Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:9345

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
C/03/252087 / HA ZA 18-345
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid – 6:162 BW – persoonlijk ernstig verwijt – Beklamel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2019-0149
JONDR 2019/1324
OR-Updates.nl 2019-0155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/252087 / HA ZA 18-345

Vonnis van 23 oktober 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats eisers sub 1 en 2] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats eisers sub 1 en 2] ,

eisers,

advocaat mr. J.P.G. Bouwman te Naaldwijk,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde sub 1] ,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Luursema te Leek,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Luursema te Leek.

Partijen zullen hierna [eisers sub 1 en 2] (eisers gezamenlijk), [gedaagde sub 1] BV (gedaagde sub 1), [gedaagde sub 2] (gedaagde sub 2), [gedaagde sub 3] (gedaagde sub 3) en [gedaagden sub 2 en 3] (gedaagden sub 2 en 3 gezamenlijk), genoemd worden.

Leeswijzer

In deze leeswijzer licht de rechtbank kort toe wat de beslissing in deze zaak is en waarom.
De uitgebreide beoordeling en motivering van de beslissing volgen hierna.

De zaak

[eisers sub 1 en 2] hebben een overeenkomst gesloten met Bouwcare voor de bouw van een woning. Bouwcare is begonnen met de bouw, maar is daarna de afspraken niet nagekomen en [eisers sub 1 en 2] hebben de overeenkomst beëindigd. Zij willen dat Bouwcare het door hen teveel betaalde bedrag terugbetaalt en dat Bouwcare de extra kosten vergoedt die zij hebben moeten maken doordat zij een nieuwe aannemer in de arm hebben moeten nemen om het huis af te bouwen en doordat hun nieuwe huis later is opgeleverd. Zij kunnen echter niet meer bij Bouwcare terecht, omdat Bouwcare inmiddels failliet is gegaan.
vinden dat het aan de personen achter Bouwcare, [gedaagden sub 2 en 3] , te verwijten is dat Bouwcare de afspraken niet is nagekomen en dat Bouwcare de schade niet meer kan vergoeden. Daarom willen zij dat gedaagden de door Bouwcare veroorzaakte schade vergoeden.

De beslissing van de rechtbank

De rechtbank beslist dat [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] persoonlijk de door Bouwcare veroorzaakte schade aan [eisers sub 1 en 2] moeten vergoeden.

[gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] moeten het door [eisers sub 1 en 2] teveel betaalde bedrag terugbetalen en de kosten van het deskundigenonderzoek aan [eisers sub 1 en 2] vergoeden.
De overige schadeposten hoeven [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] niet te vergoeden.

De redenen voor de beslissing

[gedaagden sub 2 en 3] hebben meerdere bedrijven gehad die failliet zijn gegaan. Uit onderzoeken blijkt dat deze bedrijven steeds geld incasseren, gemaakte afspraken niet nakomen en failliet gaan. Ook blijkt dat [gedaagden sub 2 en 3] hun taak als bestuurders van deze bedrijven niet goed hebben uitgeoefend.

[gedaagden sub 2 en 3] hebben ervoor gezorgd dat Bouwcare afspraken heeft gemaakt waarvan zij van tevoren al wisten dat Bouwcare zich daar niet aan zou houden. Zij hebben [eisers sub 1 en 2] ook een extra factuur laten betalen omdat dit volgens hen nodig was voor de bestelling van stenen, maar zij hebben de stenen nooit besteld.

Dit alles maakt dat de rechtbank vindt dat [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] persoonlijk hebben laten gebeuren dat Bouwcare allerlei afspraken maakte die zij niet van plan waren na te komen en dat Bouwcare failliet is gegaan. Om die reden moeten [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] persoonlijk de schade van Bouwcare aan [eisers sub 1 en 2] vergoeden.

[gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] moeten aan [eisers sub 1 en 2] terugbetalen wat zij méér hebben betaald dan wat de onafgemaakte woning waard was. Ook de kosten van de deskundige moeten zij aan [eisers sub 1 en 2] betalen.

Zij hoeven de extra huurkosten, opslagkosten en rentekosten van [eisers sub 1 en 2] niet te vergoeden, omdat [eisers sub 1 en 2] geen stukken hebben laten zien waaruit blijkt wat zij aan huur, opslag en rente hebben betaald. Ook hoeven zij de extra kosten die [eisers sub 1 en 2] aan de nieuwe aannemer hebben betaald niet te vergoeden, omdat [eisers sub 1 en 2] geen stukken hebben laten zien waaruit blijkt dat zij voor dezelfde woning méér hebben moeten betalen aan de nieuwe aannemer. Daarom kan de rechtbank niet beoordelen of, en zo ja hoeveel extra kosten [eisers sub 1 en 2] hebben moeten maken.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 juni 2018 met producties

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagden sub 2 en 3]

  • -

    de akte producties van de zijde van [eisers sub 1 en 2]

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 april 2019.

1.2.

[gedaagde sub 1] BV is niet in het geding verschenen; tegen haar is verstek verleend.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bouwcare Benelux B.V. was een projectontwikkelaar c.q. aannemer. Op 4 augustus 2016 is sprake geweest van een naamswijziging: "Bouwcare Benelux B.V." werd "Komobouw B.V." (verder beide te noemen: Bouwcare).

2.2.

Vanaf 1 maart 2014 was [bedrijfsnaam gedaagde sub 3] B.V. de (enig) aandeelhouder en bestuurder van Bouwcare. [gedaagde sub 3] is (enig) aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam gedaagde sub 3] BV.

2.3.

[gedaagde sub 1] BV was sinds 1 augustus 2016 tot aan de datum van het faillissement de (enig) aandeelhouder en bestuurder van Bouwcare. [gedaagde sub 2] is de (enig) aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 1] BV.

2.4.

[eisers sub 1 en 2] was opdrachtgever van Bouwcare betreffende de bouw van een nieuwe woning, aangeduid met bouwnummer [aanduiding en adres bouwkavel nieuwe woning] (hierna: de woning): tussen [eisers sub 1 en 2] en Bouwcare is in 2015 een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen. De afspraken zijn vastgelegd in de door [eisers sub 1 en 2] van Bouwcare ontvangen en door [eisers sub 1 en 2] op 18 oktober 2015 ondertekende "Aannemingsovereenkomst voor Eengezinswoning" (verder: de Overeenkomst). Van de Overeenkomst maakte de Technische Omschrijving (verder: het bestek) deel uit, evenals de begroting van 14 juli 2015.

2.5.

Aan de Overeenkomst is voorafgegaan een door "Bouwcare Benelux" aan [eisers sub 1 en 2] gezonden "Overeenkomst", zijnde een offerte c.q. aanbieding, met "Datum offerte: 08-07-2015" (verder: de offerte). De offerte is aan de zijde van "Bouwcare Benelux" ondertekend door [gedaagde sub 3] .

