Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:9360

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
03/121316-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Limburg heeft een 55-jarige man wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid een gevangenisstraf opgelegd van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. De man had een jongen van 16 meegenomen naar zijn bedrijf, waar de jongen graag voor wilde werken, en naar zijn woning. Daar heeft de man de jongen tegen diens wil betast en gezoend. De rechtbank noemt de werkwijze van de man ‘doortrapt’ omdat hij welbewust een situatie creëerde waarin de jongen zich machteloos voelde. De man moet aan de jongen onder meer een bedrag van € 4.000,- betalen als smartengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/121316-18

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juli 2019

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

Raadsman: mr. R.H.M. Wagemans, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 juni 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er na wijziging tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte [slachtoffer] heeft aangerand (primair) dan wel (subsidiair) [slachtoffer] , die destijds minderjarig was, heeft verleid tot ontucht.

3 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat de weergave van de aan de politie ten dienste staande informatie die tot de vervolging van de verdachte heeft geleid (hierna te noemen: startmutatie) in het dossier ontbreekt en daardoor niet valt na te gaan of er voldoende aanwijzingen van schuld waren, die het rechtvaardigden dat een strafrechtelijk onderzoek daarnaar werd aangevangen.

De rechtbank overweegt als volgt. Naar geldende jurisprudentie komt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie als sanctie op vormverzuimen slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als er een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde wordt gemaakt, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. Het recht verbindt aan het ontbreken van een startmutatie in zijn algemeenheid niet de consequentie van niet-ontvankelijkheid. Daar komt nog bij dat de raadsman niet heeft aangevoerd aan welke belangen van de verdachte daardoor tekort zou zijn gedaan. Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen van het informatief gesprek zeden en een aangifte. Kennelijk naar aanleiding daarvan is het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte aangevangen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in die omstandigheden niet in zijn belangen is geschaad, zodat een verklaring dat het Openbaar Ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging niet in de rede ligt.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer] (hierna: de aangever), die bevestiging vindt in de app-berichten die tussen hem en de verdachte zijn uitgewisseld en die de verdachte niet weerspreekt. Voorts heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van [getuige] , die zich kan herinneren dat de aangever met haar heeft gesproken over het feit dat zich seksuele handelingen tussen de verdachte en de aangever hebben voorgedaan.

Aangever was destijds net 16 jaren oud en kwetsbaar. De verdachte wist dat hij te maken had met een kwetsbare jongere. Bovendien verkeerde de aangever ten opzichte van de verdachte in een afhankelijke positie. De verdachte heeft die omstandigheden gebruikt c.q. misbruikt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de verdachte vrij te spreken bij gebrek aan bewijs. De verklaring van de aangever berust volgens de informatie van de raadsman niet op de waarheid. Namens zijn cliënt ontkent de raadsman het tenlastegelegde. De raadsman heeft gewezen op het feit dat de verklaring van [getuige] onduidelijk is en tegenstrijdigheden bevat en daarom niet tot (steun)bewijs kan dienen. Bovendien vormt haar verklaring een ondersteuning voor het standpunt van de verdachte dat de verklaring van de aangever verzonnen is. De app-berichten, die afkomstig zijn van aangever, moeten van het bewijs worden uitgesloten, omdat deze berichten kennelijk zijn opgesteld in overleg met een derde. Tot slot heeft de raadsman, onder verwijzing naar Europees recht, betoogd dat het feit dat de verdachte gebruik maakt van zijn zwijgrecht, niet tegen hem gebruikt mag worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank baseert haar oordeel over hetgeen hierna bewezen zal worden verklaard op de navolgende redengevende feiten en omstandigheden.

Aangifte

Op 23 juni 2016 deed [slachtoffer] aangifte tegen de verdachte, [verdachte] uit [woonplaats]2, wegens aanranding. Op 14 juni 2016 had hij al zijn verhaal gedaan in een zogenoemd Informatief gesprek zeden.3

