Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:992

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
07-02-2019
Zaaknummer
7439176 AZ VERZ 18-142
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wwz. Opzegging arbeidsovereenkomst zonder toestemming UWV van werknemer die twee jaar ziek is. Billijke vergoeding afgewezen. Niet aannemelijk dat vernietiging van de opzegging geleid zou hebben tot loonaanspraak. Transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7439176 AZ VERZ 18-142

Beschikking van de kantonrechter van 1 februari 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonend aan de [adres 1] , [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. A.M. Gidding,

tegen

de vennootschap onder firma [verweerder],

gevestigd aan de [adres 2] , [vestigingsplaats] ,

kantoorhoudend aan de [adres 3] , [vestigingsplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde drs. P.J.A.A. Wassen.

Partijen zullen hierna respectievelijk [verzoekster] en [verweerder] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 28 december 2018 ontvangen verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 7

  • -

    het op 24 januari 2019 ontvangen verweerschrift met bijlage A

  • -

    de op 24 januari 2019 van [verzoekster] ontvangen aanvullende bijlage 8

  • -

    het op 25 januari 2019 ontvangen herziene verzoekschrift, met vermeerdering van haar verzoek

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 29 januari 2019 ter gelegenheid waarvan namens [verweerder] een pleitnota is ingebracht.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedag] 1986, is sedert 1 april 2012 in dienst van [verweerder] , aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en sedert 1 april 2015 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, in de functie van taxichauffeur, tegen een loon van laatstelijk € 2.164,86 bruto per maand exclusief vakantiebijslag. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Taxivervoer van toepassing (bijlage 3 verzoekschrift).

2.2.

[verzoekster] heeft zich op 2 november 2016 ziek gemeld.

2.3.

Op 23 juli 2018 bericht [naam medewerksters reïntegratiebedrijf] van het reïntegratiebedrijf ViaWMO aan [verweerder] (bijlage 5 verzoekschrift):

“(…) [verzoekster] heeft bijna het loopbaanonderzoek afgerond en er is een voortgangsrapportage geschreven voor het UWV in het kader van de WIA aanvraag. (…) Zij lijkt vooralsnog grote interesse te hebben in een functie als beveiliger. Ook werkzaamheden als taxichauffeur zou ze passend vinden, mits bij een andere werkgever en binnen een andere regio. Het heeft niets met haar huidige werkgever te maken, daarover vertelt over het algemeen positief. (…)”

2.4.

Na ommekomst van de wachttijd van 104 weken (per 31 oktober 2018) heeft het UWV aan [verzoekster] een WGA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% - 100% (bijlage 4 verzoekschrift).

2.5.

Bij brief van 29 oktober 2018 deelt [verweerder] aan [verzoekster] mee (bijlage 1 verzoekschrift):

“(…) Betreft: ontslag, (…)

Inmiddels bent u 104 weken arbeidsongeschikt. Wij hebben begrepen dat u niet meer voor [verweerder] VOF wilt werken.

Hiermede gaan we accoord en zullen uw dienstverband per 31 oktober 2018 beëindigen. (…)”

2.6.

Kort daarna heeft [verzoekster] een loonspecificatie (oktober 2018) ontvangen van [verweerder] , houdende onder meer de afrekening van € 1.039,13 aan vakantiebijslag, op welke specificatie ook is vermeld: “Datum uit dienst: 30-10-2018” (bijlage 2 verzoekschrift).

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt:

  • -

    te verklaren voor recht dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst zonder rechtsgeldige reden heeft opgezegd en dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verzoekster] ;

  • -

    [verweerder] te veroordelen tot het opmaken en betalen van een deugdelijke eindafrekening en uitbetaling van de openstaande niet genoten verlofdagen;

  • -

    [verweerder] te veroordelen tot betaling van:

  1. een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW van € 10.000,00 bruto,

  2. een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW van € 5.066,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente,

  3. een gefixeerde vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 BW van € 4.676,10 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente,

  4. e kosten van deze procedure en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[verweerder] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is de vraag of [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en of, in verband daarmee, [verzoekster] aanspraak kan maken op een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 BW en een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW.

Opzegging

4.2.

Beoordeeld dient te worden of [verzoekster] de brief van 29 oktober 2018 van [verweerder] (r.o. 2.5.) die zij als opzegging heeft geduid, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs als zodanig mocht opvatten.

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] met de brief van 29 oktober 2018 de arbeidsovereenkomst heeft willen beëindigen door opzegging en [verzoekster] deze brief ook als een opzegging heeft kunnen en mogen opvatten. Daartoe is het volgende redengevend.

4.4.

De inhoud van de brief betreft een opzegging. De brief begint immers met de woorden: “Betreft: ontslag”. Verder staat in de brief dat het dienstverband per 31 oktober 2018 zal eindigen. Het ter zitting ingenomen standpunt van [verweerder] dat er sprake is van een voorwaardelijke opzegging - in die zin dat pas sprake is van een opzegging voor zover [verweerder] (de mededeling van [naam medewerksters reïntegratiebedrijf] ) juist heeft geïnterpreteerd dat [verzoekster] niet meer voor [verweerder] wil werken - kan uit die brief niet worden afgeleid. Evenmin volgt uit die brief dat [verzoekster] contact met [verweerder] diende op te nemen indien deze conclusie niet juist was. Voorts strookt dit standpunt ook niet met het nadien feitelijk handelen van [verweerder] . De betaling van de vakantiebijslag en de vermelding van de datum van uitdiensttreding op de loonstrook van oktober 2018 (r.o. 2.6.) duiden er immers ook op dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd volgens [verweerder] . Daarbij komt dat uit haar eigen stellingen in het verweerschrift (onder meer punt 9) volgt dat [verweerder] de berichten van Via WMO (r.o. 2.3.) en het UWV (r.o. 2.4.) heeft opgevat als het einde van de arbeidsovereenkomst.

4.5.

[verweerder] kon en mocht de mededeling van [naam medewerksters reïntegratiebedrijf] , te weten “Ook werkzaamheden als taxichauffeur zou ze passend vinden, mits bij een andere werkgever en binnen een andere regio” (r.o. 2.3.), niet opvatten als een opzegging van de arbeidsovereenkomst zijdens [verzoekster] , waarmee [verweerder] akkoord is gegaan. Van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [verzoekster] , gericht op vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 oktober 2018, is niet gebleken. Daarnaast is de brief van 29 oktober 2018 niet door [verzoekster] ondertekend, zodat evenmin sprake kan zijn van een beëindiging met wederzijds goedvinden.

4.6.

Mocht het al zo zijn dat [verzoekster] een verklaring heeft afgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij zelf van plan was op te zeggen, dan nog mocht [verweerder] hier niet zonder meer op vertrouwen. Een werkgever mag immers een mededeling van een werknemer waaruit een ontslagname kan worden afgeleid, zonder nader onderzoek niet opvatten als een daadwerkelijke ontslagname. [verweerder] moet zich als werkgeefster ervan overtuigen dat [verzoekster] weet wat zij doet en de gevolgen van haar handelen begrijpt en overziet. Daarnaast dient werknemer enige bedenktijd te krijgen om op haar verklaringen terug te komen. De aard en omvang van de op de werkgeefster rustende onderzoeksplicht wordt bepaald door de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Ten slotte hangt met de onderzoeksplicht van werkgeefster samen, dat werkgeefster gehouden is de werknemer te wijzen op de nadelige gevolgen van haar handelwijze. Gesteld noch anderszins is gebleken dat [verweerder] [verzoekster] op deze consequenties heeft gewezen. De conclusie is dan ook dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet door [verzoekster] is opgezegd.

4.7.

Uit het vorenstaande volgt dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] heeft opgezegd per 31 oktober 2018. Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW, in samenhang gelezen met artikel 7:669 lid 3 sub b BW en artikel 7:670 lid 1 sub a BW, kan de werkgever het dienstverband met een werknemer opzeggen indien de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte van deze werknemer ten minste twee jaar heeft geduurd. Vast staat dat die situatie zich hier voordoet. Artikel 7:671a lid 1 BW bepaalt echter dat de werkgever in een dergelijk geval voor opzegging van het dienstverband schriftelijk toestemming moet hebben van UWV. Deze toestemming ontbreekt. De opzegging van het dienstverband per 31 oktober 2018 door [verweerder] is derhalve in strijd met artikel 7:671 lid 1 BW. [verzoekster] heeft immers niet met de opzegging ingestemd, terwijl [verweerder] evenmin beschikte over de vereiste toestemming van het UWV voor opzegging. De opzegging op zichzelf heeft dus niet tot het einde van de arbeidsovereenkomst geleid.

4.8.

De opzegging is een eenzijdige rechtshandeling. [verweerder] kan dan ook niet op de opzegging terugkomen zonder dat [verzoekster] daarmee instemt. Het staat [verzoekster] vrij om zich neer te leggen bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zoals zij gedaan heeft.

4.9.

Het vorenstaande brengt met zich dat de verzochte verklaring voor recht gegeven zal worden.

Transitievergoeding

4.10.

Uit artikel 7:673 lid 1 vloeit voort dat een werkgever aan de werknemer een transitievergoeding is verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en door de werkgever is opgezegd. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:673 BW blijkt dat de wetgever niet heeft beoogd om arbeidsongeschikte werknemers die na twee jaar van arbeidsongeschiktheid geen recht meer hebben op uitbetaling van loon, uit te sluiten van een transitievergoeding, integendeel: Kamerstukken II 2013/14, 33818, C, p. 96. Daarin staat immers dat gelet op het doel van de transitievergoeding, dat tweeledig is (compensatie voor ontslag èn bevordering transitie van-werk-naar-werk) geen rechtvaardiging bestaat om onderscheid te maken tussen arbeidsongeschikte werknemers en andere werknemers. Uit hetgeen hiervoor is overwogen en hetgeen [verweerder] heeft gesteld, blijkt verder niet dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verzoekster] als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW. Derhalve is [verweerder] op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding verschuldigd aan [verzoekster] . [verweerder] heeft de hoogte van de door [verzoekster] berekende transitievergoeding niet betwist. Het bedrag van € 5.066,00 bruto is aldus toewijsbaar. Met toepassing van art. 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Vergoeding wegens onregelmatige opzegging

4.11.

[verzoekster] maakt verder aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Nu er geen sprake is van een verleende ontslagvergunning, noch van een wederzijds goedvinden en de geldende opzegtermijn van twee maanden niet in acht is genomen, heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op onregelmatige wijze opgezegd. De hoogte van de gefixeerde schadevergoeding is gerelateerd aan het bedongen geldloon (vakantiebijslag behoort tot het geldloon, HR 25 januari 1991, NJ 1991/597) en is onafhankelijk van de geleden schade. Voorts is niet van belang of de werkgever daadwerkelijk tot loonbetaling gehouden was (HR 21 oktober 1983, NJ 1984/255 en HR 20 juni 1995, NJ 1996/52). Dat bij een juiste opzegging geen loon over die opzeggingstermijn verschuldigd zou zijn geweest en [verzoekster] ook recht heeft op een WGA-uitkering, zoals door [verweerder] is aangevoerd, doet aan de verplichting tot betaling en de berekening van deze gefixeerde schadevergoeding dus niet af. Het door [verweerder] gedane beroep op matiging moet worden gepasseerd, gelet op artikel 7:672 lid 11 BW. De verzochte vergoeding van

€ 4.676,10 bruto aan loon en 8% vakantiebijslag over de periode 1 november 2018 tot en met 31 december 2018 (de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren) zal dan ook worden toegewezen. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Billijke vergoeding

4.12.

Op grond van artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW had [verzoekster] de keuze om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen of om een verzoek te doen tot toekenning van een billijke vergoeding. [verzoekster] heeft berust in de opzegging en om een billijke vergoeding verzocht.

4.13.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op de wetsgeschiedenis is (ook) in het kader van artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW voor toekenning van een billijke vergoeding ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist, maar is in een geval als bedoeld in dat artikel reeds invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid, als de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd en in strijd met artikel 7:671 heeft opgezegd (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113).

4.14.

Nu hiervoor geoordeeld is dat niet rechtsgeldig opgezegd is en [verweerder] daarmee in beginsel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zou het verzoek van [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding zich voor toewijzing kunnen lenen.

4.15.

De billijke vergoeding moet - naar haar aard - in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding zal de kantonrechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waarbij indachtig de New Hairstyle-beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:1187) niet alleen, maar ook in de gevolgensfeer rekening wordt gehouden met het loon dat een werknemer naar verwachting nog zou hebben genoten bij de werkgever als de opzegging zou zijn vernietigd. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De billijke vergoeding heeft echter geen specifiek punitief karakter. Wel kan er rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de werknemer geen materiële schade heeft geleden. De billijke vergoeding kan ook als immateriële compensatie dienen, omdat de vergoeding mede strekt tot genoegdoening en als middel om de werkgever te wijzen op de noodzaak haar gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen, zodat wordt tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen (zie: HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Stichting Zinzia)).

4.16.

Toepassing van de hiervoor genoemde uitgangspunten leidt ertoe dat beoordeeld dient te worden welke gevolgen een eventuele vernietiging van de opzegging voor [verzoekster] zou hebben gehad. In dat verband staat tussen partijen vast dat een vernietiging van de opzegging geen loonaanspraak zou hebben opgeleverd, omdat [verzoekster] op 31 oktober 2018 immers twee jaar arbeidsongeschikt was. [verweerder] is vanwege de vanaf deze datum meer dan twee jaar durende arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] geen loon meer verschuldigd aan [verzoekster] . [verzoekster] ontvangt sinds 31 oktober 2018 een WGA-uitkering. Na een eventuele vernietiging van de opzegging zou [verweerder] ongetwijfeld alsnog toestemming aan het UWV hebben verzocht om wegens twee jaar ziekte de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen op grond van artikel 7:669 lid 3, onder b, BW. In die procedure zou het UWV vervolgens moeten beoordelen of binnen een periode van 26 weken te verwachten valt dat [verzoekster] weer in staat is om het eigen werk, dan wel aangepaste werkzaamheden bij [verweerder] te verrichten. [verzoekster] heeft onvoldoende concrete feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan verwacht mag worden dat het UWV de hiervoor opgeworpen vragen bevestigend zou beantwoorden en zij dus de gevraagde ontslagvergunning zou weigeren.

4.17.

Tevens zal beoordeeld moeten worden of aannemelijk is dat [verzoekster] na een eventuele vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst in een passende functie bij [verweerder] herplaatst zou kunnen worden. Ook ten aanzien van dat punt heeft [verzoekster] haar stellingen onvoldoende onderbouwd. Zij heeft geen concrete functies genoemd waarop zij geplaatst zou kunnen worden, laat staan dat gebleken is dat vacatures bestaan (of binnen afzienbare tijd te verwachten zijn) voor die functies.

4.18.

Op grond van vorenstaande overwegingen concludeert de kantonrechter dat niet aannemelijk is dat vernietiging van de opzegging zou hebben geleid tot een loonaanspraak van [verzoekster] , zodat er ook geen aanleiding bestaat haar op dat punt te compenseren en aan haar een billijke vergoeding toe te kennen. Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] materiële schade heeft geleden of zal lijden. Voor toekenning van een billijke vergoeding als compensatie van immateriële schade bestaat evenmin aanleiding; (gemotiveerd) gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] in haar persoon is aangetast. Met de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, die gelijk staat aan twee maandsalarissen inclusief vakantiebijslag, wordt [verzoekster] voldoende gecompenseerd. Dit geldt te meer nu vaststaat dat opzegging van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn niet geleid zou hebben tot een loonaanspraak van [verzoekster] over de opzegtermijn, omdat de loondoorbetalingsverplichting van [verweerder] inmiddels - na 104 weken arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] - was geëindigd. Bovendien wordt [verweerder] daarmee reeds voldoende gewezen op de noodzaak haar gedrag voor de toekomst aan te passen.

4.19.

Onder deze omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op nihil.

Vergoeding opgebouwde doch niet genoten verlofdagen

4.20.

Deze vordering zal als onweersproken worden toegewezen.

Verstrekken eindafrekening

4.21.

Nu de arbeidsovereenkomst tot een einde is gekomen, is [verweerder] gehouden een correcte eindafrekening op te maken en zal zij daartoe worden veroordeeld.

Proceskosten

4.22.

[verweerder] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden tot betaling van de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden tot aan deze uitspraak begroot op:

- griffierecht € 79,00

- salaris gemachtigde € 600,00

Totaal € 679,00.

4.23.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen op de hierna onder 5.4. en 5.5. weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verzoekster] ;

5.2.

veroordeelt [verweerder] tot betaling van:

  • -

    een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW van € 5.066,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 november 2018 tot de dag van algehele voldoening,

  • -

    een gefixeerde vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 BW van € 4.676,10 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2018 tot de dag van algehele voldoening,

  • -

    een vergoeding van de opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen,

5.3.

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] de eindafrekening te verstrekken,

5.4.

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van [verzoekster] tot heden zijn begroot op € 679,00, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na de betekening van deze beschikking te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na die betekening tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [verweerder] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [verzoekster] volledig aan de veroordelingen hiervoor onder 5.2. tot en met 5.4. voldoet, in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na die aanschrijving te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag daarna tot de dag van volledige betaling,

- te vermeerderen, indien vervolgens betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden, met de kosten van dat exploot, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na die betekening te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag daarna tot de dag van voldoening,

5.6.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.

CJ