2.6.

De aanneemsom bedroeg € 440.000,= inclusief btw. De betalingstermijnen zijn vastgelegd in artikel 4 van de Overeenkomst, alsook in het bestek. In de Overeenkomst is over de betalingstermijnen opgenomen:

1. De aanneemsom wordt conform de betalingsregeling verschuldigd in de volgende termijnen:

Twee woonlagen (één verdiepingsvloer)

10% te declareren zodra met de bouw van de woning een aanvang is gemaakt

20% te declareren na het gereedkomen van de ruwe begane grondvloer

20% te declareren na het gereedkomen van de ruwe verdiepingsvloer

20% te declareren na het waterdicht maken van het dak van de woning

20% te declareren na het gereedkomen van het stuc-, spuit-, en tegelwerk

10% te voldoen bij oplevering van de woning (waarvan er zo mogelijk voor een bedrag gelijk aan 5% van de aanneemsom ingevolge artikel 15 Algemene Voorwaarden zekerheid moet worden gesteld)

2.7.

In het bestek is opgenomen:

(…)

Betaling

De betaling van de aannemingssom geschiedt in termijnen conform onderstaand betalingsschema. Conform het betalingsschema van stichting Bouwgarant:

(…)

Garanties en zekerheidstellingen

De opdrachtgever zal een afbouwgarantie af sluiten via Bouwgarant. De aannemer zal het bouwplan aanmelden bij Bouwgarant en de woning conform de garanties en zekerheidstellingen van Bouwgarant realiseren.

2.8.

[eisers sub 1 en 2] hebben speciale stenen uitgekozen voor de te realiseren woning. Voor de levering van de stenen heeft Bouwcare aan [eisers sub 1 en 2] verzocht een (aan)betaling te doen van € 30.351,70 inclusief btw. Ten behoeve van de betaling van dit bedrag heeft Bouwcare aan [eisers sub 1 en 2] op 14 september 2015 een factuur ter hoogte van dat bedrag gezonden.

2.9.

[eisers sub 1 en 2] hebben in totaliteit aan Bouwcare voldaan een door Bouwcare gefactureerde eerste termijn van € 40.970,40, een gefactureerde tweede termijn van € 81.940,80 en de factuur inzake de stenen ad € 30.351,70, derhalve in totaal € 153.262,90 inclusief btw.

2.10.

In artikel 5 van de Overeenkomst is bepaald dat de oplevering van de woning zou plaatsvinden uiterlijk eind week 14 van 2016.

2.11.

In artikel 8 van de Overeenkomst is door Bouwcare verklaard dat de te realiseren woning deel uitmaakt van een geregistreerd project en dat Bouwcare zich verbindt om de verplichtingen uit de "Nieuwbouwgarantieregeling Eengezinswoning 2013" te zullen nakomen. In artikel 14 zijn de "Algemene Voorwaarden voor de aannemingsovereenkomst voor Eengezinswoning, vastgesteld op 1 januari 2014" van toepassing verklaard.

2.12.

Bij e-mail van 5 april 2016 zond [gedaagde sub 2] namens Bouwcare aan [eisers sub 1 en 2] een voorstel betreffende een "aanpassing van de opdracht", bestaande uit een afwijkend betalingsschema en opbouw van kosten (productie 12 bij dagvaarding). Bij e-mail van 25 april 2016 heeft [eisers sub 1 en 2] deze voorgestelde aanpassing afgewezen.

2.13.

Bij brief van 14 april 2016 (productie 13 bij dagvaarding) heeft [gedaagde sub 2] namens Bouwcare aan [eisers sub 1 en 2] een voorstel gedaan voor een "definitieve en tevens aangepaste overeenkomst" en medegedeeld dat Bouwcare haar werkzaamheden opschort totdat [eisers sub 1 en 2] akkoord gaan met het voorstel en er nieuwe overeenkomsten en een nieuwe begroting is opgemaakt.

2.14.

[eisers sub 1 en 2] heeft niet ingestemd met het hiervoor bedoelde voorstel. Bij e-mail van 25 april 2016 (productie 14 bij dagvaarding) heeft [eisers sub 1 en 2] aan Bouwcare bericht dat zij de intentie hebben de samenwerking te beëindigen, omdat zij niet tevreden zijn met de (voortgang van de) werkzaamheden en omdat Bouwcare niet voldoet aan de gemaakte afspraak dat onder Nieuwbouwgarantie zou worden gebouwd. Tevens schrijven zij:

Dringend verzoek aan [voornaam gedaagde sub 3] [ [gedaagde sub 3] ; rechtbank] is het bedrag ad € 30.296,02 overgemaakt op 24 september 2015, voor de [naam leveraar stenen] stenen per ommegaande terug te storten, of te betalen aan [naam leveraar stenen] , aangezien dit bedrag niet is gebruikt voor een (door jou aangeven) noodzakelijke aanbetaling voor de start van fabricage van deze stenen. (…) Graag verneem ik binnen 5 werkdagen of deze betaling teruggestort wordt of doorbetaald wordt aan [naam leveraar stenen] .

2.15.

Tussen [eisers sub 1 en 2] en Bouwcare is vervolgens in de maanden mei en juni 2016 veelvuldig per e-mail gecorrespondeerd.

2.16.

In opdracht van [eisers sub 1 en 2] heeft Adinex Technische Varia B.V., gevestigd te Bergambacht (verder: Adinex), op 20 mei 2016 onderzoek gedaan en een waardebepaling verricht van de stand van het door Bouwcare gerealiseerde werk. De bevindingen van Adinex zijn opgenomen in de brief van 26 mei 2016 met de daarbij gevoegde rapportage. Adinex heeft de totale waarde van het (tot dan toe) gerealiseerde werk vastgesteld op € 65.808,74 inclusief btw.

2.17.

Namens [eisers sub 1 en 2] is Bouwcare bij e-mail van 14 juni 2016 (productie 19 bij dagvaarding) in gebreke gesteld en gesommeerd om uiterlijk 20 juni 2016 het werk te hervatten en om binnen die termijn een redelijke planning aan te leveren ten behoeve van de nog te verrichten en reeds betaalde werkzaamheden conform het rapport van Adinex. Verder is in voormeld schrijven (bij voorbaat) een beroep gedaan op de (gedeeltelijke) ontbinding van de Overeenkomst en is deze toen reeds namens [eisers sub 1 en 2] buitengerechtelijk ingeroepen. Voorts is aangezegd dat Bouwcare het bedrag van € 87.454,16 (de eerste 2 termijnen ad in totaal € 122.911,20 plus € 30.296,02 minus de waarde van het verrichte werk van € 65.808,71) dient terug te betalen c.q. dient te vergoeden aan [eisers sub 1 en 2] , waarbij een voorbehoud is gemaakt om aanvullende schade te vorderen.