De aangever, ten tijde van de aangifte net 16 jaar oud, had de verdachte eind 2015 leren kennen.4 In april of maart 2016 zou aangever voor de verdachte gaan werken op Kingsday in het [bedrijf] . Aangever zocht projecten en klussen in de licht- en geluidtechniek. Met dat doel benaderde hij de verdachte. De verdachte heeft een bedrijf in die branche en zou wel werk hebben voor aangever, maar wilde hem dan eerst beter leren kennen. Daarom spraken zij af. Dat was vlak voor Koningsdag in 2016. Over die afspraak heeft de aangever verklaard dat het een soort sollicitatiegesprek was. Hij werd door de verdachte rondgeleid in zijn bedrijven [naam bedrijf verdachte 1] en [naam bedrijf verdachte 2] . De aangever werd voorgesteld aan het personeel. De verdachte nam de aangever daarna mee in de auto. Samen reden zij door de Benelux. In de auto stelde de verdachte onder meer vragen aan de aangever over diens seksuele geaardheid en masturberen.5 Hij wreef en klopte tijdens het rijden op de schouder van de aangever. De aangever vond dat raar en zei dat ook tegen de verdachte, waarop de verdachte antwoordde dat de aangever daar aan moest wennen. De verdachte bracht aangever thuis.6

Op een donderdag of vrijdag in juni 2016 vroeg de verdachte aan de aangever of hij mee wilde gaan om een aggregaat te halen. De aangever stemde toe. De verdachte kwam met de bedrijfsbus en haalde hem op bij het gezinshuis, waar de aangever verbleef. Ze hebben het aggregaat opgehaald en brachten dat naar het bedrijf van de verdachte, dat bij zijn woning in Ulestraten is gelegen. Daarna gingen ze naar het andere bedrijf van de verdachte. Daar ging de verdachte bij aangever staan en zat aan zijn rug, arm, billen en geslachtsdeel, over de kleding. Ook probeerde hij de aangever te zoenen. De aangever wilde dat niet en zei “nee”.7 De verdachte zei toen dat de aangever het niet verkeerd moest opvatten, want hij was niet uit op iets seksueels, maar op vriendschap.

Vervolgens gingen zij naar het huis van de verdachte, waar de verdachte de aangever een rondleiding gaf. De verdachte ging de aangever over zijn rug wrijven en knuffelen en probeerde hem weer te zoenen. Op de vraag van de verdachte, wat de aangever daarvan vond, antwoordde hij dat hij het raar vond en dat hij liever niet wilde dat hij verder ging. De aangever verklaart daarover:

Als hij het wilde deed hij het toch, ik was in een vreemd huis. Ik had zo vaak nee kunnen zeggen, ik had er toch niets tegen kunnen doen.8

De verdachte wreef over de blote rug van de aangever en, over de kleding, over zijn kont en geslachtsdeel. De aangever moest over de rug en buik van de verdachte wrijven. De verdachte stopte een hand van de aangever onder zijn trui. Toen de aangever niets deed, pakte de verdachte zijn hand vast en ging hij heen en weer met deze hand van de aangever over zijn rug en buik. De verdachte ging met zijn hand in de broek van de aangever en wilde de riem van de broek losmaken. De aangever zei dat dat niet nodig was, maar het gebeurde toch. De verdachte liet de broek en onderbroek van de aangever tot op de enkels zakken en speelde met het geslachtsdeel van de aangever. De aangever zei dat hij het niet leuk vond. De verdachte antwoordde dat hij moest ontspannen en masturbeerde de aangever.9

Ondertussen had ook de verdachte zijn broek en onderbroek op zijn enkels laten zakken. Hij pakte de hand van de aangever, deed die in de richting van zijn geslachtsdeel en legde zijn geslachtsdeel in een hand van de aangever.10 De verdachte trok de aangever toen tegen zich aan en daardoor raakten hun geslachtsdelen elkaar. De verdachte zei toen dat dit hun eerste geheim was. Hij probeerde aangever ook weer te zoenen; één keer raakte hij hem op de mond, maar het is hem niet gelukt aangever te tongzoenen.

Eenmaal thuis, appte aangever naar zijn beste vriendin [getuige] : “volgens mij is mijn baas een pedo” gevolgd door een sip kijkende smiley. Hij durfde het niet tegen zijn gezinsouders te vertellen. Wel sprak hij met de gezinsouders van [getuige] , die op hun beurt de gezinsouders van de aangever inlichtten. Naar aanleiding daarvan werd de politie geïnformeerd.11

[getuige] heeft ook een verklaring afgelegd. Zij heeft samen met de aangever in een leefgroep gewoond. Zij heeft destijds van de aangever gehoord dat zijn baas dingen bij hem deed die hij niet wilde. Het betrof iets seksueels. De aangever moest handelingen doen. Details kan zij zich niet herinneren.12

De WhatsApp-berichten

De politie heeft in het kader van het onderzoek het telefoontoestel van de aangever uitgelezen.13 Op het telefoontoestel zijn berichten aangetroffen tussen “[slachtoffer] [telefoonnummer 1]” en “[verdachte] [telefoonnummer 2]”.14 De verdachte heeft niet willen verklaren of het telefoonnummer [telefoonnummer 2] door hem wordt gebruikt.15

Uit de fouillering van de verdachte heeft de politie een telefoontoestel gehaald. Toen de politie naar voornoemd telefoonnummer belde, ging dat toestel trillen.16 De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat het telefoonnummer (+) [telefoonnummer 2] in gebruik is bij de verdachte.

