Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:9354

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
22-11-2019
Zaaknummer
8052625 CV EXPL 19-6388
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding – afgifte hond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8052625 CV EXPL 19-6388

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 21 oktober 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonend [adres 1] ,

[woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. W.W.J. Houben,

tegen

[gedaagde] ,

wonend [adres 2] ,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. S.A.H. Creusen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het emailbericht van 3 oktober 2019 van [eiser] met producties

- de op 7 oktober 2019 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 22 juni 2017 is [gedaagde] middels schenking de eigenaar geworden van een hond, ras Amerikaanse Pit Bully. Zij heeft de hond toen “ [naam hond 1] ” genoemd.

2.2.

[gedaagde] had weinig tijd voor de hond. Via kennissen is [gedaagde] in contact gekomen met [eiser] . Op 25 juni 2018 hebben partijen met elkaar afgesproken. Het klikte tussen [eiser] en de hond en [eiser] heeft de hond toen meegenomen. [eiser] stuurt [gedaagde] via whatsapp later die avond het bericht dat hij de hond “ [naam hond 2] ” heeft genoemd. [gedaagde] reageert hierop per whatsapp:

Is ook beter dan [naam hond 1]

[gedaagde] stuurt later die avond het bericht:

Zeg maar wanneer je het wilt, als je haar wilt houden

2.3.

[eiser] heeft de hond sindsdien meer dan een jaar ononderbroken bij zich gehad. In het begin hebben partijen nog contact gehad over de hond, maar dit contact is na verloop van tijd afgenomen. [gedaagde] heeft het hondenpaspoort bij [eiser] in de brievenbus gedaan.

2.4.

[eiser] heeft in die periode op een facebookpagina het doen en laten van de hond vermeld. [gedaagde] had toegang tot die pagina.

2.5.

Op 5 augustus 2019 is [gedaagde] bij [eiser] langs geweest en heeft zij de hond meegenomen. [eiser] heeft bij die gelegenheid de hond de halsband omgedaan en de hondenriem aan [gedaagde] overhandigd.

2.6.

Nadien heeft [eiser] [gedaagde] tevergeefs gesommeerd tot afgifte van de hond.

2.7.

De hond bevindt zich tot op heden bij [gedaagde] .

2.8.

Het hondenpaspoort is nog in het bezit van [eiser] . In het hondenpaspoort staat [gedaagde] als eerste eigenaar vermeld en [eiser] als tweede eigenaar.

2.9.

De hond is bij de Nederlandse Databank Gezelschapsdieren geregistreerd op naam van [eiser] met vermelding van het microchipnummer.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bepaalt dat [gedaagde] de hond dient af te geven op verbeurte van een dwangsom en [gedaagde] veroordeelt in de kosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij de eigenaar is van de hond (artikel 5:2 BW). Hij stelt daartoe dat [gedaagde] op 25 juni 2018 de hond aan hem heeft geschonken en dat [gedaagde] de hond thans onrechtmatig onder zich houdt.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en betwist dat [eiser] de eigenaar is. Zij stelt dat zij de eigenaar is van de hond. Zij voert hiertoe aan dat [eiser] slechts tijdelijk voor de hond zou zorgen, omdat zij overdag aan het werk was. Zo [eiser] al de eigenaar is geworden, dan heeft hij op 5 augustus 2019 afstand gedaan van het eigendomsrecht en heeft [gedaagde] de eigendom opnieuw verkregen.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering van [eiser] ziet op een stopzetting van een inbreuk op zijn gepretendeerd eigendomsrecht, zodat [eiser] in beginsel een voldoende spoedeisend belang heeft bij het gevorderde. Dit klemt temeer nu het hier een levend dier betreft. Dat [eiser] niet stelt dat de hond bij [gedaagde] niet goed zou worden verzorgd, maakt dit niet anders.

4.2.

Beoordeeld moet worden of met voldoende mate van zekerheid te verwachten is dat de bodemrechter – later oordelende – [gedaagde] zal veroordelen tot afgifte van de hond. Die beoordeling moet geschieden aan de hand van de in deze procedure aangevoerde feiten en omstandigheden, waar geen plaats is voor nadere bewijslevering.

