Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:9494

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
03.156401.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor poging tot opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bewezenverklaring voor poging tot doodslag. Geen sprake van noodweerexces. Veroordeling tot gevangenisstraf van 3 jaren.

Poging tot doodslag van slachtoffer 1 en poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van slachtoffer 2.

1. Voorwaardelijk opzet op de dood en op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel?

2. Beroep op noodweerexces. Verdachte heeft slachtoffer 1 en slachtoffer 2 gestoken met een mes. De rechtbank heeft voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij slachtoffer 2 niet aangenomen, omdat niet is gebleken hoe en met welke kracht verdachte slachtoffer B heeft gestoken. De rechtbank heeft wel voorwaardelijk opzet op de dood aangenomen bij slachtoffer 1, omdat verdachte door slachtoffer 1 in diens borst te steken willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat slachtoffer 1 het leven zou laten. De rechtbank heeft met betrekking tot het beroep op noodweerexces een tweedeling gemaakt voor de noodweersituatie, te weten in de woning en buiten de woning. De rechtbank vindt dat er in de woning wel sprake was van een noodweersituatie van verdachte, maar buiten de woning, daar waar verdachte slachtoffer 1 gestoken heeft, niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de noodweersituatie in de woning bij verdachte niet een zodanige gemoedsbeweging teweeggebracht dat een beroep op noodweerexces in de situatie buiten de woning kan slagen. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweerexces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03.156401.19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

thans gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst, Op de Geer 1, 6135 KN te Sittard.

Verdachte wordt bijgestaan door mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, kantoorhoudende te Tegelen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 oktober 2019. Verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. Voor de benadeelde partij is verschenen mr. J.B.J.G.M. Schyns. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair en subsidiair: heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] opzettelijk te doden door hem met een mes in zijn linkerzij te steken, althans heeft geprobeerd om hem op die manier opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 2: heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes in zijn been en/of rug te steken.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

De officier van justitie wijst daarbij naar de verklaringen van de getuigen en de medische informatie in het dossier. Dat [slachtoffer 1] niet dodelijk is geraakt, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de feiten 1 primair en 2. Er bestond geen aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij [slachtoffer 1] of zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] , zodat de verdachte ook om die reden moet worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met het steken met een mes in het bovenbeen en de rug van [slachtoffer 2] het opzet heeft gehad om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, of de aanmerkelijke kans hierop heeft aanvaard. Uit de medische gegevens in het dossier volgt dat [slachtoffer 2] een kleine snijverwonding van 2 cm op zijn rug had en een steekverwonding van 2,5 cm op zijn bovenbeen had. Er was gering uitwendig bloedverlies. Daarnaast was er geen vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel of inwendig bloedverlies. En ook uitgebreide CT‑scan onderzoeken lieten geen afwijkingen zien. De geschatte duur van de genezing was 2 weken. Uit de voornoemde medische gegevens blijkt niet hoe en met welke kracht de verdachte heeft gestoken. Gelet hierop moet de verdachte van het hem onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 1 primair 1

[slachtoffer 1] was op 30 juni 2019 aan de [adres] te Horst. Daar ontstond een ruzie tussen [slachtoffer 2] en de verdachte.234 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn daarop naar buiten gegaan. De verdachte kwam naar buiten en begon [slachtoffer 2] aan te vallen.5 Hij stak hem met een mes in zijn been.6 [slachtoffer 1] probeerde [slachtoffer 2] en de verdachte uit elkaar te trekken.7 De verdachte heeft toen ook [slachtoffer 1] verwond met het mes.8910

Op 30 juni 2019 heeft forensisch arts Y. van der Vijgh vastgesteld dat op de linker zijde van de borstkas van [slachtoffer 1] circa 6 cm diagonaal onder de tepel een enkele circa 2 cm lange wond met scherpe wondranden te zien was. De bij de spoedeisende hulp gemaakte CT-scan had een kleine klaplong laten zien. Vanwege de anatomie was er een aanzienlijk risico op het raken van vitale organen zoals het hart, de long en de grote vaten, wat tot een levensbedreigende situatie had kunnen leiden.11

Bewijsoverweging

Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte (boos) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank echter van oordeel dat de verdachte door [slachtoffer 1] in diens borst te steken wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] het leven zou laten, en daarmee het voorwaardelijk opzet heeft gehad om hem van het leven te beroven.

Uit de medische informatie blijkt dat de verdachte een long van [slachtoffer 1] heeft geraakt met het mes, en dat vanwege de anatomie een aanzienlijk risico bestond op het raken van andere vitale organen zoals het hart en de grote vaten, wat tot een levensbedreigende situatie had kunnen leiden. Uit de omstandigheid dat verdachte [slachtoffer 1] in zijn long heeft geraakt, blijkt dat hij met kracht heeft gestoken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Feit 1 primair
op 30 juni 2019 te Horst ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, deze [slachtoffer 1] met een mes in diens linkerzij heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder feit 1 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van verdachte


Noodweerexces

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte een beroep toekomt op noodweerexces en dat hij daarom ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De slachtoffers hebben het conflict met de verdachte opgezocht. De verdachte heeft meerdere malen geprobeerd om te vluchten en zag geen andere uitweg dan zichzelf te verdedigen. Hij had daarbij geen rekening gehouden met de omstandigheid dat hij het mes nog in zijn hand had. Door het steken met een mes heeft hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Het handelen van verdachte is het gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . De verdachte was bang.

De rechtbank stelt op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.

Binnen

Verdachte was op 30 juni 2019 in zijn woning aan de [adres] te Horst. Binnen in die woning heeft een confrontatie plaatsgevonden tussen in ieder geval [slachtoffer 2] en verdachte. Het is aannemelijk dat de verdachte daarbij een of meer klappen heeft gehad. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich mocht verdedigen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich in die situatie mocht verdedigen. Deze situatie eindigt evenwel op enig moment, en dus eindigt dan ook de noodweersituatie voor verdachte, in ieder geval op het moment dat verdachte naar buiten gaat.

Buiten

Op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van [slachtoffer 2] , [getuige 1] , en [getuige 2] kan het niet anders zijn dan dat de verdachte buiten op [slachtoffer 2] is afgestapt en dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft gestoken met een mes. Het is de verdachte die de confrontatie opzocht, terwijl hij een mes in zijn hand had. Dat er in die situatie een soort van worsteling is ontstaan, is aannemelijk. [slachtoffer 2] probeerde zich te verdedigen. Er ontstond een noodweersituatie voor [slachtoffer 2] en niet voor de verdachte. [slachtoffer 1] wilde [slachtoffer 2] helpen. Op het moment van steken van [slachtoffer 1] was er in ieder geval geen noodweersituatie voor de verdachte: de verdachte was immers de agressor.

Uit het voorgaande volgt dat voor verdachte - buiten de woning - geen noodweersituatie bestond. Desondanks kan een beroep op noodweerexces slagen, wanneer de verdachte tot het steken van [slachtoffer 1] zou zijn overgegaan als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedstoestand veroorzaakt door de daaraan voorafgaande schermutseling in de woning, waarbij door [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] klappen zouden zijn uitgedeeld. Van een dergelijke hevige gemoedsbeweging blijkt echter niet uit de processtukken. Verdachte heeft ter terechtzitting van 9 oktober 2019 en tegenover de politie weliswaar verklaard dat hij zich er niet van bewust was dat hij (nog) een mes in zijn hand had, maar dit duidt niet (zonder meer) op een hevige gemoedsbeweging. Ook uit de overige verklaringen in het dossier, waaronder die van de getuigen en de direct betrokkenen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , komt niet naar voren dat de verdachte ten prooi was aan hevige emoties, laat staan dat het steken als een onmiddellijk gevolg daarvan moet worden aangemerkt.

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweerexces.

Nu het beroep op noodweerexces faalt en ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf van vijf jaar op te leggen, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft de vaste jurisprudentie van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch inzake poging doodslag als uitgangspunt genomen voor haar eis. Zij heeft bij de formulering van haar strafeis rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte en de omstandigheid dat de reclassering een laag recidiverisico aanneemt.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om de gevangenisstraf in zeer grote mate te matigen ten opzichte van de eis, en rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte first offender is, als ook met het aandeel dat de slachtoffers in de aanloop naar het steekincident hebben gehad.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte huurde een kamer in een woning aan de [adres] te Horst. Daar verbleven meerdere Bulgaarse en Poolse mensen, onder wie collega’s. Om redenen ontstond tussen de verdachte en enkele van zijn medebewoners een conflict dat erin eindigde dat de verdachte een van hen een levensbedreigende messteek toebracht.

Door zijn handelen heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Zoals blijkt uit de vordering van de benadeelde partij en de nadere toelichting van zijn gemachtigde ter terechtzitting, is [slachtoffer 1] nog steeds arbeidsongeschikt. Met name de psychische gevolgen draagt hij met zich mee. [slachtoffer 1] had dit niet zien aankomen. Hij wilde een andere collega helpen, die in zijn beleving door de verdachte werd belaagd. Verdachte was zijn huisgenoot en collega. [slachtoffer 1] heeft aan het incident een aantal ontsierende littekens op zijn borstkas, buik en linkerbovenarm overgehouden.

Een feit als dit zorgt bovendien voor maatschappelijke onrust. Het incident speelde zich af in de tuin van een woning waar meerdere mensen verbleven. De personen die daar op dat moment aanwezig waren, zijn ongewild geconfronteerd met het gewelddadige handelen van verdachte. Dit moet voor alle aanwezigen een beangstigende ervaring zijn geweest.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf in aanmerking genomen wat door verschillende rechtscolleges in het land in vergelijkbare gevallen in de regel wordt opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet de aanstichter was van het conflict.

In deze omstandigheden, en gelet op de vrijspraak voor feit 2, ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting in aanzienlijke mate ten voordele van de verdachte af te wijken van de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van de verdachte van 10 september 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op een omtrent verdachte door Reclassering Nederland op 2 oktober 2019 uitgebracht advies. Uit dit advies blijkt dat de reclassering inschat dat sprake was van een eenmalig incident. Het recidiverisico wordt (derhalve) als laag ingeschat. Bij een veroordeling wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd. Conform het advies van de reclassering zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.

Alles in aanmerking genomen acht de rechtbank een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 4.498,43 ter zake van
feit 1. Mr. Schyns heeft ter terechtzitting namens de benadeelde partij de vordering nader toegelicht.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij in de vordering van (materiële) schade ten aanzien van de ketting niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens het ontbreken van een aantoonbaar verband met het ten laste gelegde. Zij acht de gevorderde proceskosten toewijsbaar. De officier van justitie rekwireert tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 81,58 voor materiële en een in goede justitie vast te stellen bedrag aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de benadeelde ten aanzien van de gevorderde schade vanwege het verlies van een gouden ketting niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens het ontbreken van een verband met het ten laste gelegde. Daarnaast ontbreken de bescheiden waaruit te herleiden is dat verdachte vier afspraken bij het ziekenhuis heeft gehad. De raadsvrouw vraagt de gevorderde immateriële schade substantieel te matigen, omdat de benadeelde partij geen ontsierende littekens in zijn gezicht heeft. Ten slotte wijst zij, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW), erop dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan hun schade eigen schuld hebben gehad.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat geen aantoonbaar verband bestaat tussen de schade vanwege het verlies van de gouden ketting en het ten laste gelegde en zal de benadeelde partij derhalve in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade vanwege de reiskosten van vier afspraken in het ziekenhuis toewijsbaar zijn. Voldoende is gesteld en onvoldoende gemotiveerde betwist dat benadeelde vier keer naar het ziekenhuis is moeten gaan in verband met zijn verwondingen.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade in beginsel toewijsbaar is tot een bedrag van € 2.000,00. De onderhavige zaak verschilt van de door de raadsman aangehaalde jurisprudentie. De benadeelde in de onderhavige zaak heeft, in tegenstelling tot de benadeelden in de aangehaalde jurisprudentie, geen ontsierende littekens in het gelaat. De rechtbank zal de wettelijke verplichting tot schadevergoeding echter matigen tot € 1.500,00, omdat toekenning van de volledige schadevergoeding, gelet op de geringe draagkracht van de verdachte, tot kennelijke onaanvaardbare gevolgen voor hem zal leiden.

De rechtbank zal aldus een bedrag aan schadevergoeding toewijzen ter hoogte van € 1.563,28 (bestaande uit € 63,28 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank zal over dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank zal de verdachte ten slotte veroordelen in de kosten door de benadeelde ten behoeve van de procedure gemaakt, thans begroot op € 18,30.

8 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave aan de beslagene gelasten van de in beslag genomen broek.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. .

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1 primair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe, en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 1.563,28 (bestaande uit € 63,28 aan materiële en € 1.500,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 30 juni 2019 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.563,28, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op;

  • -

    voormeld bedrag bestaat uit € 63,28 materiële schade en € 1.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 18,30;

  • -

    veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

  • -

    verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

Beslag

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan verdachte:

1 STK broek

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. J.B.J. Driessen en
mr. K.G. Witteman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.L. Hermans, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 oktober 2019.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1
hij op of omstreeks 30 juni 2019 te Horst, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, deze [slachtoffer 1] met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, in diens (linker)zij, in elk geval in diens bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 juni 2019 te Horst, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen deze [slachtoffer 1] met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, in diens (linker)zij, in elk geval in het bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2
hij op of omstreeks 30 juni 2019 te Horst, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen deze [slachtoffer 2] , met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, in diens been en/of rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg-Noord, Districtsrecherche Noord- midden Limburg, proces-verbaalnummer 2019101011, gesloten d.d. 15 augustus 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 112 en 9 ongenummerde pagina’s.

2 Proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 2] d.d. 30 juni 2019, p. 16 t/m 18.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 1 juli 2019, p. 11 t/m 13.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 5 juli 2019, p. 68 t/m 71.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 1 juli 2019, p. 11 t/m 13.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 5 juli 2019, p. 63 t/m 66.

7 Proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 2] d.d. 30 juni 2019, p. 16 t/m 18.

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 1 juli 2019, p. 11 t/m 13.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 5 juli 2019, p. 68 t/m 71.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 5 juli 2019, p. 63 t/m 66.

11 Letselrapportage d.d. 2 augustus 2019, p. 19 t/m 23.