Tot deze berichten behoorden onder meer de navolgende:

Op 11 juni

[verdachte] : Heb je morgen nog tijd voor mee aftebreken

[slachtoffer] : hoelaat tot hoelaat

[verdachte] : 12 uur in echt

[verdachte] : Moet ik je ophalen morgenvroeg

Op 13 juni

[verdachte] : Jammer dat je gisteren niet mee kon was wel leuk geweest

[verdachte] : Als ik je moet helpen met leren moet je maar zeggen

Op 14 juni

[slachtoffer] : Ja dankjewel zal er aan denken zo dra ik Hulp nodig heb

[verdachte] : Je moet vanavond maar effe appen dan kan ik je even bellen en dan kunnen we even bijpraten

[slachtoffer] : Ik weet nie zeker of ik nog contact wil houwe met je ik vond het niet zo fijm vrijdag bij je thuis

Op 15 juni:

[verdachte] : Maar dat hoeft ook niet het is maar wat jij graag wil

[slachtoffer] : Hey ik wil liever niks zegge tegen [naam 1] en [naam 2] dus zou je dit ook stil wille houden

[verdachte] : Zeker wanneer kan ik je het beste bellen

[slachtoffer] : Beter ff niet

[verdachte] : Ep maar als het je uitkomt

[slachtoffer] : Als we verder met elkaar gaan werken moeten wel eerst alles uitpraten wan ik wil ook nie datje boos bent op me omdat ik dat ene niet meer wil

[verdachte] : Zeker moeten we dat met elkaar uitpraten het is maar wat jij wil

[slachtoffer] : Ik wil niet meer dat ik aan jou piemel hoef te zitten en jij ook niet meer aan mijn piemel zit want ik vond dat raar en het gaf me geen goed gevoel

[verdachte] : Dit soort dingen gaan we helemaal niet doen. We gaan ons bezig houden met licht en geluid

[slachtoffer] : Maar waarom deed je dat vrijdag wel dan

[slachtoffer] :I k bel liever even niet zei ik al

[verdachte] : O sorry ik dacht dat dat vanavond wel zou kunnen

[slachtoffer] : Waarom geef je eerst geen antwoord op me vraag

Op 18 juni:

[slachtoffer] : Ik wil geen contact meer voor datje me beloofd datje niet meer aan mijn piemel zit en ik niet niet meer aan jou piemel hoef te zitten

[verdachte] : Dat is voor mij totaal geen probleem ik wil dat ook niet

[slachtoffer] : Waarom zat je vrijdag wel aan mijn piemel dan als ik vragen mag

[verdachte] : Ik wil dit helemaal niet ik wil met je verder gaan dat we samen geluid en licht gaan doen en je helpen op verschillende manieren waar dat moet

[verdachte] : Wanneer kan ik je bellen

[slachtoffer] : Niet bellen eerst beloven

[verdachte] : Als ik je zeg dat ik dat niet wil en niet doe dan doe ik dat ook niet

Overwegingen van de rechtbank

Uit de aangifte volgt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode in Ulestraten diverse keren aangever tegen zijn wil heeft gezoend en aangeraakt, waaronder ook zijn rug, buik, billen en geslachtsdeel. Ook volgt daaruit dat de verdachte de aangever heeft afgetrokken en zijn penis in de hand(en) van [slachtoffer] heeft gelegd. Daarover heeft de aangever consistent en gedetailleerd verklaard. De verdachte stelt daar slechts een zwijgen tegenover, en – bij monde van zijn advocaat – een algemene ontkenning, zonder enige onderbouwing of concretisering. Gelet op de voormelde omstandigheden bestaat er voor de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de aangever. Anders dan de raadsman acht de rechtbank de aangever betrouwbaar in hetgeen door hem tegenover ambtenaren van de politie werd verklaard.