2.18.

Bouwcare heeft niet gereageerd op het schrijven van 14 juni 2016 van [eisers sub 1 en 2]

2.19.

[eisers sub 1 en 2] heeft vervolgens een (nieuwe) aannemingsovereenkomst gesloten met [naam bouwbedrijf aannemer] B.V., gevestigd te [vestingingsplaats bouwbedrijf aannemer] , inzake - kort gezegd - het afbouwen van de woning van [eisers sub 1 en 2]

2.20.

Op 23 februari 2017 is Bouwcare (toen inmiddels geheten: Komobouw) in staat van faillissement verklaard. Gebleken is dat er sprake is van een boedeltekort.

3 Het geschil

3.1.

[eisers sub 1 en 2] vorderen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de in de dagvaarding omschreven gronden:

I. voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1] BV onrechtmatig heeft/hebben gehandeld jegens [eisers sub 1 en 2] op gronden voornoemd en dat [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1] BV jegens [eisers sub 1 en 2] aansprakelijk en schadeplichtig is/zijn;

II. [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] hoofdelijk dan wel een of meerdere van gedaagde(n) te veroordelen om, op gronden voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers sub 1 en 2] te betalen het totaalbedrag van € 186.391,71 + P.M., althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] hoofdelijk dan wel een of meerdere gedaagde(n) te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers sub 1 en 2] te betalen de buitengerechtelijke kosten als voornoemd, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] hoofdelijk dan wel een of meerdere gedaagde(n) te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers sub 1 en 2] te betalen de kosten van het geding, waaronder begrepen de verschotten en het advocatensalaris, onder de bepaling dat (i) de proceskosten voldaan dienen te worden binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en (ii) voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn, met (hoofdelijke) veroordeling van gedaagde(n) in de nakosten ad € 131,00 dan wel, indien betekening plaatsvindt, de somma van € 199,00.

3.2.

Ter zitting hebben [eisers sub 1 en 2] de grondslag van de vordering vermeerderd (waartegen geen bezwaar is gemaakt) in die zin, dat de vordering mede is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking.

3.3.

[gedaagden sub 2 en 3] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eisers sub 1 en 2] hebben het navolgende aan de vorderingen ten grondslag gelegd.

4.1.1.

De bouwwerkzaamheden van Bouwcare hebben enorme vertragingen opgelopen door toedoen van Bouwcare zelf: zij betaalde haar onderaannemers niet (meer). Daarnaast bleek dat Bouwcare tegen de gemaakte afspraken in geen bouwgarantie had afgesloten. Ook was de toezegging om een bestelling voor reeds betaalde speciale stenen uit Denemarken te plaatsen niet nagekomen. Vanwege deze toerekenbare tekortkomingen van Bouwcare hebben [eisers sub 1 en 2] de Overeenkomst gedeeltelijk ontbonden. Vanwege de gedeeltelijke ontbinding dient Bouwcare aan [eisers sub 1 en 2] terug te betalen wat zij – gelet op de stand van het werk – teveel aan Bouwcare hebben betaald. Door de wanprestatie van Bouwcare zijn [eisers sub 1 en 2] ook tegen extra kosten aangelopen. Die kosten bestaan onder meer uit de extra kosten voor de opvolgende aannemer en hogere rentelasten, alsook voor de langere huur van een vervangend onderkomen, opslagkosten en kosten voor de ingeschakelde deskundige. Gelet op het een en ander is Bouwcare aansprakelijk voor vorenbedoelde schade. Bouwcare is echter in staat van faillissement verklaard en biedt geen verhaal.

4.1.2.

[eisers sub 1 en 2] stellen zich op het standpunt dat [gedaagden sub 2 en 3] persoonlijk een ernstig verwijt treft ten aanzien van de wanprestatie van Bouwcare en het feit dat Bouwcare geen verhaal biedt voor de door [eisers sub 1 en 2] geleden schade. Zij onderbouwen hun stelling als volgt. Uit onderzoek door [eisers sub 1 en 2] is gebleken dat [gedaagde sub 3] (als beleidsbepaler van Bouwcare) en [gedaagde sub 2] (als bestuurder van Bouwcare) zich structureel schuldig hebben gemaakt aan het onrechtmatig incasseren van gelden van opdrachtgevers zonder daarvoor een tegenprestatie te leveren, om de opdrachtgevers vervolgens achter te laten met een lege vennootschap. Zij gebruiken hun vennootschappen bewust om opdrachten binnen te halen en betalingen te incasseren, terwijl zij niet van plan zijn om de door de vennootschap aangegane verplichtingen (naar behoren) na te komen. Vervolgens wordt er gewisseld van bestuurder en laten zij de vennootschap failliet gaan. De opdrachtgevers blijven daardoor achter met niet verhaalbare schade. Dit is ook wat zij met Bouwcare hebben gedaan: zij hebben er alles aan gedaan om [eisers sub 1 en 2] als opdrachtgever binnen te halen. Zo hebben zij aan [eisers sub 1 en 2] aangeboden dat zij zich konden aansluiten bij de garantieregeling van Bouwgarant, zodat zij verzekerd waren in geval van een faillissement van Bouwcare. [eisers sub 1 en 2] zijn daarmee akkoord gegaan, maar [gedaagden sub 2 en 3] wisten dat Bouwcare op dat moment wegens betalingsachterstanden geen lid meer was van Bouwgarant, zodat Bouwcare deze verplichting nooit zou kunnen nakomen. Vervolgens hebben [gedaagden sub 2 en 3] via Bouwcare direct aan het begin van de werkzaamheden betalingen geïnd. Ook hebben zij [eisers sub 1 en 2] voorgespiegeld dat er een aanbetaling gedaan moest worden voor de bestelling van de stenen voor hun woning, omdat de fabrikant anders de stenen niet in productie zou nemen en er vertraging in de bouw zou ontstaan. [eisers sub 1 en 2] hebben de factuur voor de aanbetaling direct voldaan, maar [gedaagden sub 2 en 3] hebben nooit een bestelling geplaatst bij de fabrikant van de stenen.
hebben hun onderaannemers niet betaald, waardoor enorme vertraging in de bouw is ontstaan en de overeengekomen datum van oplevering nooit gehaald kon worden. Toen [eisers sub 1 en 2] [gedaagden sub 2 en 3] aanspraken op de vertraging en de niet nagekomen afspraken, hebben [gedaagden sub 2 en 3] geprobeerd te forceren dat [eisers sub 1 en 2] een nieuwe overeenkomst zouden afsluiten, met aangepaste (vervroegde) betalingstermijnen. [eisers sub 1 en 2] zijn daarop niet ingegaan. Na [gedaagden sub 2 en 3] te hebben gesommeerd de afspraken na te komen, hebben [eisers sub 1 en 2] uiteindelijk de Overeenkomst (gedeeltelijk) ontbonden.
Uit dit alles blijkt dat [gedaagden sub 2 en 3] als de feitelijk handelende personen achter Bouwcare willens en wetens gelden van [eisers sub 1 en 2] hebben geïncasseerd, wetende dat zij niet van plan waren de verplichtingen van Bouwcare na te komen en dat zij Bouwcare desnoods failliet zouden laten gaan. Hierdoor hebben [gedaagden sub 2 en 3] onrechtmatig gehandeld jegens [eisers sub 1 en 2] en is (ieder van) gedaagden (hoofdelijk) aansprakelijk voor de door [eisers sub 1 en 2] geleden schade.

