Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:10002

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
AWB/ROE 19/3322
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor vijfsterrenhotel in Maastricht in afwijking van bestemmingplan. Beroepsgronden zien op nieuwe stukken na terinzagelegging ontwerp-besluit, vraag of vergunninghouder belanghebbende is, duurzame verstedelijking, borging van vijfsterren plus-kwalificatie, parkeren, de verrichte belangenafweging, bezonning, het woonbeleid, sloop, de dienstenrichtlijn, stikstof en financiële aspecten. Beroep ongegrond. Zaak hangt samen met de zaken in de uitspraken 19/3309 ECLI:NL:RBLIM:2020:10003, 19/3292 ECLI:NL:RBLIM:2020:10006, 19/3290 en 19/3307 ECLI:NL:RBLIM:2020:10005 en 19/3213 ECLI:NL:RBLIM:2020:10004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/3322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2020 in de zaak tussen

Boutique Hotel Fem B.V. h.o.d.n. Fitz Roy Urban Hotel t.h.o.d.n. Boutique Hotel Fem, te Maastricht, [eiseres 2] , [eiser 3] en [eiser 4], te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: C.H.P. Hendrix),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigden: mr. M.E.J.M. Vorstermans, M.M.E. Carta en S. Hendricks).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te [vestigingsplaats]

(gemachtigden: mr. D. Korsse en mr. J.A.M.A. Sluysmans).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij (hierna: vergunninghouder) omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een vijfsterrenhotel aan de [adres 1] en de [adres 2] te [plaats] .

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben op 12 november 2020 aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020.

[naam 1] is verschenen namens Boutique hotel Fem B.V. en is bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is vertegenwoordigd door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] en bijgestaan door mr. D. Korsse.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Boutique hotel Fem B.V. is exploitant van een hotel gelegen aan [adres 3] te [plaats] . De overige eisers zijn eigenaren van het pand aan de [adres 3] en/of het pand aan de [adres 4] . Vergunninghouder heeft op 20 juli 2018 en 18 februari 2019 aanvragen ingediend voor omgevingsvergunning voor het realiseren van een vijfsterren plus-hotel met 56 kamers aan de [adres 1] en doorlopend naar de [adres 2] (verder: het bouwplan). Op het bouwplan rust op grond van het bestemmingsplan “Centrum”, vastgesteld op 21 mei 2013, (hierna: bestemmingsplan) deels de bestemming ‘Centrum’ en deels de bestemming ‘Wonen’. Het bouwplan is in strijd met deze bestemmingen, omdat nieuwvestiging van een hotel niet is toegestaan, nieuwbouw ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ niet is toegestaan en de toegestane goothoogte wordt overschreden. Het huidige pand aan de [adres 1] is een rijksmonument en de huidige panden aan de [adres 2] zijn gemeentelijke monumenten. Het perceel ligt in een beschermd stadsgezicht. Het bouwplan houdt (onder meer) in dat het pand aan de [adres 1] wordt gerestaureerd, dat de panden aan de [adres 2] worden gesloopt en dat er een toren wordt gebouwd, met daarin hotelkamers. Bij besluit van 22 oktober 2019 heeft de gemeenteraad ten behoeve van verlening van de omgevingsvergunning een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten (ver)bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)), slopen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder g en/of h van de Wabo), het wijzigen/herstellen van een beschermd monument dan wel het slopen van een beschermd monument (artikel 2.1, eerste lid, onder f of artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo) en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo).

Zienswijze

3. Eisers voeren in beroep aan dat verweerder naar aanleiding van de zienswijze een nieuw ontwerpbesluit ter inzage had moeten leggen, omdat de aanvraag aanzienlijk is veranderd. Dit blijkt uit het feit dat er bij het bestreden besluit veel meer bijlagen zijn gevoegd dan bij het ontwerpbesluit.

4. De rechtbank volgt eisers hierin niet, omdat de wijziging in de aanvraag c.q. het bouwplan alleen ziet op het vervallen van het buitenterras. Dit is in het voordeel van eisers en andere omwonenden. De wijziging in de bijlagen betreft de aanpassing en toevoeging van het rapport stikstofdepositie, een aanvulling op de bezonningsstudie en aanpassing van bouwkundige tekeningen in verband met het vervallen van het buitenterras. Deze wijzigingen zijn deels ingegeven door de ingediende zienswijzen (aanpassen bouwplantekeningen met betrekking tot het daarop aanvankelijk aangegeven terras en aanpassing bezonningsstudie) en betreffen verder aspecten die gelet op eisers belangen niet relevant zijn (stikstofdepositie). De aanvullingen in de bijlagen houden bovendien, behoudens het op de bouwtekening niet meer aangeven van een buitenterras, geen wijziging in van het bouwplan of van het voorgenomen gebruik. Het betreft derhalve ondergeschikte wijzigingen en derden zijn door de aanvullingen en wijzigingen gelet op het voorgaande niet benadeeld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:793).

