in de buitenruimte aanwezig zullen zijn en daarnaast is het ook in het belang van vergunninghouder dat vanuit de buitenruimte geen overlast ontstaat voor de omgeving. Indien de buitenruimte wel als terras gebruikt wordt, kan verweerder hierop handhaven, omdat een terras in strijd is met het bestemmingsplan. Voorts is evenmin in geding dat tussen eisers perceel en de buitenruimte bebouwing gelegen is. Deze bebouwing zal zorgen voor een bepaalde demping van het geluid. Voor eventueel toekomstig gebruik als terras is een omgevingsvergunning vereist voor afwijking van het bestemmingsplan. Eisers bezwaren tegen een terras kunnen in een dergelijke procedure aan de orde komen.

12. De rechtbank concludeert dat verweerder de door eiser aangevoerde belangen ((stem)geluid, bezonning en privacy) in voldoende mate heeft meegewogen in het bestreden besluit en zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het woon-en leefklimaat van eiser niet onevenredig wordt aangetast. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat verweerder alle door eiser genoemde aspecten, zo blijkt uit bijlage 2 bij de omgevingsvergunning, heeft betrokken bij de belangenafweging.

Vormvrije mer-beoordeling

13. Eiser stelt zich op het standpunt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D11.2 uit de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: mer). Verweerder heeft niet binnen zes weken na ontvangst van de aanmeldnotitie vormvrije mer besloten of een mer moet worden opgesteld. Tevens heeft verweerder de aanvraag omgevingsvergunning in strijd met artikel 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) in behandeling genomen, omdat bij het indienen van de aanvraag geen afschrift van de beslissing van verweerder op de aanmeldnotitie is gevoegd. Immers, de aanvraag is van 20 juli 2018, terwijl verweerder op 19 maart 2019 heeft beslist dat geen mer hoeft te worden gemaakt. Ook is de beslissing dat geen mer hoeft te worden opgesteld niet ter inzage gelegd, hetgeen in strijd is met artikel 7.17, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Wm.

14. Met eiser stelt de rechtbank vast dat, hoewel vergunninghouder dat betwijfelt, tussen verweerder en eiser niet in geschil is dat in het onderhavige geval sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D11.2 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en dat de drempelwaarde niet wordt gehaald. Tevens is niet betwist dat de beslissing als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid, van de Wm, inhoudende dat geen mer behoeft te worden gemaakt, niet bij de aanvraag is gevoegd. Evenmin is echter in geschil dat verweerder op 19 maart 2019, dus voorafgaand aan het bestreden besluit, een mer-beoordelingsbesluit als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid van de Wm heeft genomen, waarvan kennis is gegeven in de Staatscourant.

Op grond van artikel 7.28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wm laat verweerder wanneer bij het indienen van de aanvraag geen afschrift is gevoegd van de beslissing krachtens artikel 7.17, eerste lid, inhoudende dat geen milieueffectrapport behoeft te worden gemaakt, de omgevingsvergunningaanvraag buiten behandeling. Dat is in dit geval ten onrechte niet gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze schending van artikel 7.28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wm echter worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eiser daardoor niet is benadeeld en het ook niet aannemelijk is dat andere belanghebbenden daardoor zijn benadeeld, nu wel een mer-beoordelingsbesluit is genomen voorafgaand aan het bestreden besluit, waarvan eiser en anderen kennis hebben kunnen nemen. Eiser heeft geen inhoudelijke beroepsgrond over de mer.-beoordeling en het mer-beoordelingsbesluit naar voren gebracht, evenmin als andere belanghebbenden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1986).

Omgevingsverordening Limburg 2014

15. Volgens eiser is de Omgevingsverordening Limburg 2014 (hierna: de Omgevingsverordening) van toepassing op het bouwplan, omdat sprake is van een ruimtelijk plan als bedoeld in de Omgevingsverordening. Een hotel kwalificeert namelijk als een voorziening voor vrijetijdseconomie. Verweerder heeft dit niet onderkend en daardoor niet getoetst aan de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (hierna: POL 2014) en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014 voor de regio Zuid-Limburg. Gelet hierop is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met de Omgevingsverordening en artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

16. In artikel 2.4.6, derde lid van de Omgevingsverordening is bepaald dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg niet voorziet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het Pol 2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014 voor de regio Zuid-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage.

