Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:9779

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
8036500 BR VERZ 19-286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek ontslag executeur vanwege een ernstig wantrouwen dat verzoekster jegens de executeur koestert is afgewezen. Verder is er geen sprake van gewichtige redenen. Privatieve bevoegdheid executeur. Artt. 4:144 lid 1, 4:145, 4:149 lid 1 sub a en lid 3, 4:151, 4:157 en 4:161 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/363
ERF-Updates.nl 2019-0273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 8036500 BR VERZ 19-286

Beschikking van 31 oktober 2019

op een verzoek van

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats 1] , [adres 1] ,

verzoekster, in haar hoedanigheid van erfgename van de nalatenschap van

[erflater] (verder: de erflater),

gemachtigde mr. M.F.J.J.M. Tijssen,

tegen

[verweerder] ,

wonend te [woonplaats 2] , [adres 2] ,

verweerder, in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van de erflater,

gemachtigde mr. E.C.C. Klarus-Blomjous.

Belanghebbende is [belanghebbende],

wonend te [woonplaats 2] ,

gemachtigde mr. W.L.J. van Winden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Op 10 september 2019 is een verzoekschrift met producties 1 t/m 11 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

1.2.

Op 18 september 2019 is een brief met een bijlage van verzoekster ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

1.3.

Op 21 oktober 2019 is een verweerschrift met producties 1 t/m 4 en 32 sub producties (behorende tot productie 2) ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

1.4.

Op 22 oktober 2019 is een brief ter griffie van deze rechtbank ontvangen waarbij, volgens de gemachtigde van verweerder, de juiste sub productie 23 is bijgevoegd. Verder is door tussenkomst van mr. Van Winden voornoemd een verweerschrift met een bijlage ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

1.5.

Op 28 oktober 2019 heeft een mondelinge behandeling van het verzoek

plaatsgevonden waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Verzoekster, bijgestaan door

mr. Tijssen voornoemd, verweerder, bijgestaan door mr. Klarus-Blomjous voornoemd en [belanghebbende] , bijgestaan door mr. Van Winden voornoemd, zijn ter

mondelinge behandeling verschenen. Mrs. Tijssen en Klarus-Blomjous hebben daarbij

onder meer gepleit overeenkomstig de door hun overgelegde pleitnota.

1.6.

Partijen zullen hierna [verzoekster] , [verweerder] en [belanghebbende] genoemd worden.

1.7.

Vervolgens is beschikking bepaald en wordt vandaag uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1.

Op [overlijdensdatum] is te [overlijdensplaats]

[erflater] overleden, laatstelijk wonend te [woonplaats 3] .

2.2.

[verzoekster] en [belanghebbende] zijn zussen en enig erfgenamen van de erflater.

2.3.

Bij testament van 16 juli 2018 heeft de erflater over zijn nalatenschap

(verder: de nalatenschap) beschikt en - onder meer - [verweerder] tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd. [verweerder] heeft die benoeming aanvaard.

2.4.

Het legaat als bepaald in art. VII in het testament van de erflater is op

19 september 2019 door notaris mr. R.E.A.A. Meuwissen aan [belanghebbende] afgegeven.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt op grond van gewichtige redenen om [verweerder] als executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van de erflater te ontslaan en om [verweerder] in zijn functie van executeur en afwikkelingsbewindvoerder te schorsen totdat de beslissing op het verzoek tot ontslag in rechte vaststaat, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[verzoekster] stelt dat zij van meet af geen vertrouwen in [verweerder] heeft en dat zij, in afwachting van de beslissing op het onderhavige verzoek, te zijner tijd een verzoek tot het benoemen van een executeur en afwikkelingsbewindvoerder zal indienen die dan de door [verweerder] verrichte werkzaamheden kan controleren en vervolgens de nalatenschap kan afwikkelen.

3.3.

[verzoekster] voert daartoe aan dat [verweerder] een jarenlange kennis van haar zus [belanghebbende] is, er tussen hen zelfs een liefdesrelatie bestaat, en [verweerder] daardoor geen “buitenstaander” is zoals door haar vader is bedoeld in het testament onder II (Intentie). Verder houdt [verweerder] zich niet aan het bij het testament bepaalde en stelt hij zich niet neutraal en onpartijdig op waarmee hij [belanghebbende] bevoordeelt. [verweerder] heeft immers, terwijl de inboedel nog niet was verdeeld, de sloten van de tot de nalatenschap behorende woning (verder: de woning) verwisseld waardoor [belanghebbende] de woning kon betreden en daar naar believen kon verblijven. Door zijn handelen heeft [verweerder] niet gewaarborgd dat er geen zaken aan de inboedel werden onttrokken. [verweerder] heeft verder de privé bescheiden niet aan haar teruggeven, de kluis zonder aanwezigheid van haar en [belanghebbende] of alleen in aanwezigheid van [belanghebbende] geopend, de inboedel onnavolgbaar verdeeld en het voorstel van haar advocaat, om de inboedel eerlijk te verdelen, van de hand gewezen waardoor [belanghebbende] de inboedelgoederen

die zij daadwerkelijk wil hebben krijgt toebedeelt. De tot de inboedel behorende auto’s zijn al aan [belanghebbende] toebedeeld ondanks het feit dat zij te kennen had gegeven dat zij de voor

€ 8.000,00 getaxeerde Toyota Lexus voor € 12.000,00 wilde kopen.

3.3.1.

[verweerder] blijft daarnaast, ondanks uitdrukkelijk verzoek, weigerachtig om

uitvoering te geven aan de waardering van de woning op de wijze zoals in het testament is bepaald. De woning diende door twee beëdigde taxateurs van registergoederen in samenspraak te worden gewaardeerd op de datum van het overlijden van de erflater waarbij een taxateur door [verzoekster] en de ander door [belanghebbende] zou worden aangewezen. De enige taak voor [verweerder] daarbij was om de opdracht tot taxatie te geven. [belanghebbende] heeft uit eigen beweging een taxateur ingeschakeld die de woning heeft getaxeerd. Daarna werd [verzoekster] pas uitgenodigd om een taxateur aan te wijzen. Aangezien de taxatiewaarde van haar taxateur behoorlijk afweek (€ 670.000,00) van die van [belanghebbende] (€ 460.000,00) heeft [verweerder] , zonder [verzoekster] daarvan in kennis te stellen, een derde taxateur ( [naam taxateur] ) opdracht tot waardering van de woning gegeven. [naam taxateur] taxeerde de woning op

€ 525.000,00. [verweerder] heeft inmiddels het legaat aan [belanghebbende] tegen € 523.000,00 afgegeven hetgeen ver onder de taxatiewaarde van de taxateur van [verzoekster] ligt en daarmee [belanghebbende] bevoordeeld.

3.3.2.

[verweerder] verstrekt voorts, desgevraagd, weinig duidelijkheid over de financiën van de nalatenschap, heeft onnodig kosten gemaakt door een advocaat voor hemzelf in te schakelen en declareert meer uren voor zijn werkzaamheden dan verantwoord kunnen worden. Door alle genoemde omstandigheden worden haar belangen als erfgename niet, althans onvoldoende, door [verweerder] behartigd, heeft [verzoekster] een gefundeerd wantrouwen in [verweerder] als executeur en afwikkelingsbewindvoerder en is er sprake van een verstoorde relatie tussen [verzoekster] en [verweerder] , aldus [verzoekster] .

3.4.

Aangezien verweren van [belanghebbende] en van [verweerder] nagenoeg gelijk aan elkaar zijn of elkaar aanvullen zullen deze verder als verweer van [verweerder] worden weergegeven.

3.5.

[verweerder] betwist dat er sprake is van gewichtige redenen om tot zijn ontslag als executeur en afwikkelingsbewindvoerder over te gaan. [verzoekster] voert als reden aan dat er sprake is van ernstig wantrouwen jegens hem. Dat levert echter geen gewichtige reden op. Hij heeft naar eer en geweten en in de geest en de wil van de erflater zijn taken als executeur en afwikkelingsbewindvoerder verricht en, gelet op de gebrouilleerde verhouding tussen [verzoekster] en [belanghebbende] al het nodige betracht om tot een goede en eerlijke afwikkeling van de nalatenschap te geraken. Daarbij komt dat de verzochte ontslagprocedure niet opportuun is nu de nalatenschap op de aanslagen aan Inkomstenbelasting 2018 en erfbelasting na, voor verdeling gereed is waardoor de executele fase nagenoeg is afgerond. [verweerder] verwijst daartoe naar het bepaalde in artt. 4:149 lid 1 sub a en 4:144 lid 1 BW. Een eventueel ontslag leidt tot onnodige vertraging bij de afwikkeling, aldus [verweerder] .

3.5.1.

De erflater kende hem, [verweerder] , en heeft hem bij leven gepolst over de mogelijke benoeming tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Anders dan [verzoekster] betoogt is hij wel een zogenoemde buitenstaander. Hij heeft weliswaar al jarenlang een vriendschappelijke band met [belanghebbende] , maar de erflater bedoelde, gelet op de verstoorde verhouding tussen [verzoekster] en [belanghebbende] , met buitenstaander een ander te benoemen dan [verzoekster] of [belanghebbende] . Dat volgt ook duidelijk uit de verklaringen van de erflater in het testament. Het probleem is dat het testament voor meerdere uitleg vatbaar is en mede daardoor deels onmogelijk uit te voeren opdrachten bevat. Het is [verweerder] niet gelukt om [verzoekster] en [belanghebbende] op een lijn te krijgen. Daardoor heeft hij om uit de discussies over de getaxeerde waarde van de woning en de status van de beëdiging van de ingeschakelde

taxateurs te komen, [naam taxateur] ingeschakeld die de waarde van de woning heeft getaxeerd en notaris Meeuwissen geraadpleegd om te kijken op welke manier er tijdig uitvoering aan de door de erflater aan het legaat gestelde voorwaarden kon worden gegeven. Besloten werd uiteindelijk om de woning aan [belanghebbende] af te geven tegen een geldsom van € 523.000,00 onder de vestiging van een hypotheekrecht van € 100.000,00 ten gunste van [verzoekster] . Op die manier zou bij verdere discussie in ieder geval het legaat tijdig (binnen twaalf maanden na het overlijden van de erflater) kunnen worden afgegeven en zijn de belangen van [verzoekster] bij een eventuele nadere discussie over de taxatiewaarde voldoende gewaarborgd.

3.5.2.

[verweerder] heeft een boedelbeschrijving opgesteld en die gedeeld met [verzoekster] en [belanghebbende] , hen van meet af geïnformeerd over de te nemen stappen, alle vragen beantwoord

en de schulden van de nalatenschap voldaan. Hij heeft de sloten van de woning vervangen

en minutieus de inboedelgoederen omschreven zodat er niets ongezien kon worden weggehaald. De erflater heeft bij testament aan hem verzocht om [verzoekster] en [belanghebbende] de gelegenheid te bieden om de verdeling van de inboedel onderling te regelen. Ook dat lukte niet en om die reden heeft hij de knoop doorgehakt en [verzoekster] en [belanghebbende] in de gelegenheid gesteld om over de goederen die zij wilden hebben hun voorkeur uit te spreken en, rekening houdend met ieders voorkeur, de inboedel verdeeld waarbij beiden financieel gelijk behandeld zijn. Door de verstandhouding tussen de erfgenamen heeft hij veel werk aan de waardebepalingen en aan de verdeling en beantwoording van talloze e-mails gehad. Zijn urenspecificatie is voorzien van urenstaten en volledig transparant, aldus [verweerder] .

3.5.3.

[verweerder] verzoekt afwijzing van het verzoek van [verzoekster] met veroordeling van [verzoekster] tot betaling van primair de werkelijke proceskosten die hij voorshands schat op

€ 8.000,00 en subsidiair tot betaling van de proceskosten vast te stellen volgens het liquidatietarief.

3.6.

Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter indien nodig nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat de laatste wil van de erflater dient te worden uitgevoerd en gerespecteerd overeenkomstig het daarin bepaalde, tenzij er sprake is van omstandigheden die rechtvaardigen om daarvan af te wijken, en dat de benoeming door de erflater van [verweerder] tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder met zich brengt dat [verweerder] privatief (dus met uitsluiting van [verzoekster] en [belanghebbende] ) de nalatenschap mag beheren, daarover mag beschikken en mag verdelen.

4.2.

Indien en voor zover [verzoekster] met haar verzoek beoogt dat een eventueel nader te benoemen executeur de werkzaamheden van [verweerder] gaat controleren dan berust dat op een verkeerde opvatting. Het is niet de taak van een eventueel nieuw te benoemen executeur en afwikkelingsbewindvoerder om de verrichte handelingen van diens voorganger te controleren maar om de draad, in dit geval ter zake de aanslagen IB 2018 en de erfbelasting, op te pakken en daarna de verdeling van de nalatenschap te verzorgen. Aangezien [verzoekster] geen nieuw te benoemen executeur heeft verzocht of een nieuw te benoemen executeur heeft aangedragen zou, ondanks het feit dat de kantonrechter het met [verweerder] eens is dat zijn taken bij een eventueel ontslag niet eindigen (art. 4:149 lid 3 BW), bij toewijzing van het onderhavige verzoek een leemte dreigen te ontstaan waarbij geen van de erfgenamen is gebaat. Wat de benoeming van een afwikkelingsbewindvoerder betreft geldt dat niet aangezien de wet daarin bij art. 4:157 BW heeft voorzien waardoor verdere beoordeling over de uitleg van art. X onder nr. 9 van het testament achterwege kan blijven.

4.3.

Het ernstige wantrouwen dat [verzoekster] jegens [verweerder] koestert is geen wettelijke

grond voor toewijzing van haar verzoeken. Nu [verzoekster] stelt dat er gewichtige

redenen voor het ontslag van [verweerder] bestaan, oordeelt de kantonrechter als volgt.

de inboedel

4.4.

Uit het testament volgt dat het de wens van de erflater was dat zijn nalatenschap

(waaronder het legaat van de woning) financieel bezien gelijkelijk onder [verzoekster] en [belanghebbende] zou worden verdeeld.

4.4.1.

De ernstig verstoorde verstandhouding tussen [verzoekster] en [belanghebbende] , die desgevraagd door beiden en door hun gemachtigden ter mondelinge behandeling is bevestigd, leidt er toe dat [verzoekster] en [belanghebbende] in ieder geval ter zake de verdeling van de inboedel aan de wens van de erflater voorbij zijn gegaan. De erflater heeft in het testament immers in de laatste alinea van nr. 3 bij art. X bepaald dat a) de executeur ( [verweerder] ) [verzoekster] en [belanghebbende] in de gelegenheid stelt om b) de inboedel en de sierraden in onderling overleg te verdelen. Vaststaat dat [verweerder] aan a heeft voldaan. Vaststaat voorts dat [verzoekster] en [belanghebbende] niet aan b hebben voldaan. Vanwege de tussen [verzoekster] en [belanghebbende] gebleken onoverkomelijke onenigheid en het niet tot overeenstemming komen over de waarde van de inboedelgoederen en de toebedeling daarvan, is het voor een executeur geen sinecure om een oplossing naar ieders tevredenheid aan te dragen. Dat [verweerder] vanwege de onenigheid tussen [verzoekster] en [belanghebbende] van zijn verdelingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt is de correct te bewandelen weg geweest. Dat volgt uit het bepaalde in het art. 4:145 BW en kan [verweerder] daarom niet worden aangerekend. Zoals eerder is overwogen mocht [verweerder] met uitsluiting van [verzoekster] en [belanghebbende] de inboedel beheren en daarover beschikken en, uiteindelijk, verdelen. Dat [verzoekster] na de door [verweerder] aangedragen toebedelingswijze graag een andere methode wilde maakt dus niet dat [verweerder] daarmee rekening diende te houden of dat sprake is van een gewichtige reden die tot het ontslag van [verweerder] kan leiden.

4.4.2.

Het gaat er immers om of de toebedeling naar eerlijkheid is gebeurd en dat de ene erfgename door de verdeling financieel niet bevoordeeld wordt of is geworden ten opzichte van de andere erfgename. [verweerder] heeft wat de toebedeling van de inboedel betreft zijn werkwijze aan [verzoekster] en [belanghebbende] meegedeeld en uit de overlegde “Itemlijst verdeling door executeur” volgt dat hij de inboedel financieel gelijk aan beiden heeft toebedeeld. Het gevoel van [verzoekster] dat zij niet of nauwelijks en [belanghebbende] wel de inboedelgoederen kreeg die zij graag wilde hebben, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van een gewichtige redenen. Dat geldt overigens ook voor de tot de inboedel behorende auto’s. Uit het testament volgt dat de executeur “(o)ver de keuze en de wijze van tegeldemaking vooraf géén overleg (hoeft) te plegen” met de erfgenamen. Vaststaat dat [verweerder] de auto’s heeft laten taxeren en dat hij de toebedeling financieel gelijkelijk voor [verzoekster] en [belanghebbende] heeft gewaarborgd. Nu [verzoekster] niet onderbouwd heeft gesteld dat zij financieel is benadeeld door de wijze van toebedeling van de inboedel en de auto’s en haar enkele stelling, dat er een codicil ter zake het zilver in de kluis lag, niet heeft onderbouwd kan ook op dat punt niet worden geoordeeld dat sprake is van een gewichtige reden.

de woning

4.4.3.

Gelet op de onenigheid tussen [verzoekster] en [belanghebbende] over de taxatiewaarde en de status van de beëdiging van de taxateurs heeft [verweerder] zelf een taxateur aangezocht, met een notaris overleg gevoerd en oplossing voor de waardebepaling van de woning gevonden. Mede door het vestigen van een hypotheekrecht ten gunste van [verzoekster] heeft [verweerder] zeker gesteld dat [verzoekster] niet benadeeld zou worden indien er bijvoorbeeld nog een geschil

over de eerdere taxaties in combinatie met de waardebepaling van de woning zou volgen en de financiële belangen van beiden gelijkelijk behartigd. Om overeenkomstig de wens van de

erflater en binnen de door de erflater gestelde termijn het legaat te kunnen afgeven heeft [verweerder] een praktische oplossing aangedragen. Nu ook [verzoekster] ter mondelinge

behandeling heeft verklaard dat de uitvoering van het in art. art. VII sub a en b van het testament een schier onmogelijke taak is en, in afwijking van het bepaalde in voormeld artikel zelf nog een wijze van waardebepaling voorstelt, onderschrijft zij - in zekere zin - daarmee ook de visie van [verweerder] en [belanghebbende] ter zake. Dat maakt dat haar stelling dat [verweerder] in weerwil van het testament heeft gehandeld geen doel treft en dat uit het voorgaande volgt dat sprake is van omstandigheden die rechtvaardigen om van het testament af te wijken. De door [verweerder] gekozen oplossing is redelijk en leidt evenmin tot het oordeel dat sprake is van een gewichtige reden om tot het ontslag over te gaan.

4.4.4.

Ook de mening van [verzoekster] dat [verweerder] haar weinig duidelijkheid over de financiën van de nalatenschap heeft verstrekt leidt niet tot een ander dan in r.o. 4.4.3. vermeld oordeel. De wet voorziet bij art. 4:151 juncto 4:161 BW in het verschaffen van die gewenste duidelijkheid. Haar stelling dat het inschakelen van een advocaat door [verweerder] overbodig was en dat [verweerder] onnodig veel uren aan werkzaamheden declareert heeft [verweerder] gemotiveerd bestreden en mede door het aanleveren van zijn urenspecificatie voldoende aannemelijk en inzichtelijk gemaakt. Bovendien voorziet de wet ook hier in andere mogelijkheden indien daarover (alsnog) een debat zou ontstaan.

4.5.

Met inachtneming van al het vorenoverwogene kan niet worden geoordeeld dat sprake is van gewichtige redenen die er toe leiden dat [verweerder] uit zijn functie van executeur en afwikkelingsbewindvoerder dient te worden ontslagen dan wel geschorst. De verzoeken van [verzoekster] zullen worden afgewezen.

4.6.

De stelling van [verweerder] dat proceskosten boedelkosten zijn treft geen doel. Het kan voorkomen dat proceskosten boedelkosten zijn maar dat is niet in iedere procedure over een nalatenschap het geval. De door [verweerder] verzochte werkelijke proceskosten, die hij voorshands schat op € 8.000,00, zullen als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. Gelet hierop zal de kantonrechter de proceskosten toewijzen als nader in het dictum is bepaald.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de verzoeken van [verzoekster] af,

5.2.

bepaalt dat [verzoekster] , [belanghebbende] en [verweerder] hun overeenkomstig het liquidatietarief tot aan deze beschikking gemaakte begrote proceskosten ten laste van de nalatenschapsboedel van [erflater] mogen brengen,

5.3.

wijst af het meer of anders door [verweerder] ter zake de proceskosten verzochte,

5.4.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.J. Quaedackers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

YT