Belanghebbende

5. Eisers voeren aan dat vergunninghouder niet als belanghebbende (bij de aanvraag) kan worden aangemerkt, omdat hij geen eigenaar is van de percelen waarop het bouwplan wordt gerealiseerd.

6. De rechtbank volgt eisers hierin niet, omdat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 7 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2715), volgt dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in beginsel verondersteld wordt belanghebbende te zijn bij een beslissing op de door hem ingediende aanvraag. Dit is anders indien aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Aangezien vergunninghouder de aanvrager is en niet aannemelijk is dat het bouwplan niet kan worden gerealiseerd, is vergunninghouder belanghebbende. Bovendien is onbestreden dat de eigenaar van de percelen waarop het bouwplan wordt gerealiseerd een zusteronderneming is van vergunninghouder en dat de bestuurders en aandeelhouders van vergunninghouder tevens de bestuurders en aandeelhouders zijn van de B.V. die eigenaar is van de percelen.

Duurzame verstedelijking

7. Eisers voeren aan dat getoetst dient te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), althans deze toets is volgens hen onvoldoende/onjuist uitgevoerd. De omgevingsvergunning voorziet niet in een kwantitatieve behoefte aan extra horecaoppervlakte en de haalbaarheidsstudie is volgens eisers incompleet.

8. De rechtbank stelt vast dat eisers en verweerder het erover eens zijn dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dat er dus getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De rechtbank stelt verder vast dat het bouwplan is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Dat betekent dat in het bestreden besluit de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling moet worden beschreven (artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de uitgebreide motivering in het kader van de ‘ladder van duurzame verstedelijking’ wordt beperkt tot nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied (Stb. 2017, nr. 182, p. 12). De Afdeling heeft in de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) overwogen dat zij beoordeelt, indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven en aan de hand daarvan, of de beschrijving van de behoefte in de toelichting, dan wel in de documenten waarnaar in de toelichting ter beschrijving van deze behoefte wordt verwezen, niet zodanig gebrekkig is of zodanige leemten in kennis of dusdanige onjuistheden vertoont dat verweerder zich hierop niet heeft mogen baseren. Hierbij acht de Afdeling van belang of een appellant voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de beschrijving van de behoefte naar voren heeft gebracht.

8.1.

Uitgaande van bovenstaand toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de behoefte aan de ontwikkeling van een vijfsterren plus-hotel is aangetoond in het rapport ‘Maastricht, haalbaarheidsonderzoek 5-sterrenhotel [straat 1] ’ van BRO van 18 december 2017. In dit rapport is op basis van de karakteristieken van het vijfsterren plus-hotel, het aanbod van hotelkamers in Maastricht, de regio Zuid-Limburg en geheel Nederland en het vraagpotentieel, een cijfermatige onderbouwing gegeven van de behoefte aan het hotel. Op basis van die gegevens is de conclusie getrokken dat er een relatief grote marktruimte voor nieuw hotelaanbod in Maastricht is. Er bestaat in Maastricht een distributieve marktruimte voor ca. 2.190 kamers in het hogere marktsegment. Dit betekent (indicatief) een marktruimte van 388 hotelkamers ten opzichte van het huidige aanbod. Ook zijn, ondanks dat het onderzoek geen losstaande SWOT-analyse bevat, in het haalbaarheidsonderzoek de sterke en zwakke punten van het bouwplan beschreven en tegen elkaar afgewogen. Het BRO-rapport is getoetst door ZKA in opdracht van de gemeente Maastricht. Naar aanleiding hiervan is het BRO-rapport bij memo’s van 22 maart 2018 en 28 mei 2018 aangevuld. Deze memo’s zijn als bijlagen bij het BRO-rapport gevoegd. Tevens is niet betwist dat een vergelijkbaar initiatief is vervallen, zodat de markt in het vijfsterren segment nagenoeg hetzelfde is gebleven als in 2015, op het moment dat in de hotelnota is aangegeven dat er ruimte was in het hoogste segment.