De maatstaf

4.2.

Kern van het onderhavige geschil is - kort gezegd - de vraag of [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] of een van hen als (opvolgend) bestuurder(s) dan wel beleidsbepaler van Bouwcare persoonlijk aansprakelijk zijn/is voor de door [eisers sub 1 en 2] als gevolg van de wanprestatie van Bouwcare geleden schade. De rechtbank overweegt als volgt.

4.3.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder – waaronder tevens begrepen is de (mede)beleidsbepaler/feitelijk (niet formeel) bestuurder van de vennootschap – ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.

4.4.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder (i) namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie onder meer HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel)). In de kern houdt dit zogenoemde “Beklamelcriterium” de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden (zie ook het zogenaamde september-arrest Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR: 2014:2627). Van een persoonlijk ernstig verwijt kan ook sprake zijn indien de bestuurder (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt (zie Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen) en Hoge Raad 18 februari 2000, NJ 2000/295 New Holland-arrest). In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW), persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie ook de zogenaamde september-arresten).

4.5.

Beide gronden voor aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de schuldeisers van de vennootschap hebben gemeen dat voor aansprakelijkheid vereist is dat (in het algemeen) alleen dan kan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem persoonlijk, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

De overwegingen

4.6.

In het licht van vorenstaande kaders overweegt de rechtbank ten aanzien van het door [eisers sub 1 en 2] gestelde als volgt.

4.7.

In de onderhavige procedure dient er als vaststaand - zijnde enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist - vanuit te worden gegaan dat er sprake is geweest van een aannemingsovereenkomst tussen [eisers sub 1 en 2] en Bouwcare (nadien geheten: Komobouw) en dat die Overeenkomst wegens (een) toerekenbare tekortkoming(en) aan de zijde van Bouwcare (wanprestatie) door [eisers sub 1 en 2] op 20 juni 2016 buitengerechtelijk gedeeltelijk is ontbonden. Derhalve staat vast dat [eisers sub 1 en 2] een opeisbare vordering heeft op Bouwcare ter zake van eventuele ongedaanmakingsverbintenissen en vergoeding van eventuele schade uit wanprestatie.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] aansprakelijk zijn voor de door [eisers sub 1 en 2] als gevolg van de wanprestatie van Bouwcare geleden schade. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De faillissementen

4.9.

[eisers sub 1 en 2] stellen dat er sprake is van een "opzetje" waarbij [gedaagden sub 2 en 3] vennootschappen oprichten, gelden incasseren, schulden laten ontstaan en de vennootschappen failliet laten gaan als er problemen ontstaan. Dit blijkt volgens
[eisers sub 1 en 2] uit verschillende faillissementsverslagen.

[gedaagden sub 2 en 3] betwisten dat er sprake is van een opzetje. Het gaat volgens hen slechts om vermoedens van de curator, die gebaseerd zijn op overgenomen vermoedens van de curator in een eerder faillissement van Bouwcare.

4.10.

De rechtbank overweegt dat uit de door [eisers sub 1 en 2] overgelegde faillissementsverslagen van drie in staat van faillissement verklaarde vennootschappen (productie 27, 33 en 34) het volgende blijkt.

4.11.

Op 28 oktober 2014 is Bouwcare Nederland B.V. (hierna: Bouwcare Nederland) in staat van faillissement verklaard. [gedaagde sub 3] was enig bestuurder en aandeelhouder van Bouwcare Nederland tot 12 februari 2014, toen [bedrijfsnaam gedaagde sub 3] B.V. bestuurder en enig aandeelhouder geworden is. Feitelijk bestuurder tot aan het faillissement was steeds [gedaagde sub 3] .
4.11.1. Curator mr. Grollé schrijft in het faillissementsverslag van 2 december 2014:

Naar aanleiding van de gesprekken met diverse crediteuren en de ingediende vorderingen is het beeld naar voren gekomen dat Bouwcare Nederland B.V. zoveel mogelijk gebruikt werd als crediteurenvanger voor Bouwcare Benelux BV en waarschijnlijk de andere Bouwcare bv’s en [bedrijfsnaam gedaagde sub 3] BV. Bouwcare Nederland BV huurde voor bouwprojecten onderaannemers in en kocht materialen bij derden in (zelfs tot ver in september 2014) terwijl m.n. Bouwcare Benelux BV de opdrachtgevers bediende en de debiteuren volledig incasseerde. Dus de ene BV loopt vol met schulden, die niet of niet geheel worden voldaan, terwijl de andere BV met een gelijksoortige naam volloopt met debiteuren. Vervolgens ontstaat er voor de crediteuren een schimmig beeld. Bouwcare Nederland BV dient dan te declareren aan Bouwcare Benelux BV. Aan de hand van de bankafschriften ziet men dat Bouwcare Nederland B.V. op een enkele uitzondering na- maar twee betalers heeft, t.w. Bouwcare Benelux BV en Belastingdienst; laatstgenoemde in verband met (forse) teruggaven van BTW. De belastingdienst heeft een en ander in onderzoek.

4.11.2.

Voorts meldt de curator dat er niet aan de boekhoudplicht is voldaan, dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur, dat er aanwijzingen zijn voor paulianeus handelen, dat er aangifte is gedaan en dat (o.a.) [gedaagde sub 3] strafrechtelijk is vervolgd wegens faillissementsfraude.

4.12.

Op 23 september 2016 is EPS Bouw B.V. (hierna: EPS) in staat van faillissement verklaard. Bestuurder van EPS was [gedaagde sub 1] BV, waarvan [gedaagde sub 2] bestuurder en enig aandeelhouder is. De aandelen in EPS werden gehouden door EPS Beheer B.V., waarvan [gedaagde sub 3] bestuurder en enig aandeelhouder was.

4.12.1.

Curator mr. Herstel meldt in het faillissementsverslag van 3 februari 2017 dat de administratie niet correct is bijgehouden en dat er in de laatste maanden voor het faillissement onduidelijke verrekeningen hebben plaatsgevonden met (zuster)vennootschappen.