De vraag waar de rechtbank zich voor ziet gesteld is of de handelingen van de verdachte, waar de aangever over heeft verklaard, zijn te beschouwen als een feitelijke aanranding van de eerbaarheid, zoals voorzien en strafbaar gesteld door artikel 246 Wetboek van Strafrecht. Daarvoor is vereist dat door geweld, de bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwang ontstaat tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Van geweld of bedreiging met geweld is de rechtbank niet gebleken. Het is dus de vraag of in dit geval het misbruik van psychisch overwicht, het uit zijn leeftijd of uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht kan worden gerekend tot die andere feitelijkheid.

De rechtbank is van oordeel dat bij beide voorvallen, in het weekend voor Koningsdag 2016 en op een donderdag of vrijdag in juni 2016, kan worden vastgesteld dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van het overwicht dat hij op de aangever had.

De aangever was op dat moment juist 16 jaren oud, terwijl de verdachte destijds 52 jaren oud was. De aangever was afhankelijk van de verdachte voor het krijgen van klussen voor zijn hobby, het uitvoeren van licht- en geluidwerkzaamheden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever de verdachte bij klussen hielp en dat hij geïntroduceerd werd bij het bedrijf van de verdachte. Hoewel -formeel gezien- er (nog) geen arbeidsovereenkomst bestond, was er feitelijk wel een met werkgever-/werknemerrelatie gelijk te stellen relatie tussen de aangever en de verdachte ontstaan, met de verdachte als leidinggevende en de aangever als ondergeschikte.

De verdachte moet zich hebben gerealiseerd dat de aangever een kwetsbare jongere was. Hij zette hem immers af bij het gezinshuis, waar aangever woonde, wist van de ‘gezinsouders’, stemde erin toe om tegenover hen stil te houden wat er was gebeurd en bood aangever aan om hem te helpen “op verschillende manieren waar dat moet”. Bovendien creëerde hij een situatie waarin de aangever afhankelijk van hem was. Hij haalde hem immers thuis op, nam hem mee in de auto en bracht hem daarna thuis. Eerst in zijn bedrijfspand, en daarna bij hem thuis, in een voor de aangever vreemd huis betastte en zoende de verdachte de aangever, volgens diens verklaring tegen zijn zin en wil. Volgens zijn verklaring voelde de aangever zich machteloos. Hij had niet het idee dat hij iets had kunnen doen. De aangever heeft verklaard dat hij enkele keren uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen het seksueel opdringerig gedrag van de verdachte, maar dat toen de verdachte zich daar niets van aan trok, het voelde alsof hij er niets tegen kon doen.

Dit zijn omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank, mogelijk ieder op zich al, maar zeker in onderlinge samenhang bezien, vallen onder de noemer misbruiken van psychisch overwicht en het uit de leeftijd van de verdachte en uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht, waaraan de aangever zich op dat moment niet kon onttrekken. Daarbij negeerde de verdachte het verzet dat de aangever bood. Ondanks dat de aangever tot twee maal toe “nee” zei, is de verdachte gewoon door gegaan met het plegen van ontuchtige handelingen jegens de aangever.

In het licht van bestendige jurisprudentie17 in zedenzaken, komt de rechtbank tot het oordeel dat in deze zaak ook wordt voldaan aan het bewijsminimum, zoals dat door artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is voorgeschreven. De verklaring van de aangever over de gedragingen van de verdachte vindt namelijk voldoende steun in de op het telefoontoestel van aangever aangetroffen WhatsApp-berichten, zoals deze hiervoor werden geciteerd. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de door de aangever aan de verdachte gestuurde berichten niet als bewijs kunnen dienen, omdat deze in samenspraak met de gezinsouder van aangever zouden zijn opgesteld. De rechtbank volgt de raadsman daarin niet. Het gaat namelijk niet uitsluitend om de berichten die de verdachte heeft ontvangen, maar vooral om de berichten die kennelijk door de verdachte als reactie daarop zijn verstuurd aan de aangever. Als de verdachte inderdaad niets van doen zou hebben met de hem door de tenlastelegging verweten gedragingen, dan komt het aan de rechtbank onvermijdelijk voor dat hij op de berichten van de aangever zou hebben gereageerd met ontkenning, onbegrip, ongeloof of een daarmee vergelijkbare emotie of reactie. Dat doet de verdachte echter niet; integendeel, in zijn antwoorden beweegt hij mee met de verdachte met de inhoud van de door de aangever aan hem gezonden berichten (zonder overigens de gebeurtenissen toe te geven). De rechtbank leest daarin een erkenning door de verdachte dat de ontuchtige handelingen, die aangever in die berichten aan de orde stelt, feitelijk hebben plaatsgevonden. De aangifte vindt aldus op specifieke punten steun in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar bevestiging vindt in een andere bron.

Alles overziende en in onderling verband bezien en anders dan de raadsman, acht de rechtbank voldoende wettig bewijs voorhanden, dat de rechtbank ook overtuigt dat de verdachte de aangever heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door een andere feitelijkheid, in dit geval gelijk te stellen met geweld of bedreiging met geweld.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

primair

in de periode van 1 april 2016 tot en met 11 juni 2016 te Ulestraten, in de gemeente Meerssen, door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten:

- het betasten en strelen van de rug en de buik en de billen en de penis van [slachtoffer] en

- het aftrekken van [slachtoffer]

- het leggen van zijn penis in de hand(en) van [slachtoffer] en

- het zoenen van [slachtoffer]

en bestaande die andere feitelijkheid hieruit dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn psychisch overwicht en het uit zijn leeftijd en uit feitelijke verhoudingen (van werkgever tot werknemer) voortvloeiend overwicht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen primair meer of anders aan de verdachte is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf en de maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft [slachtoffer] gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. Hij maakte daarbij – op doortrapte wijze – gebruik van zijn overwicht en van de kwetsbare positie waarin [slachtoffer] verkeerde.

De verdachte heeft daarmee een ontoelaatbare inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt, kennelijk uitsluitend ter bevrediging van zijn seksuele behoeften.

De verdachte heeft zich tegenover ambtenaren van de politie en ook ter terechtzitting telkens op zijn zwijgrecht beroepen en aldus geen verklaring afgelegd. Hij neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. Omdat dit een negatieve invloed heeft op het verwerkingsproces van de aangever, heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf hiermee ten nadele van de verdachte rekening gehouden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van aanrandingen en/of ontuchtige handelingen daar lange tijd nadelige gevolgen van kunnen ondervinden. Zij voelen zich niet meer veilig en worden argwanend naar anderen. Niet voor niets heeft de wetgever de bescherming van de lichamelijke integriteit, en dan zeker die van minderjarigen, willen beschermen. Het is bovendien bekend dat dergelijke gebeurtenissen ook in ruimere zin gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving versterken. Ook met deze argumenten heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf ten nadele van de verdachte rekening gehouden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf, dan een straf die een vrijheidsbeneming van de verdachte gedurende een zekere duur met zich brengt. Zij acht het voorts zinvol dat een gedeelte van deze straf voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, zodat deze straf tevens dienstbaar zal zijn aan het voorkomen van recidive.

In het voordeel van de verdachte spreekt dat hij geen geweld heeft gebruikt of met het gebruik daarmee heeft gedreigd en voorts dat zijn handelen zich uiteindelijk heeft beperkt tot ontucht.

Alle omstandigheden van het geval tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, daarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, in dit geval een passende reactie is.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich door het indienen van een vordering tot vergoeding van zijn schade ter terechtzitting bij monde van zijn raadsman mr. Wijnands als benadeelde partij gesteld in het strafgeding. Hij vordert een vergoeding wegens immateriële schade tot een bedrag van € 4.000,00, onder verwijzing naar vergelijkbare zaken en wegens materiële schade, bestaande uit € 159,00 (vervangend telefoontoestel), € 635,04 (reiskosten) en € 907,50 (kosten rechtsbijstand).

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, met dien verstande dat naar haar oordeel de kosten voor de aanschaf van een vervangend telefoontoestel niet gerekend kunnen worden tot schade die het rechtstreeks gevolg is van het strafbaar feit. De officier van justitie heeft bepleit de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren en te verwijzen naar de burgerlijk rechter.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdachte, noch zijn raadsman heeft de vordering van de benadeelde betwist.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De aansprakelijkheid of de omvang van de schade is door of namens de verdachte niet betwist.

Immateriële schadevergoeding en reiskosten

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door [slachtoffer] gevorderde schade om te oordelen dat [slachtoffer] door dit handelen rechtstreeks schade is toegebracht. Het gevorderde wegens immateriële schade komt de rechtbank niet ongegrond of bovenmatig voor. De verdachte zal daarom worden veroordeeld tot betaling aan [slachtoffer] van € 4.000,-. De rechtbank zal eveneens de vergoeding wegens reiskosten ad € 635,04 toewijzen. De rechtbank acht deze vordering naar inhoud en omvang redelijk. Tevens zal de rechtbank de wettelijke rente, te berekenen vanaf 11 juni 2016 tot de dag van algehele voldoening toewijzen.