8.2.

Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan genoemde in het BRO-rapport beschreven behoefte. De stelling dat in het BRO-rapport is uitgegaan van verkeerde cijfers en onjuiste uitgangspunten, omdat gebruik gemaakt zou zijn van een exploitatiebegroting van vergunninghouder, is daartoe onvoldoende. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de beschrijving van de behoefte in het BRO-rapport niet zodanig gebrekkig is of niet zodanige leemten in kennis of dusdanige onjuistheden vertoont dat verweerder zich hierop niet heeft mogen baseren. Derhalve heeft verweerder voldoende onderbouwd dat er behoefte bestaat aan de voorgenomen ontwikkeling. Het betoog slaagt niet.

Borging vijfsterren plus-kwalificatie

9. Volgens eisers is onvoldoende gewaarborgd dat daadwerkelijk een vijfsterren plus-hotel gerealiseerd zal worden. In de vergunningvoorschriften staat immers niet dat het hotel een vijfsterren-hotel moet zijn. De vergunningvoorschriften bevatten vage termen.

10. De rechtbank overweegt dat een omgevingsvergunning is verleend voor het aangevraagde vijf sterren-hotel. Om te waarborgen dat daadwerkelijk een hotel in het luxe segment, waarvan vesting ter plaatse planologisch aanvaardbaar en gewenst wordt geacht, wordt gerealiseerd zijn aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbonden:

“5. Vergunninghouder is verplicht het hotel te exploiteren conform de conceptuele uitgangspunten zoals aangegeven in de aanvraag, meer in het bijzonder in de ruimtelijke onderbouwing, zijnde een monumentaal, klassiek, en luxury upscale ingericht hotel in het absolute topsegment vijfsterren plus, met historische rijkdom (…). Grand Hotel Maastricht omvat 56 kamers, waarvan 9 Suites met minimaal 50m2 en 47 Prestige kamers van minimaal 35 m2 met een uitvoeringsniveau en interieur welke voldoet aan de hoogste kwaliteits- en design eisen, high tech voorzieningen, niveau luxury upper upscale. Het hotel beschikt over drie bovenregionale congres-, en vergaderruimten geschikt voor 10 tot 50 gasten, welke worden voorzien van de huidige en toekomstige “cutting-edge” technologie en design, een luxury upscale Bar, dat professioneel advies door sommeliers aanbiedt, een exclusieve wijnkaart en een uitgebreide selectie champagnes en gedestilleerd en over een luxury upscale Lounge & Ontbijtconcept. Er is een 24/7 valet parking beschikbaar voor alle gasten. Het prijsniveau sluit aan bij het hoge kwaliteitsprofiel.

6. Deze uitgangspunten mogen na realisatie niet worden veranderd.

7. Vergunninghouder moet in de eerste vijf boekjaren jaarlijks na ingebruikname van het hotel, op specifiek hoogwaardig niveau (minstens vergelijkbaar met een vijfsterren niveau), rapporteren over de wijze waarop hij invulling geeft aan het concept. Vergunninghouder moet in de gewaarmerkte controlerapportage aantonen dat hij het gehele jaar een bij het hoogwaardige niveau passend hoog prijsniveau hanteert, voor zowel de kamers als voorzieningen. (…). Na de eerste vijf boekjaren wordt de controlerapportage op verzoek van de gemeente overlegd.”

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze voorwaarden toetsbaar en handhaafbaar en waarborgen zij voldoende dat het hotel in het topsegment zal worden geëxploiteerd. De term ‘luxury (upper) upscale’ is in de betreffende branche een gebruikelijke term om het hoogste segment aan te duiden. De minimale oppervlakte van de kamers is in de voorschriften neergelegd en aangegeven is dat het interieur van de kamers moet voldoen aan ‘de hoogste kwaliteits- en designeisen, high tech voorzieningen, niveau luxury upper upscale’. Daarnaast worden concrete eisen gesteld aan de vergader- en congresfaciliteiten en de bar- en ontbijtvoorzieningen. Ook is permanente valet parking verplicht. Hoewel diverse van de gebruikte termen ruimte geven voor interpretatie en daarmee een bepaalde marge bieden, is het geheel aan voorschriften, in combinatie met de verplichte rapportage door vergunninghouder (zoals voorgeschreven in voorschrift 7) naar het oordeel van de rechtbank voldoende om een hotel te beschrijven en te waarborgen dat zich in het beoogde topsegment bevindt.