4.3.

In het kader van de onderhavige procedure is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen of [eiser] dan wel [gedaagde] de eigenaar is van de hond. Beide partijen stellen immers de (laatste) eigenaar te zijn.

4.3.1.

[eiser] heeft zijn stelling dat [gedaagde] op 25 juni 218 de hond aan hem heeft geschonken met stukken onderbouwd. [gedaagde] heeft niets ingebracht tegen de whatsapp-berichten, zodat de inhoud ervan als vaststaand kan worden aangenomen. In die berichten is steun te vinden voor de stelling van [eiser] dat [gedaagde] de hond inderdaad aan [eiser] heeft gegeven, met de bedoeling dat [eiser] de hond mocht houden. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat [eiser] de hondenbelasting voor de hond heeft betaald en dat [gedaagde] zich na verloop van tijd geen moeite heeft getroost om de hond nog te zien. [eiser] heeft in dit verband verklaard dat hij nog een aantal keren contact heeft opgenomen met [gedaagde] of ze langs wilde komen en dat [gedaagde] telkens aangaf geen tijd te hebben. [gedaagde] zelf heeft verklaard dat zij een paar keer aan de deur is geweest, maar dat [eiser] er niet was, en “geen nieuws goed nieuws” is. Dit alles past in het plaatje dat [eiser] de hond van [gedaagde] heeft gekregen. Dit alles kan [eiser] evenwel niet baten.

4.3.2.

[eiser] heeft namelijk de stelling van [gedaagde] dat [eiser] de gepretendeerde eigendom in ieder geval op 5 augustus 2019 heeft prijs gegeven, niet gemotiveerd weersproken. [eiser] stelt in dit verband weliswaar dat hij de hond niet vrijwillig heeft afgestaan, maar hij erkent dat hij bij die gelegenheid tegen [gedaagde] heeft gezegd dat zij de hond kon meenemen en dat hij de hond toen ook de halsband heeft omgedaan - volgens [eiser] omdat [gedaagde] anders feitelijk niet in staat was om de hond mee te nemen. [eiser] betwist ook niet dat hij [gedaagde] vervolgens zonder slag of stoot met de hond naar buiten heeft laten gaan. [gedaagde] heeft in dit verband nog bewijs aangeboden in de vorm van een filmfragment. Daarbij komt dat [eiser] verklaart dat hij toen in paniek heeft gehandeld omdat hij een feestje had gehad en zich overrompeld voelde. Gelet op deze uitlating is niet onaannemelijk dat [eiser] op 5 augustus 2019 afstand heeft gedaan van de hond (zo hij al eigenaar was) c.q. de hond heeft teruggegeven (en dat hij kort daarna spijt hiervan kreeg). Hiervan uitgaande, heeft [eiser] niets ingebracht tegen de stelling van [gedaagde] dat [gedaagde] op deze wijze weer de eigenaar is geworden van de hond.

4.3.3.

Het enkele feit dat [eiser] in het bezit is van het hondenpaspoort, maakt het vorenstaande niet anders. Ook de omstandigheid dat onder het kopje eigenaar met pen zijn naam staat genoteerd, is geen bewijs dat hij de eigenaar is van de hond. Hij heeft ter zitting immers erkend dat hij uit eigen beweging zijn naam erin heeft geschreven. [eiser] heeft voorts niet betwist dat de registratie van het hondenpaspoort, alsook van de chip, niet wordt gecontroleerd en dat beide handelingen ook anderszins zonder overleg met [gedaagde] is gebeurd. Het paspoort kan dan ook niet dienen als bewijs dat de hond van [eiser] is, nog daargelaten dat [eiser] wellicht nadien het eigendomsrecht heeft prijsgegeven.

4.4.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen en zal [eiser] als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] vast te stellen op € 720,00 aan salaris gemachtigde.

5 Beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 720,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken.

NIv