4.13.

Op 23 februari 2017 is Bouwcare (op dat moment Komobouw geheten) in staat van faillissement verklaard. [gedaagde sub 3] was ingeschreven als bestuurder tot 1 augustus 2016, toen [gedaagde sub 1] BV werd ingeschreven als bestuurder en enig aandeelhouder tot aan de datum van het faillissement. [gedaagde sub 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 1] BV.
4.13.1. Curator mr. Steenpoorte schrijft in het faillissementsverslag van 15 oktober 2018:

Er lijkt in zekere zin een bestendig patroon aanwezig omdat er meerdere faillissementen zijn uitgesproken die aan voornoemde heren [ [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] , rechtbank] gelieerd zijn, waarbij het vaker voorkomt dat de heer [gedaagde sub 2] voornoemd relatief kort voor een faillissement de aandelen en het bestuur van (indirect) de heer [gedaagde sub 3] overneemt. Gelieerde faillissementen lijken te zijn EPS Bouw B.V., Komotech voorheen handelend onder de naam Bouwcare Geveltechniek B.V. en BCI B.V. Het is de curator bekend dat diverse onderzoekinstanties onderzoek verrichten naar voornoemde faillissementen, bestuurders en aandeelhouders.

4.13.2.

Voorts meldt de curator dat er niet voldaan is aan de boekhoudplicht, dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur en dat er melding gedaan is van faillissementfraude.

Bouwgarant

4.14.

[eisers sub 1 en 2] hebben gesteld dat bij de totstandkoming van de Overeenkomst met [gedaagde sub 3] (naar de rechtbank begrijpt: namens Bouwcare) was afgesproken dat de woning zou worden gebouwd onder Nieuwbouwgarantie van Bouwgarant, terwijl [gedaagde sub 3] dan wel [gedaagde sub 2] als bestuurder(s)/beleidsbepaler wist(en) of behoorde(n) te weten dat zulks niet mogelijk was omdat Bouwcare wegens betalingsachterstanden geen lid meer was van Bouwgarant.

4.15.

[gedaagden sub 2 en 3] hebben uitdrukkelijk betwist dat met [eisers sub 1 en 2] was afgesproken dat er gebouwd zou worden onder Nieuwbouwgarantie: volgens [gedaagden sub 2 en 3] hebben [eisers sub 1 en 2] vanwege de daaraan verbonden kosten uitdrukkelijk afgezien van de Nieuwbouwgarantie en is de Overeenkomst juist om die reden tot stand gekomen tussen [eisers sub 1 en 2] en (toen) Bouwcare Benelux B.V. (die volgens [gedaagden sub 2 en 3] inderdaad geen lid meer was van Bouwgarant) en niet tussen [eisers sub 1 en 2] en Bouwcare Benelux Midden C.V. (die volgens [gedaagden sub 2 en 3] wel was aangesloten bij Bouwgarant).

4.16.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de Overeenkomst dat sprake is van toepasselijkheid van de "Nieuwbouwgarantieregeling Eengezinswoning 2013": in artikel 8 van de Overeenkomst is bepaald dat "Deelnemer" (volgens de Overeenkomst Bouwcare Benelux B.V.) zich tegenover "Opdrachtgever" ( [eisers sub 1 en 2] ), verbonden heeft ter zake van de woning de verplichtingen uit de Nieuwbouwgarantieregeling Eengezinswoning 2013 (een garantieregeling van Bouwgarant; rechtbank) te zullen nakomen. Ook blijkens het bestek, dat onderdeel uitmaakt van de tot stand gekomen Overeenkomst, zou [eisers sub 1 en 2] als opdrachtgever een afbouwgarantie afsluiten via Bouwgarant en zou de aannemer het bouwplan aanmelden bij Bouwgarant en de woning conform de garanties en zekerheidsstellingen van Bouwgarant realiseren. Verder is ook in de aan [eisers sub 1 en 2] verstrekte offerte opgenomen dat er sprake is van "nieuwbouw garantie voor eengezinswoningen".

4.17.

Het verweer van [gedaagden sub 2 en 3] dat er verwarring is ontstaan doordat de administratie per abuis gebruik heeft gemaakt van briefpapier van Bouwcare Benelux Midden C.V. met daarop het logo van Bouwgarant treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Immers bevatten ook het briefpapier van Bouwcare en alle verdere documenten, zoals bijvoorbeeld de tijdsplanning, de facturen en de e-mailberichten, het logo van Bouwgarant, terwijl Bouwcare toen geen lid meer was.

4.18.

Door [eisers sub 1 en 2] is (door [gedaagden sub 2 en 3] erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist) gesteld dat zij in juni 2015 – derhalve voorafgaand aan het ondertekenen van de Overeenkomst – ongeveer drie gesprekken hebben gehad met [gedaagden sub 2 en 3] , dat daarbij is gesproken over het bouwen onder Bouwgarant en dat [eisers sub 1 en 2] gezegd hebben daarover eerst te willen nadenken. Volgens [eisers sub 1 en 2] hebben zij vervolgens besloten onder Bouwgarant te laten bouwen en hebben zij dit telefonisch aan [gedaagde sub 3] meegedeeld. [gedaagden sub 2 en 3] hebben dit betwist en stellen dat [eisers sub 1 en 2] na beraad uitdrukkelijk – vanwege de kosten – hebben afgezien van de Nieuwbouwgarantie en dat zulks door een medewerker van Bouwcare, de heer [naam medewerker Bouwcare] , per e-mail aan [eisers sub 1 en 2] is bevestigd. Deze e-mail is echter niet in het geding gebracht. Het verweer is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd onderbouwd, op grond waarvan de rechtbank aan dit verweer voorbij gaat. Daarbij komt dat de lezing van [eisers sub 1 en 2] naar het oordeel van de rechtbank ook strookt met hetgeen daarna over het bouwen onder Bouwgarant is opgenomen in de ondertekende Overeenkomst.

4.19.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [eisers sub 1 en 2] er gerechtvaardigd op konden en mochten vertrouwen dat er gebouwd zou worden onder de garantieregeling van Bouwgarant.

4.20.

Op grond van het voorgaande staat vast dat [gedaagden sub 2 en 3] bij het namens de vennootschap aangaan van de verplichting om te bouwen onder de Nieuwbouwgarantie wisten of redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat Bouwcare, die geen lid (meer) was van Bouwgarant, daaraan niet zou kunnen voldoen.

De Deense stenen

4.21.

Door [eisers sub 1 en 2] is verder gesteld dat zij – voorafgaand aan de totstandkoming van de Overeenkomst – een bedrag van € 30.296,02 hebben betaald ten behoeve van de bestelling van stenen uit Denemarken. [eisers sub 1 en 2] hebben aangevoerd dat er gekozen was voor speciale stenen en dat [gedaagden sub 2 en 3] hadden aangegeven dat die betaald dienden te worden voordat de Deense fabrikant tot vervaardiging zou overgaan. Om die reden hebben [gedaagden sub 2 en 3] , nog vóór het ondertekenen van de Overeenkomst, een bedrag voor de stenen aan [eisers sub 1 en 2] gefactureerd, hetwelk [eisers sub 1 en 2] ook per omgaande hebben betaald.

4.22.

[gedaagden sub 2 en 3] hebben erkend dat er door [eisers sub 1 en 2] een bedrag van € 30.296,02 is betaald voor de stenen, maar betwisten dat de daarop betrekking hebbende factuur tijdig door [eisers sub 1 en 2] is voldaan. Daarnaast betwisten zij dat betaling noodzakelijk was omdat de fabrikant de stenen eerst na betaling in productie zou nemen. Volgens [gedaagden sub 2 en 3] was betaling pas noodzakelijk voor het transport van de stenen en niet reeds voor de fabricage.

4.23.

De rechtbank gaat aan het verweer van [gedaagden sub 2 en 3] voorbij, nu deze lezing niet in overeenstemming is met de feiten en de handelwijze van [gedaagden sub 2 en 3] Vast staat immers dat de Overeenkomst is ondertekend op 18 oktober 2015, terwijl de stenen al zijn gefactureerd op 14 september 2015. Indien de factuur voor de stenen pas voldaan hoefde te worden nadat de stenen voor transport gereed stonden, dan valt zonder nadere uitleg, die ontbreekt, niet in te zien waarom [eisers sub 1 en 2] de factuur met betrekking tot de stenen al voorafgaand aan de Overeenkomst dienden te voldoen: door [gedaagden sub 2 en 3] gesteld noch gebleken is immers dat de stenen op dat moment al waren besteld en gereed stonden voor transport. Daarbij komt dat de lezing van [gedaagden sub 2 en 3] niet strookt met het e-mailbericht van 25 april 2016 van [eisers sub 1 en 2] aan [gedaagde sub 3] (productie 14 bij dagvaarding), waaruit volgt dat [eisers sub 1 en 2] het bedrag voor de stenen op 24 september 2015 hebben betaald, derhalve tien dagen na de factuurdatum en nog vóór het ondertekenen van de Overeenkomst. Daarnaast volgt uit die e-mail dat [gedaagde sub 3] aan [eisers sub 1 en 2] heeft aangegeven dat het ging om een noodzakelijke aanbetaling voor de start van de fabricage van de stenen.

De gevolgtrekkingen van de rechtbank

4.24.

Uit voornoemde faillissementsverslagen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat zowel [gedaagde sub 3] als [gedaagde sub 2] als bestuurders betrokken zijn geweest bij verschillende faillissementen. Het gaat om verschillende vennootschappen die onderling verbonden zijn, waarbij de ene vennootschap gebruikt wordt om opdrachten binnen te halen en geldbedragen te incasseren en een andere vennootschap de verplichtingen niet nakomt en schulden laat ontstaan. De curatoren constateren dat sprake is van onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:9 BW, met aanwijzingen voor faillissementsfraude, en dat er sprake is van strafrechtelijke onderzoeken en onderzoeken door de Belastingdienst. Daarbij komt dat er kort voor het faillissement gewisseld wordt van bestuurder.

4.25.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagden sub 2 en 3] dat het slechts gaat om vermoedens van de curator, gebaseerd op overgenomen vermoedens van de curator in een eerder faillissement van Bouwcare. Op basis van de overgelegde faillissementsverslagen constateert de rechtbank dat het gaat om verschillende vennootschappen met steeds verschillende curatoren. De faillissementsverslagen bevatten geen aanwijzingen dat er slechts voortgeborduurd wordt op een eerder faillissement en dat er geen sprake zou zijn van een zelfstandig onderzoek in elk van de faillissementen.

4.26.

De rechtbank acht verder redengevend dat het patroon dat uit de faillissementsverslagen blijkt, ten aanzien van Bouwcare nog ondersteund en concreet gemaakt wordt door het volgende.

4.27.

Ook in het onderhavige geval is gebruik gemaakt van meerdere vennootschappen met namen die zoveel op elkaar lijken dat het op het eerste oog lijkt te gaan om één en dezelfde vennootschap ("Bouwcare Benelux B.V." en "Bouwcare Benelux Midden C.V."). De verklaring van [gedaagde sub 3] ter mondelinge behandeling dat, al naar gelang er door een opdrachtgever wel of niet voor de Nieuwbouwgarantie werd gekozen, een andere vennootschap (Bouwcare Benelux Midden C.V. ofwel Bouwcare Nederland B.V.) contractspartij werd, versterkt het beeld dat er "gegoocheld" werd met verschillende vennootschappen.

4.28.

Daarbij komt dat [gedaagden sub 2 en 3] willens en wetens zijn overeengekomen te zullen bouwen onder Bouwgarant, wetende dat Bouwcare deze afspraak niet zou kunnen nakomen, omdat zij geen lid meer was van Bouwgarant. Ook hebben [gedaagden sub 2 en 3] nog voorafgaand aan het sluiten van de Overeenkomst een bedrag geïncasseerd voor de bestelling van stenen, terwijl zij deze bestelling nooit hebben geplaatst. Dit ondersteunt het beeld dat zij niet van plan waren de afspraken van Bouwcare na te komen.

Slotsom aansprakelijkheid

4.29.

[bedrijfsnaam gedaagde sub 3] B.V. was tot 1 augustus 2016 – derhalve gedurende de periode van de Overeenkomst – bestuurder van Bouwcare. [gedaagde sub 3] was de feitelijk handelende natuurlijke persoon achter [bedrijfsnaam gedaagde sub 3] B.V. en derhalve (middellijk) bestuurder van Bouwcare. [gedaagde sub 3] heeft onderhandeld bij de totstandkoming van de Overeenkomst en is gedurende het gehele traject als aanspreekpunt voor Bouwcare opgetreden.

4.30.

[gedaagde sub 2] was nauw betrokken bij de uitvoering van de Overeenkomst. Hij heeft daarnaast namens Bouwcare brieven geschreven en ook heeft hij "onderhandeld" over de voorwaarden voor een nieuwe overeenkomst. In aanmerking nemende zijn rol in het "opzetje" met [gedaagde sub 3] , merkt de rechtbank hem dan ook aan als beleidsbepaler en – vanaf 1 augustus 2016 – (middellijk) bestuurder van Bouwcare.

4.31.

Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat, in het licht van de in rechtsoverweging 4.4. onder situatie (i) bedoelde maatstaf, het handelen van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] ten opzichte van [eisers sub 1 en 2] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn derhalve gehouden tot vergoeding van de door [eisers sub 1 en 2] geleden schade.

4.32.

[gedaagde sub 1] BV was bestuurder van Bouwcare vanaf 1 augustus 2016 tot aan het faillissement. Nu [gedaagde sub 2] een persoonlijk ernstig verwijt treft en hij de feitelijk handelende natuurlijke persoon achter [gedaagde sub 1] BV is, is [gedaagde sub 1] BV als (direct) bestuurder van Bouwcare op grond van artikel 2:11 BW eveneens aansprakelijk voor de door
[eisers sub 1 en 2] geleden schade.

Vordering I

4.33.

Het voorgaande brengt mee dat de onder I gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] onrechtmatig hebben gehandels jegens [eisers sub 1 en 2] en dat zij jegens [eisers sub 1 en 2] aansprakelijk en schadeplichtig zijn, zal worden toegewezen als onder de beslissing vermeld.

De schadeposten

Ongedaanmakingsverbintenis

4.34.

[eisers sub 1 en 2] vorderen een bedrag van € 87.454,16 op grond van de door de gedeeltelijke ontbinding ontstane ongedaanmakingsverbintenis. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat [eisers sub 1 en 2] de overeenkomst gedeeltelijk hebben ontbonden in die zin, dat de ontbinding geen betrekking heeft op de reeds verrichte werkzaamheden. [eisers sub 1 en 2] hebben in totaal een bedrag van € 153.262,90 aan Bouwcare betaald. Uit het rapport van Adinex blijkt dat de door Bouwcare verrichte werkzaamheden een waarde van € 65.808,74 vertegenwoordigen. [gedaagden sub 2 en 3] hebben dit betwist en stellen dat de verrichte werkzaamheden een bedrag van € 153.262,90 vertegenwoordigen, derhalve evenveel als de door [eisers sub 1 en 2] in totaal verrichte betalingen.
Gelet op het rapport van Adinex had het op de weg van [gedaagden sub 2 en 3] gelegen dit nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van een deskundigenrapport van hun zijde, waaruit de door hen gestelde waarde van het werk blijkt. Nu zij dat hebben nagelaten, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de conclusies uit het rapport van Adinex.

4.35.

Het voorgaande brengt mee dat de betaling van [eisers sub 1 en 2] , voor zover deze meer bedraagt dan de waarde van het werk, ongedaan gemaakt dient te worden. De rechtbank wijst derhalve het gevorderde bedrag van € 87.454,16 toe.

De woonlasten en de kosten opslag huisraad

4.36.

[eisers sub 1 en 2] vorderen een bedrag van € 20.000,-- aan huurlasten en € 2.800,-- aan kosten voor de opslag van huisraad, omdat hun woning als gevolg van de wanprestatie van Bouwcare zestien maanden later is opgeleverd, waardoor zij gedurende deze tijd langer in een huurwoning hebben moeten verblijven voor € 1.250,-- per maand en hun huisraad langer hebben moeten opslaan voor een bedrag van € 175,-- per maand.

[gedaagden sub 2 en 3] hebben deze schadeposten bij gebrek aan onderbouwing betwist.

Gelet op deze betwisting had het op de weg van [eisers sub 1 en 2] gelegen deze schadeposten nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van de overeenkomsten ofwel betalingsbewijzen met betrekking tot de huur en de opslag. Nu zij dat hebben nagelaten, zal de rechtbank deze schadeposten als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

Rentelasten en rentelasten aangekochte grond

4.37.

[eisers sub 1 en 2] stellen dat zij, doordat hun woning zestien maanden later is opgeleverd, méér rentelasten over het bouwdepot hebben moeten betalen dan wanneer er geen sprake was geweest van wanprestatie van Bouwcare. Om diezelfde reden stellen zij meer rentelasten te hebben moeten betalen over de lening ten aanzien van de aangekochte grond.
[gedaagden sub 2 en 3] hebben deze schadeposten betwist. Zij stellen zich op het standpunt dat eenzelfde bedrag aan rentelasten verschuldigd is, onafhankelijk van het tijdstip van oplevering: dezelfde lasten zouden verschuldigd zijn indien de bouw op tijd opgeleverd was.

Nu [eisers sub 1 en 2] hun stelling niet nader hebben onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van een vergelijkende berekening en de voorwaarden van de betreffende lening, waaruit de juistheid van hun stelling kan blijken, wijst de rechtbank deze schadeposten als onvoldoende onderbouwd af.

Kosten rapport Adinex

4.38.

De rechtbank is van oordeel dat de door [eisers sub 1 en 2] gevorderde kosten voor het opstellen van het rapport door Adinex, die blijken uit de bij productie 35 overgelegde factuur, zijn te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b. BW. Deze schadepost zal worden toegewezen.

Kosten hogere hypotheek

4.39.

[eisers sub 1 en 2] waren door de wanprestatie van Bouwcare genoodzaakt een andere aannemer in de arm te nemen, welke duurder was. Om die reden hebben [eisers sub 1 en 2] ook een hogere hypotheek moeten afsluiten, hetgeen € 1.548,-- aan extra kosten heeft meegebracht voor een adviseur, notaris en nieuwe taxatie van de grond.

[gedaagden sub 2 en 3] betwisten de hoogte van deze schadepost, nu deze niet onderbouwd is. Voorts stellen zij zich op het standpunt dat de hogere kosten te wijten zijn aan de eigen keuze van [eisers sub 1 en 2] om de overeenkomst te ontbinden, zodat deze niet voor rekening van [gedaagden sub 2 en 3] dienen te worden gebracht.

4.40.

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat [eisers sub 1 en 2] een hogere aanneemsom hebben moeten betalen aan de nieuwe aannemer in beginsel voor rekening van [gedaagden sub 2 en 3] komt. Immers waren [gedaagden sub 2 en 3] nimmer van plan om de verplichtingen van Bouwcare (deugdelijk) na te komen, waardoor zij ook een – mogelijk niet realistische – "scherpe prijs" hebben kunnen bieden. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat de prijs van de nieuwe aannemer niet realistisch is.
Het feit dat [eisers sub 1 en 2] na de wanprestatie van Bouwcare voor ontbinding hebben gekozen en daardoor meer kosten hebben moeten maken, maakt het voorgaande niet anders. De wetgever heeft geen rangorde aangegeven bij de mogelijke te ondernemen acties bij wanprestatie; de benadeelde is vrij in zijn keuze. De keuze voor ontbinding mag hem niet tegengeworpen worden dan wel in een nadeligere positie brengen dan de keuze voor bijvoorbeeld nakoming. Nu de wanprestatie van Bouwcare aan [gedaagden sub 2 en 3] te verwijten valt, dienen de vanwege de ontbinding gemaakte kosten door hen te worden vergoed.