Bovendien heeft vergunninghouder aangegeven dat de kosten hem ertoe dwingen om een vijfsterrenhotel te gaan exploiteren (exploitatie is niet rendabel indien deze niet plaatsvindt op het vijfsterren-niveau), welke onweersproken stelling de rechtbank niet onredelijk overkomt. In de voorschriften is immers ook bepaald dat het prijsniveau moet aansluiten bij het hoge kwaliteitsprofiel, welk voorschrift objectief meetbaar en toetsbaar is en de exploitatie van een kwalitatief minder goed hotel feitelijk vrijwel onmogelijk maakt.

Tevens heeft vergunninghouder ter zitting onweersproken verklaard dat hij een overeenkomst heeft met ‘The Leading Hotels of the World ltd. (LHW)’, waarvan het lidmaatschap enkel wordt verleend indien sprake is van een hotel in het absolute topsegment. Het betoog van eisers slaagt gelet op het voorgaande niet.

Parkeerplaatsen

11. Volgens eisers is onvoldoende gegarandeerd dat wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

12. De rechtbank overweegt dat op grond van het facetbestemmingplan ‘Parkeren Maastricht’, waarin verwezen wordt naar de ‘Parkeernormen Maastricht 2017’, vrijstelling kan worden verleend van de voorwaarde dat de aanleg van parkeerplaatsen op eigen terrein dient te gebeuren, indien op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat vergunninghouder met de verwijzing naar de brief van 11 oktober 2018 van Q‑park Operations Netherlands B.V., voldoende heeft aangetoond dat aan deze voorwaarde zal worden voldaan, omdat daaruit blijkt dat vergunninghouder 55 abonnementen afneemt voor de parkeergarage De Griend te Maastricht. Daar komt bij dat in vergunningvoorschrift 11 (bij Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening) van de omgevingsvergunning het volgende is opgenomen:

Conform de gemeentelijke parkeernormen dient de ontwikkelaar te voldoen aan de volledige parkeereis, inhoudende één parkeerplaats per hotelkamer. Omdat het niet mogelijk is deze parkeerplaatsen te realiseren binnen het exploitatiegebied dient de exploitant van het hotel vóór ingebruikname van het hotel een langjarige overeenkomst van minimaal 10 jaar aan te gaan inzake de inkoop van waardekaarten bij een parkeergarage in de directe omgeving van het hotel. Het hotel biedt 24 uur per dag, 7 dagen in de week een valet-service aan alle gasten van het hotel. In de [straat 1] worden twee valetplaatsen voorzien. De exploitant van het hotel zal er organisatorisch voor zorgdragen dat deze twee parkeerplaatsen voldoende zijn. (…). De exploitant van het hotel zorgt voor de verplaatsing van het voertuig naar de definitieve parkeerplaats (bij het inchecken) en van de definitieve parkeerplaats naar de valetplaats (bij het uitchecken)”.

Gelet op dit voorschrift is naar het oordeel van de rechtbank voldoende geborgd dat de beoogde contracten ook daadwerkelijk voor de ingebruikname van het hotel moeten zijn afgesloten. Mocht dit niet het geval zijn, dan is bovendien geborgd dat hiertegen handhavend kan worden opgetreden. Met de parkeerplaatsen in de nabij gelegen parkeergarage en de valetservice van en naar deze parkeergarage is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd dat sprake is van voldoende parkeerplaatsen voor het hotel. Door eisers is verder niet aannemelijk gemaakt dat het aantal van twee valetplaatsen in de [straat 1] onvoldoende is, mede gelet op voornoemd voorschrift dat vergunninghouder (bijvoorbeeld door inzet van voldoende personeel) verplicht ervoor te zorgen dat dit aantal voldoende is om de auto’s van de met dit vervoermiddel arriverende gasten te ‘verwerken’. Het betoog van eisers slaagt dus niet.

Belangenafweging

13. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat hierin alleen een besluit is genomen ten aanzien van de vraag of afgeweken kan worden van de bestemming “Wonen”. Het bouwplan is echter ook strijdig met het bestemmingsplan vanwege overschrijding van het maximaal toegestane aantal bouwlagen. Tevens is het bouwplan volgens eisers in strijd met de facetbestemmingsplannen “Parkeren”, “Short Stay” en “Woningsplitsing en omzetting”. Hierover heeft verweerder volgens eisers geen belangenafweging gemaakt en geen besluit genomen.

14. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met een (facet)bestemmingsplan berust op een bevoegdheid van verweerder. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder dient bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan de belangen af te wegen, waarbij het beleidsruimte heeft. De rechtbank dient zich te beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (zie bijvoorbeeld uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1532).

15. De rechtbank overweegt dat in de omgevingsvergunning bij de activiteit “handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening”, staat vermeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Daarbij is vermeld dat die strijdigheid ziet op het gebruik van de gronden waarop vergunninghouder het plan wil realiseren. Daarnaast wordt vermeld dat de bestaande goothoogte wordt overschreden. Dat het plan ook in strijd is met het toegestane aantal bouwlagen is niet vermeld. De rechtbank is van oordeel dat dit in het onderhavige geval niet dusdanig zwaarwegend is dat het bestreden besluit hierdoor niet in stand kan blijven. De rechtbank overweegt hiertoe dat gelet op de hoogte van de toren, zoals aangegeven op de bij de vergunning behorende tekeningen, duidelijk is dat het aantal bouwlagen wordt overschreden, ook al is dit als zodanig niet expliciet benoemd in de tekst van het bestreden besluit. Daar komt bij dat in de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de ontwikkeling, inclusief de toren, waarbij is getoetst aan nationaal-, provinciaal- en gemeentelijk beleid, de gevolgen van het bouwplan (inclusief de toren) voor de omgeving zijn beschreven en onderzoek is gedaan naar de sectorale aspecten, zoals archeologie, geluid, cultuurhistorie en verkeer en parkeren. Voorts heeft de Welstands- en monumentencommissie geadviseerd dat het bouwplan voldoet aan de eisen van welstand en hierbij is ook de toren betrokken. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder is uitgegaan van een onvolledige afweging van de afwijkingen van het bestemmingsplan.

16. De rechtbank volgt eisers evenmin in hun verwijzingen naar de facetbestemmingsplannen. Eisers hebben niet (nader) onderbouwd waaruit de strijdigheid met de facetbestemmingsplannen “Short Stay” en “Woningsplitsing en omzetting” bestaat, zodat de verwijzing naar deze plannen alleen hierom al niet kan slagen. Ten aanzien van het facetbestemmingsplan “Parkeren” verwijst de rechtbank naar wat daarover onder 12 is overwogen. Het betoog van eisers slaagt niet.

Bezonning

17. Op 12 november 2020 hebben eisers een ‘schaduwberekening’ en een ‘vergelijking schaduwberekening’ ingediend. Eisers stellen zich op het standpunt dat de door vergunninghouder uitgevoerde schaduwberekening een verkeerde input heeft, omdat de hoogtes niet juist zouden zijn. Tevens stellen zij dat de schaduwberekening is opgesteld door de architect zelf, waardoor het maar de vraag is of sprake is van een onafhankelijk rapport.

18. In het kader van de vergunningaanvraag is een bezonningsstudie “Grand hotel Maastricht” van 23 juli 2019 verricht door de AMA group, associated architects bv om te bepalen welke effecten het bouwplan heeft op de percelen in de buurt van het hotel. Hierbij is de schaduwwerking in kaart gebracht voor verschillende tijdstippen op 15 maart en 15 juni. De resultaten van deze studie maken onderdeel uit van het bestreden besluit.

19. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gevolgen voor de bezonning van de percelen in de omgeving door de plaatsing van het grootste volume aan de zuidkant, ten westen van het midden, tot een minimum zijn beperkt. Zoals het bezonningsdiagram aantoont zijn de gevolgen op de langste dag van het jaar verwaarloosbaar. Met betrekking tot de gemiddelde dagen van het jaar heeft het alleen gevolgen voor [straat 2] 11. Voor de overige panden geldt dat er op zijn hoogst minder dan de helft van het jaar (als er al sprake is van schaduwvorming) minder bezonning is en alleen in het voor- en najaar.

20. Over het betoog van eisers dat de bezonningsstudie van de architect van vergunninghouder niet onafhankelijk is, overweegt de rechtbank dat verweerder bij het besluit over verlening van een omgevingsvergunning ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht de relevante feiten dient vast te stellen en de nodige kennis dient te vergaren over de af te wegen belangen. Daartoe hoeft verweerder echter niet zelf het benodigde onderzoek te doen, maar kan het gebruik maken van onderzoeken die zijn opgesteld door derden, mits het zich ervan vergewist dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De enkele omstandigheid dat de bezonningsstudie in opdracht van vergunninghouder door de architect is uitgevoerd, betekent niet dat het onderzoek om die reden onzorgvuldig is.

21. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:1272) overweegt de rechtbank dat voor de bezonning van woningen geen wettelijke normen bestaan. Dat neemt echter niet weg dat in het kader van een omgevingsvergunning een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dus ook bij voldoende zonlichttoetreding c.q. beperking van schaduwhinder, alsmede de belangen van het nabij gelegen hotel bij voldoende zonlichttoetreding.

22. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers met de door hen overgelegde schaduwberekening niet aannemelijk gemaakt dat de bezonningstudie onjuist is of onvolledig is. Hiertoe overweegt de rechtbank dat ter zitting onweersproken door verweerder is gesteld dat de schaduw als weergegeven in de schaduwberekening van eisers niet het gevolg is van de toren, maar van het naastgelegen pand. Tevens is in de door eisers overgelegde schaduwberekening geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de situatie voor en na realisering van de bouwmassa die de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan mogelijk maakt. Derhalve heeft verweerder zich, mede onder verwijzing naar de bezonningsstudie en overigens ook gelet op de (lichte) TNO-norm, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor de bezonning van de percelen van eisers niet leiden tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat of van de exploitatiemogelijkheden van het hotel. Uit de bezonningsstudie blijkt immers, zoals ook niet is weersproken, dat hetgeen de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan mogelijk maakt, slechts zorgt voor een zeer beperkte schaduwhinder voor eisers en dat geen sprake is van onvoldoende bezonning van percelen of panden in de omgeving (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1182, en 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1515). Voor haar oordeel acht de rechtbank mede van betekenis dat het gebied een stedelijke omgeving betreft. In een dergelijke omgeving mogen andere eisen worden gesteld aan lichtinval en bezonning dan in een minder bebouwde omgeving. Het betoog van eisers slaagt gelet op het voorgaande niet.

Woonbeleid

23. Volgens eisers is het slopen en onttrekken van de woningen aan de [adres 2] in strijd met het woonbeleid van de gemeente Maastricht, omdat op grond van dit beleid het aantal zelfstandige woningen in bepaalde gebieden van het centrum niet mag afnemen.

24. De rechtbank stelt vast dat niet betwist is dat het bouwplan in strijd is met het woonbeleid, omdat op grond van de omgevingsvergunning drie panden met een woonbestemming aan de [straat 2] worden gesloopt en daarna anders worden bestemd. De rechtbank overweegt dat verweerder in het als bijlage 2 van de omgevingsvergunning opgenomen zienswijzenrapport onbetwist heeft gesteld dat de drie panden reeds tientallen jaren feitelijk in gebruik waren als kantoor ten behoeve van het LIOF en derhalve niet als zelfstandige woningen. Verweerder acht strikte toepassing van het beleid in dit geval daarom onredelijk. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen afwijken van het woonbeleid van de gemeente Maastricht. Toepassing van dit beleid zou immers onevenredig zijn gelet op de met het beleid te dienen doelen, nu ten opzichte van de al tientallen jaren feitelijk bestaande gebruik het aantal woningen niet afneemt. Het betoog van eisers slaagt niet.

Belangenafweging sloop

25. Eisers zijn van mening dat er geen belangenafweging is gemaakt ten aanzien van het beschermd stadsgezicht, dat wordt geschaad door de sloop van de als dominant aan te merken panden aan de [adres 2] . Dat is volgens eisers in strijd met de in artikel 21.2.1.1, lid c, van het bestemmingsplan opgenomen bouwregels. Bovendien volgt uit bijlage 2 van het bestemmingplan dat sloop alleen in uitzonderlijke gevallen kan, waarbij rekening moet worden gehouden met de aldaar genoemde richtlijnen. Eisers missen op welke wijze invulling is gegeven aan deze richtlijnen.

26. Niet in geschil is dat de panden aan de [adres 2] als gemeentelijk monument zijn aangewezen. Verweerder heeft in het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning gemotiveerd waarom de sloop is vergund. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat op grond van de richtlijnen “Behoud gaat voor vernieuwen” en “Respect voor historische structuren” het geheel slopen van een gemeentelijk monument (formeel) een strijdigheid tot gevolg zou hebben. Tijdens een op 19 januari 2017 uitgevoerde inspectie van het ex- en interieur van de drie panden heeft verweerder echter geconcludeerd dat de monumentale waarden lager zijn dan gedacht ten tijde van de aanwijzing tot gemeentelijk monument. Ter motivering hiervan heeft verweerder erop gewezen dat de monumentale kwaliteiten en waarden van de panden zeer beperkt tot zelfs verwaarloosbaar zijn. De panden zijn door een verbouwing in 1992 namelijk drastisch gewijzigd, waardoor er geen enkele historische afwerking als zodanig meer in het interieur aanwezig is. Enkel de (Mansarde) kapvorm is als historisch element behouden. Voorts vormt volgens de ruimtelijke onderbouwing het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor het plan. Ook blijkens de historische quickscan door Buro 4 kennen de panden nauwelijks tot geen monumentale waardestelling. In combinatie met de stedenbouwkundige eisen aan de bouwmassa, rechtvaardigt dit volgens verweerder de conclusie dat de bebouwing aan de [straat 2] kan worden vervangen door nieuwbouw zonder afbreuk te doen aan cultuurhistorische aspecten. Gelet hierop heeft verweerder een deugdelijke belangenafweging gemaakt ten aanzien van de sloop. Eisers hebben niet aangegeven waarom deze motivering onvoldoende of onjuist zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de algehele sloop van de panden. Het betoog van eisers slaagt gelet op het voorgaande niet.

Dienstenrichtlijn

27. Het bestreden besluit is volgens eisers verleend in strijd met artikel 14, vijfde lid, van de Europese Dienstenrichtlijn (hierna: Dienstenrichtlijn), omdat enkel economische criteria onvoldoende zijn voor toetreding tot de markt. Voorts is volgens eisers sprake van een branchebeperking omdat er alleen een vijfsterrenhotel mag komen. Dergelijke branchebeperking moet worden getoetst aan de in artikel 15 van de Dienstenrichtlijn opgenomen noodzakelijkheids- en evenredigheidstoets, hetgeen in het bestreden besluit niet is gebeurd. Dit is voor eisers van belang ter voorkoming van de vestiging van een hotel dat geen vijfsterrenhotel is.

28. Gelet op de inhoud en de doelstelling van de Dienstenrichtlijn zoals die volgen uit artikel 1, eerste lid, waarin is bepaald dat deze richtlijn algemene bepalingen ter vergemakkelijking van de uitoefening van de vrijheid van vestiging van dienstverrichters en het vrije verkeer van diensten vaststelt, met waarborging van een hoge kwaliteit van de diensten, is het doel van de Dienstenrichtlijn onder meer het waarborgen van de vrije vestiging van dienstverrichters (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2607). Bij een toetsing aan de Dienstenrichtlijn moet worden beoordeeld of een bepaalde belemmering gerechtvaardigd is.

De belangen van eisers, uitgezonderd behalve Boutique hotel Fem B.V., komen voort uit hun positie als eigenaar van nabijgelegen panden. Zij zijn geen dienstverleners die zichzelf als dienstverrichter in de horeca aldaar willen vestigen. De Dienstenrichtlijn beschermt niet het belang van niet dienstverrichters. Dit betekent dat eisers, behalve Boutique hotel Fem B.V. niet onder de personele beschermingsomvang van de Dienstenrichtlijn vallen. Daarom kent deze richtlijn hun geen rechten toe die zij voor de rechter kunnen afdwingen. Deze drie eisers beroepen zich in dit verband dan ook niet op een belang dat de Dienstenrichtlijn beoogd te beschermen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1295, r.o. 13.5 tot en met 13.8). Het voorgaande betekent dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan verdere inhoudelijke behandeling van deze beroepsgrond van eisers, uitgezonderd Boutique hotel Fem B.V.

Wat betreft Boutique hotel Fem B.V. oordeelt de rechtbank dat haar belang is het tegengaan van het hotel, of, zo er al een hotel komt, het voorkomen dat er een niet vijfsterrenhotel wordt gevestigd. Dit belang is tegengesteld aan het belang dat de Dienstenrichtlijn beoogt te beschermen, nu eisers vestiging van een dienstverrichter beogen tegen te gaan, waarmee de vrijheid van vestiging van diensten juist wordt beperkt. Om te voorkomen dat er een andersoortig hotel dan een vijfsterrenhotel gevestigd wordt, of nadien wordt gevestigd, is de Dienstenrichtlijn niet van belang, maar de omgevingsvergunning. Hierin in gewaarborgd dat er uitsluitend een vijfsterrenhotel gevestigd mag worden. Het betoog faalt.

Stikstofproblematiek

29. Tevens zijn volgens eisers de effecten van de verkeersbewegingen op de stikstofdepositie in naburige Natura-2000 gebieden onvoldoende onderzocht in het stikstofdepositie onderzoek in bijlage 10 bij de ruimtelijke onderbouwing. Binnen een straal van 1 tot 5 kilomater van het plangebied liggen verschillende Natura 2000-gebieden (onder andere Grensmaas, Jekerdal en Sint Pietersberg).

30. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden niet tot een gegrondverklaring van het beroep leiden, omdat het in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde relativiteitsvereiste hieraan in de weg staat. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

31. Met artikel 8:69a van de Awb heeft de wetgever de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin een belanghebbende door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van die belanghebbende.

32. Voor zover eisers met hun verwijzing naar de stikstofproblematiek hebben willen betogen dat de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in de weg staat aan vergunningverlening, overweegt de rechtbank dat de bepalingen van de Wnb strekken ter bescherming van het behoud van natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. De rechtbank verwijst naar de overzichtsuitspraak van de Afdeling over het relativiteitsvereiste van de Afdeling van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706). Uit die uitspraak en bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:729) volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de ingeroepen bepalingen beogen te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Daarvan is hier niet gebleken. Het belang dat Boutique Hotel Fem B.V. heeft betreft een bedrijfseconomisch belang dat losstaat van het belang van behoud en instandhouding van Natura 2000-gebieden. De eigendommen en percelen van eisers liggen in de binnenstad van Maastricht en niet in of in de directe nabijheid van een voor stikstof gevoelig Natura-2000 gebied. De afstand tot de dichtstbijzijnde voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden (Grensmaas en Sint Pietersberg & Jekerdal) is zodanig (circa 2 km) dat niet gezegd kan worden dat dit deel uitmaakt van het woon- en leefgebied van eisers. De percelen van eisers en de relevante Natura 2000-gebieden worden van elkaar gescheiden door bebouwing en infrastructuur en er bestaat geen vrij uitzicht vanuit hun percelen op die gebieden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Natura 2000-gebieden geen deel uitmaken van de directe leefomgeving van eisers. Gelet hierop bestaat geen duidelijke verwevenheid van hun individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, zodat moet worden geoordeeld dat de door eisers ingeroepen normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat er dan ook aan in de weg dat het bestreden besluit als gevolg van dit betoog wordt vernietigd. Daarom ziet de rechtbank af van een verdere inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond.

Financiële aspecten

33. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit niet voldoet aan de voorwaarden om af te zien van het vaststellen van een exploitatieplan (artikel 6.2.1 van het Bro) en dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is geborgd.

34. De rechtbank overweegt dat de exploitatieplanplicht en de vereisten die gelden voor het exploitatieplan (mede) strekken tot bescherming van de belangen van degenen die rechtstreeks met het verhaal van kosten verbonden aan de exploitatie van in het exploitatiegebied opgenomen gronden te maken kunnen krijgen. Dat betreft eigenaren van gronden in het exploitatiegebied. De rechtbank verwijst naar de eerder genoemde overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van de Afdeling van 11 november 2020. Eisers zijn geen eigenaren van de percelen waarop het plan is gelegen en hebben geen grondexploitatieovereenkomst gesloten met de gemeente Maastricht. Artikel 8:69a van de Awb staat er dan ook aan in de weg dat het bestreden besluit als gevolg van dit betoog wordt vernietigd.

35. Wat betreft de stelling van eisers dat de financiële uitvoerbaarheid niet is geborgd, overweegt de rechtbank dat dit niet nader is gemotiveerd. De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen hierover in de ruimtelijke onderbouwing is weergegeven, geen aanleiding voor het oordeel dat het project financieel (of anderszins) niet uitvoerbaar is.

Conclusie

36. Het beroep van eisers is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ongegrond.

37. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

38. Tegen het bestreden besluit zijn naast onderhavig beroep ook andere beroepen ingediend die op dezelfde dag ter zitting zijn behandeld. Het betreft de zaken AWB/ROE 19/3307, 19/3309, 19/3290, en 19/3292 (alsmede AWB/ROE 19/3213, waarin het beroep zich met name richt tegen de verklaring van geen bedenkingen). De beroepen in die zaken zijn bij uitspraken van vandaag eveneens ongegrond verklaard. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2020.

rechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de rechtbank van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.