Kosten voor mobiele telefoon

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor wat betreft de verzochte vergoeding voor de aanschaf van een vervangend telefoontoestel. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit geen rechtstreekse schade.

Proceskosten

Nu de vordering van de benadeelde gedeeltelijk wordt toegewezen zal de verdachte worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde, de kosten voor rechtsbijstand en de kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis daaronder te begrijpen, tot op heden te begroten op € 480,00 (liquidatietarief kanton 2 punten).

Schadevergoedingsmaatregel

Gezien de verdachte jegens de benadeelde voor de bovenvermelde schade naar burgerlijk recht aansprakelijk is en omdat de rechtbank het van belang vindt dat de verdachte deze schade feitelijk zal vergoeden, zal tevens de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte worden opgelegd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het primair aan de verdachte tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat primair meer of anders aan hem is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert, zoals dat hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

  • -

    bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte voor de duur van drie maanden voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die wordt bepaald op drie jaren:

- zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet-ontvankelijk voor wat betreft de schade door de aanschaf van een vervangend telefoontoestel en verwijst hem voor wat betreft dat deel van zijn vordering naar de burgerlijke rechter;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige toe en veroordeelt de verdachte om aan hem € 4.635,04 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 11 juni 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten van deze procedure, die ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit vonnis daaronder begrepen, aan de zijde van [slachtoffer] tot heden begroot op € 480,00;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer] , van € 4.635,04, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 56 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat, in zoverre de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, in zoverre de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters,

mr. M. Driever, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2019.

Buiten staat

Mr. Van Maanen Winters is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat

primair

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2016 tot en met 11 juni 2016 te Ulestraten, in de gemeente Meerssen,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

- het betasten en/of strelen van de rug en/of de buik en/of de billen en/of de penis van die [slachtoffer] en/of

- het aftrekken van die [slachtoffer]

- het duwen en/of leggen van zijn, verdachtes, penis in de hand(en) van die [slachtoffer] en/of

- het zoenen en/of likken van die [slachtoffer]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat hij, verdachte,

misbruik heeft gemaakt van zijn psychisch overwicht en/of het uit zijn leeftijd en/of uit feitelijke verhoudingen (van werkgever tot werknemer) voortvloeiend overwicht en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

en voor zover het voorgaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, subsidiair

hij op of omstreeks 10 juni 2016 te Ulestraten, in de gemeente Meerssen,

een of meermalen door giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding,

[slachtoffer] , geboren op 25 mei 2000, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden,

immers heeft verdachte door het feitelijk overwicht dat hij op die [slachtoffer] had

- door het (aanzienlijke) leeftijdsverschil en/of

- door de persoonlijkheidsproblematiek van die [slachtoffer] en/of

- door die [slachtoffer] mee te nemen naar zijn woning waar verder niemand was, en/of

- omdat die [slachtoffer] (al dan niet betaalde) werkzaamheden verrichtte of wilde verrichten voor het bedrijf van verdachte en/of

- door de belofte van verdachte aan die [slachtoffer] om hem te helpen met zijn bedrijf en/of apparatuur uit te lenen aan die [slachtoffer]

die [slachtoffer] bewogen te dulden dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer] aftrok en/of

- zijn, verdachtes, penis in de hand(en) van die [slachtoffer] duwde en/of legde en/of

- die [slachtoffer] zoende en/of likte en/of

- ( onverhoeds) zijn blote geslachtsdeel tegen het blote geslachtsdeel van die [slachtoffer] duwde.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, divisie/dienst regionale recherche, afdeling zeden, proces-verbaalnummer 2016107014, gesloten d.d. 28 mei 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 53.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2016, p. 20 en 22.

3 Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 14 juni 2016, p. 16-19.

4 Proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2016, p. 22.

5 Proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2016, p. 21-23.

6 Proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2016, p. 24.

7 Proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2016, p. 25.

8 Proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2016, p. 25-26.

9 Proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2016, p. 26.

10 Proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2016, p. 26.

11 Proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2016, p. 26.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 28 april 2018, p. 30.

13 Stamproces-verbaal d.d. 28 mei 2018, p. 5.

14 Uitdraai telefoon Aangever, p. 45.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 mei 2018, p. 36 en proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 juni 2019.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 mei 2018, p. 38.

17 Zie bijvoorbeeld HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717.