16.1.

De rechtbank overweegt dat niet betwist is dat het bouwplan een voorziening voor vrijetijdseconomie betreft. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan een ruimtelijk plan is in de zin van de Omgevingsverordening. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de ruimtelijke onderbouwing van 11 oktober 2018 deel uitmaakt van de motivering van het bestreden besluit. In paragraaf 2.2.1 (POL 2014) en 2.2.2 (Omgevingsverordening) van de ruimtelijke onderbouwing is het bouwplan getoetst aan het Pol 2014 en de Omgevingsverordening. In paragraaf 2.2.1 van de ruimtelijke onderbouwing is onder meer het volgende opgenomen:

Het plangebied valt in ‘bebouwd gebied’, meer specifiek in ‘stedelijk centrum’. Deze zone is bedoeld voor de grotere binnensteden. Gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de ontwikkelingskracht en uitstraling van Limburg. De accenten liggen op de ontwikkeling van het centrum-stedelijk woonmilieu, bovenregionaal verzorgend centrum voorzieningen en detailhandel, multimodaal bereikbaar en cultuurhistorie. Het gebied beval allerlei functies en is gemengd en stedelijk van aard. De voorgenomen ontwikkeling (…) past in het karakter van het gebied.

In paragraaf 2.2.2 is het volgende opgenomen:

Vanwege de vaststelling van POL 2014 is een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijk beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. (…). Het hoofdstuk Ruimte bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen en die in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van bestemmingsplannen en bepaalde omgevingsvergunningen. Voor de planontwikkeling zijn geen specifieke bepalingen uit de verordening van belang.

16.2.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat voormelde conclusie dat voor de planontwikkeling geen specifieke bepalingen uit de Omgevingsverordening van belang zijn, niet juist is, omdat sprake is van een ruimtelijk plan dat voorziet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie. Dit leidt echter niet tot een gegrond beroep, aangezien verweerder, onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing (paragraaf 2.2.1), wel heeft getoetst aan het POL 2014 en derhalve impliciet ook aan paragraaf 6.4 van het POL 2014. Voorts heeft eiser niet aangegeven met welke thematische principes het bouwplan in strijd zou zijn en heeft hij enkel, zonder enige nadere onderbouwing, gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met de Omgevingsverordening. Wat betreft de bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014 voor de regio Zuid-Limburg, overweegt de rechtbank dat onder punt 1 onder het kopje ‘Afspraken over vrijetijdseconomie’ in de bestuursafspraken is bepaald dat gemeenten en provincie samenwerken bij het in een zo vroeg mogelijk stadium begeleiden van en adviseren over initiatieven voor (aanpassing van) ruimtelijke plannen voor vrijetijdseconomie. Daarbij hoort het (sub)regionaal afstemmen van initiatieven voor vestiging, uitbreiding of doorontwikkeling van dag- of verblijfsrecreatieve voorzieningen. In dit verband heeft vergunninghouder ter zitting onweersproken verklaard dat de betreffende samenwerking heeft plaatsgevonden middels de Themagroep Vrijetijdseconomie van het samenwerkingsverband, die op 11 december 2018 positief heeft geadviseerd over het bouwplan. Het betoog van eisers slaagt gelet op het voorgaande niet.

Vijfsterren plus-concept

17. Eiser stelt dat het vergunningvoorschrift dat ervoor dient te zorgen dat het hotel voldoet aan het vijfsterren plus-concept, niet handhaafbaar is, omdat deze uitblinkt in vage, populaire en niet nader omschreven termen. Verder mist eiser een hard vergunningvoorschrift inhoudende dat enkel een vijfsterren plus-concept ter plaatse zal worden geëxploiteerd. Ook constateert eiser dat in paragraaf 5.1 van de haalbaarheidsstudie wordt gesteld dat het hotel geen restaurant heeft, terwijl uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat dit wel het geval is. Volgens eiser is onduidelijk wat deze koerswijziging voor de economische uitvoerbaarheid van het hotel betekent.

18. De rechtbank overweegt dat verweerder medewerking verleent aan het aangevraagde hotel omdat dit een hotel betreft in een luxe segment waaraan volgens verweerder en vergunninghouder in Maastricht behoefte is. Verweerder heeft om te waarborgen dat daadwerkelijk een dergelijk hotel wordt gerealiseerd, diverse voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden. Eiser komt op voor zijn belangen als omwonende die betrekking hebben op uitzicht, lichtinval/bezonning/schaduwwerking en overlast als gevolg van de bouw van het hotel. In het kader van deze belangen zijn de functie (hotel) en bouwmassa relevant, maar niet het segment van het hotel. De rechtbank begrijpt eisers stelling daarom zo dat, nu volgens eiser niet gegarandeerd kan worden dat een hotel in het topsegment wordt gerealiseerd, er onvoldoende behoefte is aan het hotel en dat daarom de omgevingsvergunning niet verleend had kunnen worden. Voor zover de beroepsgrond anders moet worden uitgelegd, geldt dat eiser niet in zijn belangen wordt geschaad wanneer een minder luxe hotel gerealiseerd zou worden.

19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder genoegzaam heeft onderbouwd dat sprake is van een behoefte aan het door aanvrager beoogde en aangevraagde hotel, op basis van de stukken die daarover bij de vergunningaanvraag zijn gevoegd.

20. Over de vraag of verweerder voldoende gewaarborgd heeft dat alleen een hotel in het betreffende luxe segment (een vijfsterrenhotel) gerealiseerd kan worden op grond van de omgevingsvergunning, overweegt de rechtbank het volgende. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het aangevraagde vijfsterrenhotel, waarbij voorschriften zijn opgenomen waardoor vergunninghouder wordt verplicht het hotel te exploiteren conform de conceptuele uitgangspunten, zoals aangegeven in de aanvraag en ruimtelijke onderbouwing, zijnde een luxury upscale ingericht hotel in het absolute vijfsterren plus-segment. Deze uitgangspunten mogen blijkens voorschrift 6 (onder Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening) na realisatie niet worden veranderd en vergunninghouder moet in de eerste vijf boekjaren jaarlijks rapporteren over de wijze waarop hij invulling geeft aan het concept van specifiek hoogwaardig niveau (minstens vergelijkbaar met een vijfsterren-niveau). Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze voorwaarden objectief toetsbaar, handhaafbaar en waarborgen zij voldoende dat een hotel in het topsegment gerealiseerd wordt. De term ‘luxury (upper) upscale’ is in de betreffende branche een gebruikelijke term om het hoogste segment aan te duiden. De minimale oppervlakte van de kamers is in de voorschriften neergelegd en aangegeven is dat het interieur van de kamers moet voldoen aan ‘de hoogste kwaliteits- en designeisen, high tech voorzieningen, niveau luxury upper upscale’. Daarnaast worden concrete eisen gesteld aan de vergader- en congresfaciliteiten en de bar- en ontbijtvoorzieningen. Ook is permanente valet parking verplicht. Hoewel diverse van de gebruikte termen ruimte geven voor interpretatie en daarmee een bepaalde marge bieden, is het geheel aan voorschriften, in combinatie met de verplichte rapportage door vergunninghouder (zoals voorgeschreven in voorschrift 7) naar het oordeel van de rechtbank voldoende om een hotel te beschrijven en een hotel te waarborgen dat zich in het beoogde topsegment bevindt.

Bovendien heeft vergunninghouder aangegeven dat de kosten hem ertoe dwingen om een vijfsterrenhotel te gaan exploiteren, welke onweersproken stelling de rechtbank niet onredelijk overkomt. In de voorschriften is immers ook bepaald dat het prijsniveau moet aansluiten bij het hoge kwaliteitsprofiel, welk voorschrift objectief meetbaar en toetsbaar is en de exploitatie van een kwalitatief minder goed hotel feitelijk vrijwel onmogelijk maakt.

Tevens heeft vergunninghouder ter zitting onweersproken verklaard dat hij een overeenkomst heeft met ‘The Leading Hotels of the World ltd. (LHW)’, waarvan het lidmaatschap enkel wordt verleend indien sprake is van een hotel in het absolute topsegment.

Dat in paragraaf 5.1 van de haalbaarheidsstudie wordt gesteld dat het hotel geen restaurant heeft, terwijl uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat dit wel het geval zou zijn, maakt dit niet anders. In de haalbaarheidsstudie wordt uitgegaan van een bar-lounge concept, zoals ook omschreven in de voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden (en geen eigen restaurant omdat de beoogde hotelgasten zich vooral zullen richten op sterrenrestaurants in de omgeving). Dat in de ruimtelijke onderbouwing wordt gesproken over een restaurant in de paragraaf over de vormgeving van het gebouw, maakt niet dat in de haalbaarheidsstudie of in de ruimtelijke onderbouwing van een onjuiste functionele invulling wordt uitgegaan. Verder kan niet gesteld worden dat de haalbaarheidsstudie op dit punt onjuist is. Het betoog van eiser slaagt gelet op het voorgaande niet.

Verkeersgeluid

21. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat op het gebied van geluid sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiertoe stelt eiser dat vergunningvoorschrift 8 onduidelijk en niet in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het akoestisch onderzoek. Vergunninghouder heeft immers geen zeggenschap over hoe derden hun bedrijfsprocessen inrichten en welk materiaal zij daarbij gebruiken. In het akoestisch onderzoek is als uitgangspunt maximaal 3 bevoorradingen per dag gehanteerd, terwijl in het vergunningvoorschrift wordt uitgegaan van gemiddeld 3 bevoorradingen per dag.

22. In vergunningvoorschrift 8 (onder Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening) staat dat uitgangspunt is dat laden en lossen aan de zijde van de [straat 1] plaatsvindt. De maatregelen om geluidhinder te minimaliseren zijn ingevolge dit voorschrift: laden en lossen gemiddeld 3x per dag, toepassing van venstertijden voor laden en lossen tussen 9 en 11 uur, alleen gebruik van reguliere bestelbussen en gebruik van steekwagens en karretjes met rubberen wielen. De rechtbank acht deze voorschriften niet onredelijk en acht deze uitvoerbaar en handhaafbaar, ook al vereist dit deels afspraken met derden. Dat het akoestisch onderzoek uitgaat van maximaal 3 bevoorradingen per dag acht de rechtbank niet onjuist nu in het akoestisch onderzoek immers een reëel worstcasescenario moet worden gehanteerd en niet onaannemelijk is dat er geen grote uitschieters zullen zijn door het voorgeschreven gemiddelde van drie bevoorradingen per dag in combinatie met de venstertijden.

Parkeren

23. Eiser heeft aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het artikel 3.1 van het facetbestemmingplan ‘Parkeren Maastricht’, aangezien het aangaan van contracten om op die manier te voorzien in voldoende parkeerplaatsen, onvoldoende borging biedt om te voldoen aan dit artikel, nu een dergelijk contract opzegbaar is en eiser juridisch machteloos staat indien het contract niet wordt nagekomen. Ten tijde van het bestreden besluit was er geen geldige intentieverklaring, noch een daadwerkelijke overeenkomst voor de parkeerabonnementen, waardoor volstrekt onduidelijk is of voldaan kan worden aan de parkeernorm. Tevens is bij de bepaling van de parkeervraag geen rekening gehouden met de parkeerbehoefte van het personeel, leveranciers en bezoekers van het restaurant die niet in het hotel verblijven, alsmede de personen in de drie “bovenregionale congres- en vergaderruimten” die geschikt zijn voor 10 tot 50 personen. De omgevingsvergunning bevat evenmin voorschriften die tot bestuursrechtelijke handhaving kunnen leiden.

24. De rechtbank stelt vast dat in artikel 3.2 van het ‘Facetbestemmingplan parkeren Maastricht’ staat dat sprake is van voldoende parkeergelegenheid indien voldaan wordt aan de ‘Parkeernormen Maastricht 2017’, met inbegrip van de daarin opgenomen afwijkingsmogelijkheden. Hierin is opgenomen dat vrijstelling kan worden verleend van de voorwaarde dat de aanleg van parkeerplaatsen op eigen terrein dient te gebeuren, indien op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat vergunninghouder met de verwijzing naar de brief van 11 oktober 2018 van Q-park Operations Netherlands B.V., voldoende heeft aangetoond dat aan deze voorwaarde zal worden voldaan, omdat daaruit blijkt dat vergunninghouder 55 abonnementen afneemt voor de parkeergarage De Griend te Maastricht. Daar komt bij dat in vergunningvoorschrift 11 van de omgevingsvergunning (bij Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening) het volgende is opgenomen:

Conform de gemeentelijke parkeernormen dient de ontwikkelaar te voldoen aan de volledige parkeereis, inhoudende één parkeerplaats per hotelkamer. Omdat het niet mogelijk is deze parkeerplaatsen te realiseren binnen het exploitatiegebied dient de exploitant van het hotel vóór ingebruikname van het hotel een langjarige overeenkomst van minimaal 10 jaar aan te gaan inzake de inkoop van waardekaarten bij een parkeergarage in de directe omgeving van het hotel. Het hotel biedt 24 uur per dag, 7 dagen in de week een valet-service aan alle gasten van het hotel. In de [straat 2] worden twee valetplaatsen voorzien. De exploitant van het hotel zal er organisatorisch voor zorgdragen dat deze twee parkeerplaatsen voldoende zijn. (…). De exploitant van het hotel zorgt voor de verplaatsing van het voertuig naar de definitieve parkeerplaats (bij het inchecken) en van de definitieve parkeerplaats naar de valetplaats (bij het uitchecken)”.

Gelet op dit voorschrift is naar het oordeel van de rechtbank voldoende geborgd dat de beoogde contracten ook daadwerkelijk voor de ingebruikname van het hotel moeten zijn afgesloten. Mocht dit niet het geval zijn, dan is bovendien geborgd dat hiertegen handhavend kan worden opgetreden. Met de parkeerplaatsen in de nabij gelegen parkeergarage en de valetservice van en naar deze parkeergarage is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd dat sprake is van voldoende parkeerplaatsen voor het hotel. Door eisers is verder niet aannemelijk gemaakt dat het aantal van twee valetplaatsen in de [straat 2] onvoldoende is, mede gelet op voornoemd voorschrift dat vergunninghouder (bijvoorbeeld door inzet van voldoende personeel) verplicht ervoor te zorgen dat dit aantal voldoende is om de auto’s van de met dit vervoermiddel arriverende gasten te ‘verwerken’. Het betoog van eisers slaagt dus niet.

Tekeningen

25. Eiser stelt dat de in de bouwtekeningen geen doorsnedes zijn opgenomen van de twee liftschachten en de overige installaties. Dit geeft volgens eiser te denken of dit soort aspecten reeds beoordeeld zijn bij het bestreden besluit.

26. De rechtbank overweegt dat eiser in zijn zienswijze geen bezwaren heeft geuit tegen de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Dit betekent dat deze beroepsgrond, op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet inhoudelijk kan worden behandeld. De omgevingsvergunning voor bouwen betreft immers een apart besluitonderdeel. Voor zover er toch van zou moeten worden uitgegaan dat eisers zienswijze ook gericht was tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, overweegt de rechtbank ten overvloede dat de beroepsgrond betrekking heeft op het Bouwbesluit 2012. De rechtbank komt ook dan niet aan de inhoudelijke beoordeling hiervan toe, omdat het, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. De normen uit het Bouwbesluit 2012 waarop eiser een beroep doet, strekken kennelijk niet tot bescherming van zijn belangen. Die regels strekken tot bescherming van de toekomstige gebruikers van het hotel en niet tot bescherming van anderen zoals eiser. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2143).

Conclusie

27. Het beroep van eiser is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ongegrond.

28. Gelet op de naar aanleiding van het beroep geconstateerde gebrek in het bestreden besluit (zie r.o. 14) ziet de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Eveneens ziet de rechtbank hierin aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

29. Tegen het bestreden besluit zijn naast onderhavig beroep ook andere beroepen ingediend die op dezelfde dag ter zitting zijn behandeld. Het betreft de zaken AWB/ROE 19/3307, 19/3309, 19/3290 en 19/3322 (alsmede AWB/ROE 19/3213, waarin het beroep zich met name richt tegen de verklaring van geen bedenkingen). De beroepen in die zaken zijn bij uitspraken van vandaag eveneens ongegrond verklaard. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2020.

rechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de rechtbank van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.