4.41.

Nu [eisers sub 1 en 2] hun vordering echter niet nader hebben onderbouwd, bijvoorbeeld door het overleggen van de nota van de adviseur, notaris en taxatie van de grond, wijst de rechtbank deze schadepost als onvoldoende onderbouwd af.

Extra kosten wegens fouten in het werk van Bouwcare

4.42.

[eisers sub 1 en 2] stellen dat Adinex fouten heeft ontdekt in het werk van Bouwcare. De nieuwe aannemer heeft extra kosten moeten maken om deze fouten te herstellen. Volgens [eisers sub 1 en 2] volgt uit de "meerwerklijst" van het rapport van Adinex dat het gaat om een bedrag van € 7.000,-- exclusief btw aan staal en € 2.500,-- exclusief btw aan arbeid.

[gedaagden sub 2 en 3] betwisten dat er door Bouwcare fouten zijn gemaakt in het verrichte werk.

4.43.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers sub 1 en 2] niet inzichtelijk hebben gemaakt welke fouten er door Bouwcare zijn gemaakt en wat de gebreken zijn ten aanzien van de fundering, het staalwerk en de trap. Gelet op de betwisting door [gedaagden sub 2 en 3] had het op de weg van [eisers sub 1 en 2] gelegen de stelling dat er door Bouwcare fouten zijn gemaakt nader inhoudelijk te onderbouwen, zodat [gedaagden sub 2 en 3] daartegen deugdelijk verweer hadden kunnen voeren. Nu [eisers sub 1 en 2] dat hebben nagelaten, is niet komen vast te staan dat er door Bouwcare fouten zijn gemaakt en is deze schadepost alleen al daarom niet toewijsbaar.
Daarbij komt echter dat de door [eisers sub 1 en 2] genoemde schadeposten niet (in ieder geval niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt) kunnen worden afgeleid uit het rapport van Adinex. Het is niet aan de rechtbank om, zonder toelichting in de processtukken of ter mondelinge behandeling, uit de producties van partijen de onderbouwing voor hun stellingen bij elkaar te zoeken. De enkele verwijzing naar "de meerwerklijst" is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. In het rapport van Adinex ontbreekt het woord "meerwerklijst", zodat de rechtbank niet kan volgen waar [eisers sub 1 en 2] op doelen. Nu in het rapport van Adinex, dat enkel bestaat uit een tabel met een opsomming van werkzaamheden en materialen, voorts de bedragen van € 7.000,-- en € 2.500,-- als zodanig niet terug te vinden zijn, is de vordering ook daarom onvoldoende onderbouwd.

Meerprijs Deense stenen

4.44.

[eisers sub 1 en 2] stellen voorts dat zij de door hen gewenste Deense stenen alsnog hebben besteld, maar dat deze na de crisis inmiddels tweemaal zo duur waren geworden. Zij hebben derhalve € 30.000,-- méér voor de stenen moeten betalen dan het bedrag dat zij middels de factuur van Bouwcare voor de stenen hadden betaald. Deze meerprijs dienen [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] te vergoeden. [gedaagden sub 2 en 3] betwisten dat de prijs van de stenen met 100% is gestegen, nu deze schadepost niet is onderbouwd.

Nu [eisers sub 1 en 2] hun vordering niet nader hebben onderbouwd, bijvoorbeeld door het overleggen van de nota van de stenen, wijst de rechtbank deze schadepost als onvoldoende onderbouwd af. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt voorts niet in te zien waarom de kosten van € 1.500,-- voor het verwerken van de stenen niet in de aanneemsom inbegrepen zijn en als extra kosten voor rekening van [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] moeten komen.

Extra kosten vloer en plafond

4.45.

[eisers sub 1 en 2] stellen dat zij met Bouwcare een zogenoemde "gevlinderde vloer" op zowel de begane grond als op de verdiepingsvloer en een akoestisch plafond waren overeengekomen. De nieuwe aannemer kon dit echter niet realiseren voor de daarvoor met Bouwcare overeengekomen prijs. Op de verdiepingsvloer bleek vlinderen in het geheel niet mogelijk en bestond alleen een duurder alternatief. De meerprijs voor het vlinderen van de vloer op de begane grond, het alternatief op de verdiepingsvloer en het akoestisch plafond dienen voor rekening van [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] te komen.

[gedaagden sub 2 en 3] voeren aan dat dit meerwerk betreft en dat deze kosten niet inbegrepen zijn in de aanneemsom en ook door Bouwcare extra gefactureerd zouden zijn.

4.46.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers sub 1 en 2] deze schadeposten onvoldoende hebben onderbouwd. Zij stellen dat de posten staan opgenomen in de "meerwerklijst" van de opvolgende aannemer [naam bouwbedrijf aannemer] , maar hebben daarbij niet verwezen naar een productie. De rechtbank stelt vast dat nergens in productie 23 (de aannemingsovereenkomst tussen [eisers sub 1 en 2] en [naam bouwbedrijf aannemer] en de enige productie die betrekking heeft op aannemer [naam bouwbedrijf aannemer] ) een "meerwerklijst" is opgenomen. Nu de rechtbank derhalve niet kan volgen waar [eisers sub 1 en 2] op doelen, komt deze schadepost niet voor toewijzing in aanmerking.

Slotsom ten aanzien van de onder II gevorderde schade

4.47.

Op grond van het vorenoverwogene zal het onder II gevorderde worden toegewezen tot een bedrag van (€ 87.454,16 + € 1.226,94 =) € 88.681,10, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag zoals gevorderd.

Buitengerechtelijke kosten

4.48.

Aangezien de onderhavige vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, zal de rechtbank de vraag of buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. De rechtbank stelt vast dat voldoende is gebleken dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat deze voldoen aan het vereiste dat het gaat om redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt. De rechtbank zal dan ook de buitengerechtelijke kosten toewijzen tot het wettelijke tarief berekend over de toegekende hoofdsom, zijnde € 1.788,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag zoals gevorderd.

4.49.

[gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eisers sub 1 en 2] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 99,91

- griffierecht 1.565,00

- salaris advocaat 3.414,00 (2,0 punten × tarief € 1.707,00)

totaal € 4.979,00.

4.50.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] onrechtmatig hebben gehandeld op de wijze zoals omschreven in rechtsoverweging 4.24. tot en met 4.28. en dat zij jegens [eisers sub 1 en 2] aansprakelijk en schadeplichtig zijn,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eisers sub 1 en 2] te betalen een bedrag van € 88.681,10, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 26 juni 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eisers sub 1 en 2] tot op heden begroot op € 4.979,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] BV en [gedaagden sub 2 en 3] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart het onder 5.2. tot en met 5.4. uitgesprokene uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken
op 23 oktober 2019.

type: FA

coll: