Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:9867

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
C/03/269083 / KG ZA 19-452
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering die deelgenoot ten behoeve van zichzelf had ingesteld tegen mededeelgenoten afgewezen (vergelijk Hoge Raad van 5 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2868). Afwijzing vordering van gedaagden tot veroordeling van eiser in de daadwerkelijk gemaakt advocaatkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/269083 / KG ZA 19-452

Vonnis in kort geding van 5 november 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. B.A.L.H. Robijns;

tegen:

1. de maatschap

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.H.C. Aarts;

2 [gedaagde sub 2] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.H.C. Aarts;

3 [gedaagde sub 3] ,

wonend te [woonplaats 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.H.C. Aarts;

4 [gedaagde sub 4] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.H.C. Aarts;

5 [gedaagde sub 5] ,

wonend te [woonplaats 4] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.G.C. van Baar.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] , wat betreft gedaagden sub 1, 2, 3 en 4 gezamenlijk, dan wel [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , wat betreft gedaagde sub 2, 3 en 4 ieder afzonderlijk, en [gedaagde sub 5] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties A en 1 t/m 32;

  • -

    de brief van 18 oktober 2019 van [eiser] , met producties 33 t/m 38 (waarvan [eiser] ter zitting de producties 37 en 38 heeft ingetrokken), houdende een eiswijziging;

  • -

    de brief van 21 oktober 2019 van [eiser] , houdende een eiswijziging;

  • -

    de brief van 21 oktober 2019, met producties 1 t/m 3, van [gedaagde sub 5] ;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 5] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Blijkens de kadastrale gegevens, overgelegd als productie 1 bij dagvaarding, is het pand [adres 1] gemeenschappelijk eigendom van [naam bv] B.V., [gedaagde sub 2] en [eiser] , en is het pand [adres 2] gemeenschappelijk eigendom van [naam] (hierna: [naam] ), [gedaagde sub 2] en [eiser]

2.2.

Op 15 juni 2005 is een huurovereenkomst gesloten tussen [naam] en [gedaagde sub 2] enerzijds als verhuurders, en de maatschap [naam maatschap] anderzijds als huurder betreffende een pand gelegen aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] . Op 1 april 2009 is een huurovereenkomst gesloten tussen [naam] , [gedaagde sub 2] en [eiser] enerzijds als verhuurders en de maatschap [naam maatschap] anderzijds als huurder betreffende een pand gelegen aan de [adres 2] te [vestigingsplaats] .

2.3.

De huurovereenkomst ter zake het pand [adres 1] luidt - voor zover te dezen van belang - als volgt:

“(…) Artikel 2: Voorwaarden:

2.1.

Van deze overeenkomst maken deel uit de “ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE” en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230A B.V., gedeponeerd bij de griffie van de Rechtbank te Den Haag op 11 juli 2003 en aldaar ingeschreven onder nummers 72/2003, hierna te noemen: “algemene bepalingen” . De inhoud van deze algemene bepalingen is partijen bekend. Een exemplaar van deze algemene bepalingen worden als bijlage aan deze overeenkomst gehecht.

(…)

Artikel 4: Huurprijs, indexering, betaling en omzetbelasting

4.1

De huurprijs bedraagt bij de aanvang van de huurtermijn € 6.000 per maand (zegge: zesduizend euro). Partijen komen overeen dat verhuurders geen omzetbelasting over de huurprijs in rekening brengen.

4.2.

De huurprijs wordt jaarlijks per 1 januari, voor het eerst met ingang van 1 januari 2007, aangepast overeenkomstig de normaal geldende regels bij verhuur/huur van bedrijfsruimte. Per 1 januari 2007 zal er een taxatie plaatsvinden, waarna de huurprijs aangepast zal worden met dien verstande dat een minimum huurprijs van € 6.000 gehanteerd zal worden.

(…)

Artikel 5: Gebruiksvoorschriften:

5.1.

Huurster is verplicht het huurobject in overeenstemming met de bestemming ervan krachtens deze huurovereenkomst van inventaris te voorzien en ingericht te houden en voorts het huurobject daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te gebruiken.

(…)

Artikel 9: Diverse bepalingen

(…)

9.3.

Bovendien hebben verhuurders en een door hen aan te wijzen deskundige, zoals een bouwdeskundige of een aannemer of een makelaar in onroerende zaken of een advocaat of deurwaarder, te allen tijde, na behoorlijke voorafgaande aankondiging aan huurster en in overleg met huurster, het recht het huurobject van binnen en van buiten te bezichtigen c.q. te inspecteren.

(…)”

2.4.

De huurovereenkomst ter zake het pand [adres 2] luidt - voor zover te dezen van belang - als volgt:

“(…)Voorwaarden:

2.1.

Van deze overeenkomst maken deel uit de “ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE” en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230A B.V., gedeponeerd bij de griffie van de Rechtbank te Den Haag op 11 juli 2003 en aldaar ingeschreven onder nummer 72/2003, hierna te noemen: “algemene bepalingen”. De inhoud van deze algemene bepalingen is partijen bekend. Huurder en verhuurder hebben een exemplaar van de algemene bepalingen ontvangen.(…)

Huurprijs, omzetbelasting, huurprijsaanpassing, betalingsverplichting, betaalperiode

4.1

De aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt maandelijks € 1.250,00 en derhalve op jaarbasis € 15.000,00 zegge: vijftien duizend euro.

(…)

4.5

De huurprijs wordt jaarlijks per 1 januari voor het eerst met ingang van 1 januari 2010 aangepast overeenkomstig 9.1. t/m 9.4 algemene bepalingen.(…)”

2.5.

Op 26 januari 2016 is tussen [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 5] en [eiser] een addendum overeengekomen. Dat addendum luidt – voor zover te dezen van belang – als volgt:

Artikel 1:

1.1

[eiser] zal de verplichtingen tot het voeren van beheer en het plegen van het buitenonderhoud op zich nemen door derden opdracht te verstrekken deze diensten te verzorgen. Partijen hebben voorts overleg gevoerd over aanpassingen in het gebouw, waaronder een nieuwe wachtkamer, welke verbouwingskosten voor rekening van [eiser] zullen komen.

1.2

De huurprijs zal, vanwege het in 1.1. bepaalde, per 31 januari 2016 ten behoeve van [eiser] worden verhoogd met een bedrag van Є 2.500,00 (zegge: Tweeduizendvijfhonderd Euro) per maand.

(…)

Artikel 2:

2.1

De met deze overeenkomst verhoogde huurprijs zal gedurende een periode van 10 jaren cq 120 maanden (zegge: Tien jaren dan wel Eenhonderdtwintig maanden ) gelden, waarna deze verhoging vervallen zal zijn.

2.2

De verhoging eindigt derhalve op 31 januari 2026 .

2.3

De verhoging zal niet eerder eindigen dan op 31 januari 2026 nu [eiser] kosten zal maken die op langere termijn afgeschreven worden. Deze overeenkomst is dan ook niet opzegbaar.

2.4

Bij eerdere beëindiging door [naam maatschap] ( [naam maatschap] ; voorzieningenrechter) om welke reden dan ook, daaronder eveneens begrepen vernietiging en/of ontbinding, zal kapitalisatie plaatsvinden in die zin dat (nog) niet betaalde termijnen direct opeisbaar worden voor [eiser] .

2.5

[gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] zijn hoofdelijk verbonden de verplichtingen uit deze overeenkomst na te komen.

2.6

Korting op enige wijze van de te betalen huur cq verhoging is niet toegestaan; daarmee is het [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] tevens niet toegestaan zich op enige opschortingsrecht te beroepen. Inhouding dan wel verrekening van de huur om welke reden dan ook is niet toegestaan.(…)”

2.6.

Bij schrijven van 29 april 2019 gericht aan [eiser] , heeft de maatschap [gedaagde sub 1] , waarvan deel uitmaken: [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] , de huur van het pand [adres 1] , met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar, opgezegd tegen 30 april 2020.

2.7.

[eiser] heeft bij schrijven van 3 mei 2019 – onder andere – gesteld dat sedert de aanvang van de huur van het pand [adres 1] sinds 15 juni 2005, en het pand [adres 2] sedert 1 april 2009, abusievelijk geen huurverhogingen zijn toegepast. In die brief berekent [eiser] de achterstallige huur, na huurverhogingen, op € 23.458,--, en vordert hij onder andere betaling van dat bedrag binnen zeven dagen na dagtekening van het schrijven.

2.8.

Bij schrijven van 26 juli 2019 gericht aan [eiser] , heeft de maatschap [gedaagde sub 1] , waarvan deel uitmaken: [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] , de huur van het pand [adres 2] , met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, opgezegd tegen 30 september 2019.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] stelt dat op de huurovereenkomsten ook van toepassing zijn de zogenaamde Algemene Bepalingen. Die bepalen – voor zover te dezen van belang – het volgende:

“(…)

Gebruik

6.1

Huurder zal het gehuurde – gedurende de hele duur van de huurovereenkomst – daadwerkelijk, geheel, behoorlijk en zelf gebruiken uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming.(…)

(…)

Boetebepaling

7. Indien huurder zich, na door verhuurder behoorlijk in gebreke te zijn gesteld, niet houdt aan de in de huurovereenkomst en de in deze algemene bepalingen opgenomen voorschriften, verbeurt huurder aan verhuurder, voor zover geen specifieke boete is overeengekomen, een direct opeisbare boete van € 250,00 per dag voor elke dag dat huurder in verzuim is. Het vorenstaande laat onverlet het recht van verhuurder op volledige schadevergoeding, voor zover de geleden schade de verbeurde boete overtreft.

(…)

Huurprijswijziging

9.1

Een in 4.5 van de huurovereenkomst overeengekomen wijziging van de huurprijs vindt plaats op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenindex (CPI) reeks alle huishoudens (2000 = 100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De gewijzigde huurprijs wordt berekend volgens de formule: de gewijzigde huurprijs is gelijk aan de geldende huurprijs op de wijzigingsdatum, vermenigvuldigd met het indexcijfer van de kalendermaand die ligt vier kalendermaanden voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast, gedeeld door het indexcijfer van de kalendermaand die ligt zestien kalendermaanden voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast.

(…)

Toegang verhuurder

(…)

15.3

Bij voorgenomen verhuur, verkoop of veiling van het gehuurde en gedurende één jaar voor het einde van de huurovereenkomst, is huurder verplicht, zonder enige vergoeding, gedurende minstens twee werkdagen per week, na voorafgaande mededeling door verhuurder of diens gemachtigde, gelegenheid te geven tot bezichtiging van het gehuurde. Huurder zal de gebruikelijke “te huur” of “te koop” borden of biljetten aan of bij het gehuurde gedogen. (…)”

3.2.

[eiser] stelt dat [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] de met [eiser] gemaakte afspraken uit de huurovereenkomsten niet nakomen. De door de maatschap [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] op 29 april 2019 gedane opzegging van de huurovereenkomst wordt door [eiser] niet erkend, omdat deze in strijd is met de afspraken in het addendum van 26 januari 2016. Op grond van hetgeen volgens dat addendum tussen partijen is afgesproken, moeten de huurovereenkomsten tot 1 februari 2026 worden voortgezet. Tussentijdse opzegging/beëindiging is daarmee door partijen uitgesloten.

3.3.

Er is volgens [eiser] sprake van een voortijdige opzegging en beëindiging van de huurovereenkomst per 1 oktober 2019 betreffende het pand [adres 2] en per 30 april 2020 betreffende het pand [adres 1] . Deze opzeggingen worden door [eiser] niet erkend.

3.4.

Uit de tekst van het addendum blijkt volgens [eiser] ook dat de omstreden afspraak niet alleen met [gedaagde sub 2] is gemaakt, doch ook met de hele maatschap, waarbij iedere maat zich tevens hoofdelijk heeft verbonden.

3.5.

[eiser] stelt dat hij recht heeft op de in de brief van 3 mei 2019 met terugwerkende kracht over de vijf voorafgaande jaren berekende huurverhoging voor beide panden.

3.6.

De totale verschuldigde huurachterstand van 1 juni 2016 tot en met 1 oktober 2019 bedraagt volgens [eiser] ter zake het pand [adres 2] € 129.574,--. Ter zake het pand [adres 1] bedraagt die achterstand volgens [eiser] € 19.374,--. De totale achterstand wegens huurverhogingen bedraagt volgens [eiser] € 18.024,--. De verbeurde boetes, wegens te late betaling huur/weigeren toegang pand, bedragen € 58.250,--. Op dat totaal (€ 225.222,--) moet in mindering worden gebracht hetgeen [eiser] nog is verschuldigd wegens door mr. Meegdes ten behoeve van [eiser] verrichte werkzaamheden, tot een bedrag van € 78.163,08(zie productie 26 bij dagvaarding.).

3.7.

[eiser] stelt voorts dat [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hem in strijd met het bepaalde in artikel 15.3 van de Algemene Bepalingen de toegang tot het door hen gehuurde weigeren.

3.8.

[eiser] voert verder aan dat [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] de gehuurde panden al hebben ontruimd. In elk geval geldt dat de huurovereenkomst van [adres 1] tot 1 mei 2020 voortduurt en dat dit pand dus geëxploiteerd dient te worden (zie artikel 6 van de Algemene Bepalingen en artikel 5 van de betreffende huurovereenkomst). [eiser] heeft [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] gesommeerd het pand weer te exploiteren. De onrechtmatige leegstand ervan brengt verschillende schadelijke gevolgen met zich. [eiser] verwijst naar de voorwaarden van de brandverzekering. Voorts wijst [eiser] op het gevaar van verpaupering en benoemt in dit verband dat [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] het huurcontract met Volta van de verwarmingsketels hebben opgezegd, zodat Volta de verwarmingsketels zal weghalen. Uit het voorgaande volgt zijn spoedeisend belang, aldus [eiser] .

3.9.

[eiser] maakt aanspraak op een bedrag van € 2.717,16 wegens buitengerechtelijke kosten.

3.10.

[eiser] vordert – na een drietal wijzigingen van zijn eis, waarvan de laatste ter zitting – dat de voorzieningenrechter:

Primair

  1. [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betale, de ander zal zijn bevrijd, om binnen 7 dagen na het te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen: de achterstallige huurtermijnen inclusief de verbeurde boetes, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, zoals gemotiveerd in punt 80 van de dagvaarding, berekend tot aan 30 september 2019 € 150.549,65, te vermeerderen met de wettelijke rente over vorenstaand bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, althans te vermeerderen met de wettelijke rente over vorenstaand bedrag vanaf de dag van vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

  2. [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk veroordeelt tot nakoming van de huurovereenkomst [adres 1] en [adres 2] , alsmede de hierop van toepassing zijnde Algemene Bepalingen en tot nakoming van het addendum d.d. 26 januari 2016 waaronder derhalve voortzetting van de exploitatie van het gehuurde [adres 1] te [vestigingsplaats] tot datum van opzegging, zijnde 30 april 2020, zulks op straffe van verbeurte van de contractuele boete € 250,00 per dag, waarbij een dagdeel tevens geldt als gehele dag, des dat de een betale, de ander zal zijn bevrijd, althans iedere beslissing te nemen die de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht;

Subsidiair

  1. [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk veroordeelt tot nakoming van de huurovereenkomst [adres 1] en [adres 2] , alsmede de hierop van toepassing zijnde Algemene Bepalingen en tot nakoming van het addendum d.d. 26 januari 2016, waaronder derhalve voortzetting van de exploitatie van het gehuurde [adres 1] en [adres 2] te [vestigingsplaats] tot einde addendum, zijnde 1 februari 2026, zulks op straffe van de contractuele boete € 250,00 per dag waarbij een dagdeel tevens geldt als gehele dag, des dat de een betale, de ander zal zijn bevrijd, althans iedere beslissing neemt die de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht;

  2. [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betale, de ander zal zijn bevrijd, om binnen 7 dagen na het te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen: de achterstallige huurtermijnen inclusief de verbeurde boetes, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, zoals gemotiveerd in punt 80 van de dagvaarding, berekend tot aan 30 september 2019 € 150.549,65, te vermeerderen met de wettelijke rente over vorenstaand bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, althans te vermeerderen met de wettelijke rente over vorenstaand bedrag vanaf de dag van vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

Zowel Primair, als subsidiair

  1. [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk verplicht [eiser] binnen 24 uur na het te wijzen vonnis toegang tot de panden [adres 1] en [adres 2] te [vestigingsplaats] te verschaffen, een en ander conform artikel 15.3 van de Algemene Bepalingen, zulks op straffe van verbeurte van de contractuele boete van art. 7 van de Algemene Bepalingen ad € 250,-- per dag of dagdeel dat [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hiermee in gebreke blijven, des dat de een betale, de ander zal zijn bevrijd, althans iedere beslissing te nemen die de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht;

  2. indien en voor zover de Algemene Bepalingen niet van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten huurovereenkomsten, vordert [eiser] ter vervanging van de contractuele boete uit artikel 7 van de Algemene Bepalingen, nakoming van de afspraken uit de huurovereenkomst, zijnde exploitatie en betaling van de huurachterstand zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hiermee in gebreke blijven, met een maximum van € 75.000,00, des dat de een betale, de ander zal zijn bevrijd, althans iedere beslissing te nemen die de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht;

  3. [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betale, de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding, het nasalaris voor de advocaat daarbij conform het liquidatietarief te begroten, onder de bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente is verschuldigd.

3.11.

[gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ten gronde

4.1.

Het meest verstrekkende verweer luidt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij niet gerechtigd is om namens de gemeenschap van eigenaren van de panden [adres 1] en [adres 2] de onderhavige vordering in te stellen.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van dat verweer het volgende. Vast staat dat het pand [adres 1] gemeenschappelijk eigendom is van [naam bv] B.V., [gedaagde sub 2] en [eiser] , en dat het pand [adres 2] gemeenschappelijk eigendom is van [naam] in persoon, [gedaagde sub 2] en [eiser] (zie de kadastrale gegevens, overgelegd als productie 1 bij dagvaarding). Weliswaar heeft [gedaagde sub 2] zijn aandeel in beide panden verkocht aan [eiser] , doch dat aandeel is, naar tevens vaststaat, nog niet geleverd. [eiser] heeft verder gesteld dat [naam] zijn aandeel in de panden ook aan hem heeft verkocht, doch in ieder geval staat vast dat ook [naam] zijn aandeel in de panden niet heeft geleverd aan [eiser] . [naam] en [gedaagde sub 2] zijn derhalve nog steeds deelgerechtigden.

4.3.

De vorderingen zijn vorderingen die de gemeenschap toekomen, omdat deze betrekking hebben op gemeenschappelijke zaken. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] de bedoelde vorderingen namens de gemeenschap van eigenaren van de panden [adres 1] en [adres 2] instelt. Derhalve moet er van worden uitgegaan dat [eiser] de vorderingen ten behoeve van zichzelf heeft ingesteld.

4.4.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 5 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2868 volgt dat een deelgenoot niet voor zichzelf een rechterlijke uitspraak kan verlangen ten aanzien van de gehele vordering of een gedeelte van een beweerde vordering die aan een gemeenschap toekomt.

4.5.

Nu het gevorderde wel deze strekking heeft, is [eiser] op grond daarvan niet-ontvankelijk in zijn vorderingen en moeten diens vorderingen derhalve worden afgewezen.

De proceskosten

4.6.

[gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] hebben gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld niet tot betaling van de op de gebruikelijke wijze, conform het liquidatietarief, begrote proceskosten, doch tot vergoeding van de door hen daadwerkelijk gemaakte kosten.

4.7.

Zij voeren daartoe aan dat [eiser] heeft nagelaten een tweetal overeenkomsten, aangeduid als vaststellingsovereenkomst I en vaststellingsovereenkomst II, in het geding te brengen. Deze overeenkomsten zijn volgens hen cruciaal, omdat daaruit kan worden begrepen hoe addendum II tot stand is gekomen en ook dat uit die vaststellingsovereenkomsten volgt dat niet juist is de stelling van [eiser] , dat hij met een smoes zou zijn bewogen om addendum II te ondertekenen. Voorts wijzen [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] op het feit [eiser] niet heeft vermeld dat mr. Regter een deel van de panden als onderverhuurder in gebruik heeft, zodat er nog wel degelijk sprake is van exploitatie van de panden.

4.8.

Ten slotte voeren [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] aan dat [eiser] de voorzieningenrechter verkeerd heeft voorgelicht en feiten heeft verzwegen. Mede hierdoor heeft [eiser] vorderingen ingesteld die achterwege hadden moeten blijven, vanwege de evidente ongegrondheid daarvan. Tegen beter weten in stelt [eiser] volgens [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] dat de vaststellingsovereenkomst II en addendum II niet bestaan en dat dat addendum een kapitalisatieverplichting bevat. Daarnaast heeft [eiser] volgens hen substantiële huurbetalingen aan zichzelf, verzwegen en ongefundeerde huurachterstanden gevorderd. [eiser] had moeten begrijpen dat hij een kansloze vordering had ingesteld.

4.9.

[gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] verzoeken de voorzieningenrechter een tussenvonnis te wijzen waarbij zij in staat worden gesteld hun vorderingen ter zake de veroordeling in de door hen gemaakte daadwerkelijke kosten te onderbouwen.

4.10.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie voor een volledige proceskostenveroordeling moet zijn voldaan aan de maatstaf voor misbruik van procesbevoegdheid. Daar is sprake van als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Dat kan aan de orde zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Aan [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en gedaagden kan worden toegegeven dat [eiser] de vaststellingsovereenkomsten I en II niet in het geding heeft gebracht. Echter, deze door [eiser] niet overgelegde stukken zijn enkel van belang in het kader van de beoordeling van de oorspronkelijke primaire vordering sub 1. Deze vordering zag op de vraag of [eiser] al dan niet recht heeft op (een voorschot op) de gekapitaliseerde huur. Ter zitting heeft [eiser] deze vordering echter ingetrokken, zodat de voorzieningenrechter niet meer toekomt aan de beoordeling van die vordering van [eiser] en derhalve ook niet aan de vraag of [eiser] een dusdanig verwijt kan worden gemaakt dat hij de bedoelde stukken niet in het geding heeft gebracht, dat dat rechtvaardigt dat hij wordt veroordeeld in de door [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten. Ook overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op het hiervoor geformuleerde uitgangspunt, niet kan worden geoordeeld dat [eiser] heeft voldaan aan de maatstaf voor misbruik van procesbevoegdheid. Het oordeel dat de vorderingen van [eiser] , zoals in de rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.5 overwogen, worden afgewezen, leidt niet tot die conclusie. Daarbij past namelijk terughoudendheid, gelet op het recht tot toegang tot de rechter, mede gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Niet kan worden geoordeeld dat de vorderingen van [eiser] zodanig evident ongegrond zijn, dat het instellen daarvan achterwege had moeten blijven.

4.11.

De voorzieningenrechter zal derhalve de proceskosten van [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] en [gedaagde sub 5] begroten op de gebruikelijke wijze aan de hand van het liquidatietarief.

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] worden begroot op:

- griffierecht € 4.030,00;

- salaris € 980,00;

Totaal € 5.010,00.

4.12.

De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 5] worden begroot op:

- griffierecht € 1.599,00;

- salaris € 980,00;

Totaal € 2.579,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden sub 1, 2, 3 en 4] tot op heden begroot op € 5.010,00;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 5] tot op heden begroot op € 2.579,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT coll: