Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:9167

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
03/721269-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijke geweldpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/721269-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S. Weening, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 september 2019. De verdachte1 en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Daarnaast is de vordering tot schadevergoeding behandeld die de benadeelde partij [slachtoffer 1]2 heeft ingediend. De benadeelde partij is niet ter terechtzitting verschenen. De vordering is ter terechtzitting toegelicht door mr. N. Kievits, werkzaam als jurist bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte]3 met het parketnummer 03/721290-18.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2]4, M.

[slachtoffer 3]5 en [slachtoffer 4]6;

feit 2: samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen, dan wel samen

met een ander [slachtoffer 1] heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht de onder feit 1 primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging van de slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] bewezen. Uit de verklaringen van aangevers en getuigen blijkt dat verdachte samen met [medeverdachte] geweld heeft gepleegd tegen voornoemde personen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat is geslagen en met harde voorwerpen dreigend in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gezwaaid. Het geweld is gepleegd in vereniging, nu beide verdachten welbewust de confrontatie zijn aangegaan nadat [slachtoffer 1] [medeverdachte] aansprak over zijn agressieve rijgedrag. Beide verdachten raken daarna in gevecht met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Dat verdachten uiteindelijk in het gevecht bij het tankstation het onderspit hebben moeten delven, doet aan de bewezenverklaring niet af.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie acht de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging zware mishandeling tegen slachtoffer [slachtoffer 1] bewezen. Daarbij is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] . De verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dat zij niet hebben geslagen, acht de officier van justitie op basis van het dossier ongeloofwaardig. De verdachten hebben willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] door hun handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde openlijke geweldpleging. Er was geen sprake van het ‘in vereniging’ plegen van geweld, nu verdachte aan het geweld geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Verdachte ontkent dat hij de slachtoffers heeft geslagen of geschopt. Hij is in de vechtpartij gesprongen om [medeverdachte] er tussenuit te trekken en heeft enkel zijn armen omhoog gedaan om zich af te weren, zoals blijkt uit de camerabeelden. Verdachte heeft zich daarna uit de vechtpartij onttrokken, maar wordt vervolgens afgetuigd door [slachtoffer 1] die oneigenlijk veel disproportioneel geweld gebruikt tegen verdachte. De raadsman heeft verder aangevoerd dat het opheffen van een (opgerolde) hoedenplank en het daarmee richting een groep lopen geen vorm van geweld is. Tot slot kan op basis van het strafdossier niet worden vastgesteld dat verdachte enig letsel heeft veroorzaakt.

Ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft verzocht de verdachte eveneens vrij te spreken van de onder feit 4 primair en subsidiair tenlastegelegde poging zware mishandeling, dan wel mishandeling. De verklaringen van aangevers en getuigen wijken op verschillende punten van elkaar af. Daarnaast hebben ze in hun eigen verhoren niet consistent hebben verklaard. Het bewijs is om die reden niet onomstotelijk geleverd, nu de feiten door de betrokkenen verschillend zijn beleefd. Daarbij komt dat herinneringen zo gestuurd kunnen worden door anderen dat ze niet meer afkomstig zijn uit eigen herinnering.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 7

3.3.1

Feit 1

3.3.1.1 De inleiding

Op 27 mei 2018, omstreeks 02:19 uur, ontving de politie een melding dat er een grote vechtpartij had plaatsgevonden bij tankstation TinQ aan de Molenweg te Wessem. Een groep fietsers zou bijna ‘van de sokken’ zijn gereden door een groene ‘Caddy’. De ‘Caddy’ zou daarna gestopt zijn bij het tankstation. Een van de fietsers sprak hen daarop aan, waarna drie mannen uit de Caddy waren gesprongen. Vervolgens ontstond er een grote vechtpartij. Een van de fietsers zou zijn geslagen en gewond zijn. Ook zou de groene ‘Caddy’ op enkele fietsers zijn ingereden. Later is door de slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] aangifte gedaan. Dit leidde tot het onderzoek genaamd ‘ [bijnaam] ’. Na onderzoek naar de identiteit van de daders zijn [medeverdachte] en [verdachte] op 17 september 2018 respectievelijk 13 augustus 2018 als verdachte aangehouden.

De zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met deze zaak.

3.3.1.2 De bewijsmiddelen

Verbalisant [naam 1] heeft de camerabeelden van drie bewakingscamera’s van tankstation Tinq, gelegen aan de Molenweg te Wessem, [naam 2] en [naam 3] bekeken en hiervan een beschrijving gegeven in een proces-verbaal van bevindingen. Later stelt hij vast dat Persoon X /fietser 4 [slachtoffer 1] is, Persoon Y betreft [slachtoffer 7] , fietser 1 is [slachtoffer 5] , fietser 2 is [slachtoffer 2] en fietser 3 betreft [slachtoffer 3] .8 De verdachten worden met een snapshot van de beelden aangeduid als verdachte 1 (bestuurder), 2 en 3. Uit nader onderzoek is gebleken dat verdachte 1 kon worden geïdentificeerd als verdachte [medeverdachte] , verdachte 2 als [verdachte] en verdachte 3 als [naam 4] .91011

Uit de camerabeelden blijkt onder meer het volgende12:

01.33:00 uur: Verdachte 2 stapt via het bijrijdersportier uit het voertuig.

01.33:06 uur: Verdachte 1 stapt als bestuurder uit het voertuig.

01.33:26 uur: Fietser 3 en 4 houden zich op bij rijbaan van de Molenweg, in de

directe nabijheid van het voertuig. Fietser 4 staat op de rijbaan, ter hoogte van de achterzijde van het voertuig.

01.33:28 uur: Verdachte 1 loopt achterlangs zijn voertuig en loopt richting de rijbaan van de

Molenweg, naar dezelfde plek waar fietser 4 staat.

01.33:39 uur: Verdachte 2 loopt achterlangs zijn voertuig en loopt richting

de rijbaan van de Molenweg naar dezelfde plek waar verdachte 1 en fietser 4 staat.

01.33:39 uur: Op de rijbaan van de Molenweg lijkt het tot een fysieke confrontatie tussen

verdachte 1 en/of 2 en fietser 4 te komen.

01.33:51 uur: Verdachte 1 loopt naar fietser 3. Het lijkt tot een confrontatie

te komen. Verdachte 2 blijft staan op de plaats waar hij zojuist een

confrontatie met fietser 4 had.

01.34:02 uur: Terwijl fietser 7 nog niet bij de kruising is, ontstaat er een vechtpartij tussen

verdachte 1 en, zoals het uitziet, meerdere fietsers.

01.34:05 uur: Verdachte 2 rent naar de vechtende groep mensen.

01.34:15 uur: Er zijn duidelijk slaande bewegingen waar te nemen.

01.34:22 uur: Verdachte 2 rent weg uit de vechtpartij. Hij rent naar de grasberm gelegen op

voornoemde kruising aan de zijde van de A2.

01.34:24 uur: Verdachte 2 wordt nagerend door persoon X. In de grasberm ontstaat een

vechtpartij tussen deze 2 personen.

01.34:25 uur: Verdachte 1 rent naar het voertuig en stapt in via het bestuurdersportier.

01.34:30 uur: Als verdachte 3 zich naast het bijrijdersportier bevindt, rijdt het voertuig weg.

01.34:34 uur: De vechtpartij tussen verdachte 2 en persoon X heeft zich inmiddels verplaatst

van de grasberm naar de rijbaan van De Lange Beemdens. Op dit tijdstip

komen verdachte 2 en persoon X samen ten val.

01.34:34 uur: Op het moment dat verdachte 2 en persoon X samen ten val komen begint het

voertuig te rijden. Het voertuig rijdt met gedoofde lichten.

01.34:38 uur: Verdachte 2 en persoon X zijn op de grond met elkaar aan het vechten. Drie

fietsers (waaronder persoon Y) lopen richting persoon X.

01.34:38 uur: Het voertuig was weggereden bij het tankstation en maakt een draai zodat hij

met de neus richting verdachte 2, persoon X, persoon Y en 2 overige

fietsers is gekeerd. Het voertuig rijdt relatief snel en rijdt tijdens deze

manoeuvre over een stoeprand.

01.34:41 uur: Het voertuig rijdt rakelings langs verdachte 2 en persoon X. Een fietser moet

wegspringen richting de aldaar gelegen vluchtheuvel om niet door het voertuig

geraakt te worden. Persoon Y moet opzij springen om niet vol geraakt te

worden door liet voertuig. Op camera 2, die zich dichterbij bevind en een iets

andere kijkhoek heeft, is te zien dat persoon Y door het voertuig wordt

geraakt. Persoon Y heeft geprobeerd om aan de zijde van de bijrijderskant van

het voertuig weg te springen. Op de camerabeelden is te zien dat het voertuig

nog een scherpe stuurbeweging naar rechts maakt, kennelijk met de bedoeling

om de wegspringende persoon Y zo vol mogelijk te raken.

01.34:48 uur: Persoon X is nog steeds aan het inslaan op verdachte 2 die op de grond ligt.

01.34:51 uur: Het voertuig rijdt tot zeer kort nabij, danwel tegen persoon X. Persoon X

springt op en rent weg richting voornoemd grasveld. Hierbij komt persoon X

ten val maar staat meteen weer op. Het voertuig stopt naast verdachte 2.

01.34:54 uur: Verdachte 1 verlaat via het bestuurdersportier het voertuig en rent richting

persoon X. Verdachte 1 en persoon X komen tegenover elkaar te staan en hebben beiden een vechtpose aangenomen.

01.34:58 uur: Het komt niet tot een gevecht omdat persoon Y komt inrennen die verdachte 1

een trap geeft op borsthoogte waarbij verdachte 1 ten val komt.

01.35:08 uur: De fietsers nemen alle afstand van de verdachte 1 en 2 en hun voertuig.

01.35:13 uur: Door verdachte 2 wordt de achterklep geopend.

01.35:19 uur: Verdachte 1 en 2 lijken voorwerpen uit de laadbak van het voertuig te pakken;

01.35.32

uur: Verdachte 1 en 2 lopen richting de fietsers. Deze fietsers proberen allen uit de

buurt van verdachte 1 + 2 te blijven.

01.36:07 uur: Verdachte 1 is als bestuurder in het voertuig gestapt en rijdt ongeveer 20 meter

naar voren. Hij brengt zijn voertuig tot stilstand naast verdachte 2, die terug gelopen kwam vanuit de richting van het viaduct.

01.35:27 uur: Verdachte 2 stapt in via het bijrijdersportier.

01.36:33 uur: Het voertuig rijdt met gedoofde lichten weg over de Molenweg in de richting

van de Polderweg.

Op 28 mei 2018 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan bij de politie. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:

Zaterdagavond ben ik naar een concert gegaan op een boot in Maasbracht. Na dit concert, op zondag 27 mei 2018, ben ik richting mijn woning gefietst. Ik was met mijn partner [slachtoffer 5] en met vrienden/kennissen te weten: [slachtoffer 6] , zijn broer [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] . In Wessem fietsten we over de Lange Beemdens in de richting van de Molenweg. Dit zal ongeveer tussen 02.00 en 02.30 uur geweest zijn. Op enig moment werd ik rakelings ingehaald door een auto. Dit betrof een groen/grijze bestelauto die lijkt op een Volkswagen Caddy. Ik zag dat deze Caddy naar het tankstation reed dat gelegen is op de kruising De Lange Beemdens en de Molenweg. Ik zag dat deze Caddy naast een benzinepomp ging staan. Toen ik langs het tankstation fietste, zag ik een persoon naast de Caddy staan. Ik sprak deze man aan waarom het nodig was dat hij zo kort langs me reed met de Caddy. Uit het niets kreeg ik een vuistslag in mijn gezicht door de man die naast de Caddy stond. Ik voelde pijn. Meteen na de eerste klap kreeg ik een tweede klap. Ook deze deed klap deed pijn. Ik raakte met een man die mij geslagen had in gevecht. Als gevolg van dit gevecht, dat ontstond uit slaan, duwen, gooien, verwurgen, kwamen wij aan de overkant van de straat uit. […] Hierna reed de Caddy richting het viaduct en stopte nabij mijn 6 vrienden. Ik liep terug naar mijn fiets. Ik zag dat er 2 personen uit de Caddy kwamen. Ik zag dat beide personen iets in hun handen hadden. Ik zag datdeze twee mannen dreigend voor de overige 6 gingen staan.13

Aangever [slachtoffer 1] heeft verder tegenover de rechter-commissaris verklaard:

Ik kreeg een klap op mijn hoofd van een van de twee. Er kwam een tweede persoon bij en van die persoon kreeg ik toen ook een klap. Ik ben met die tweede persoon in gevecht geraakt. […] De mannen gingen op het groepje af en dreigden met iets in hun hand.14

Op 30 mei 2018 heeft [slachtoffer 3] een getuigenverklaring afgelegd bij de politie. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:

In de nacht van zaterdag op zondag 27 mei 2018 was ik met vrienden uit in Maasbracht.

Terwijl wij op de rotonde reden van over Lange Beemden, kwam een Caddy aanrijden. Doordat die auto zo rakelings langsreed, waren wij geschrokken. Toen wij vervolgens bij de kruising met de Molenweg kwamen, zag ik dat de bestelauto op het benzinestation stilstond en dat er mensen buiten om dat voertuig heen stonden. Ik zag toen dat [slachtoffer 1] rechtsaf reed en stopte voor de oprit rechts van het benzinepompstation. Ik zag ook dat er op dat moment een van die personen bij de auto vanaf het terrein van het pompstation in de richting van [slachtoffer 1] kwam gelopen. Ik zag ook dat er een tweede persoon achter die persoon kwam aanlopen. Ik hoorde [slachtoffer 1] vragen: “Was dat nou nodig?” Ik zag toen dat er een van die personen: een mij onbekende man, op mij af kwam lopen. Ik hoorde deze man tegen mij zeggen: “Had’s dich onnoch get?” Ik zag en voelde dat die man mij op dat moment meteen een klap in mijn gezicht gaf. Ik voelde dat die man mij met zijn tot vuist gebalde linkerhand een vuistslag tegen de rechterkant van mijn gezicht gaf. Ik voelde dat die klap met

kracht aankwam tegen mijn wang en kin.15

Op 5 juni 2018 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan bij de politie. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:

De bestuurder en de passagier hebben [slachtoffer 1] tweemaal geslagen met hun vuisten en hebben daarbij zijn gezicht geraakt. De bestuurder heeft [slachtoffer 3] geslagen. […] Ik zag dat de bestuurder terugliep naar de auto en dat hij een betonschaar in zijn handen had. Hij liep daarmee op [slachtoffer 1] af. Ik ben tussen hem en [slachtoffer 1] gaan staan. Ik zag dat hij een zwaaiende beweging maakte met de betonschaar, net alsof hij een honkbalknuppel vast had. Hij zwaaide naar achteren en toen naar voren in mijn richting op schouderhoogte.16

Getuige [naam 5] heeft verder tegenover de rechter-commissaris verklaard:

Toen is de auto weer gestopt. Die ene jongen stapte uit en pakte iets uit de wagen. Volgens mij uit de achterklep en ik dacht iets van een kniptang. […] Ik zag vervolgens dat die jongen die op de grond had gelegen, waar [slachtoffer 1] mee had gevochten, strompelde naar de wagen. Hij pakte een voorwerp van 30 centimeter uit de auto.17

[medeverdachte] heeft bij de politie onder meer verklaard:

Ik was bij het tankstation. Daar kwam een fietser aangefietst, al scheldend. […] Ik gaf hem gelijk een klap. […] Er ontstond een vechtpartij.[…] In de auto lagen houten blokken om vuur te maken18

[verdachte] heeft bij de politie onder meer verklaard:

Ik heb een hoedenplank uit de auto gepakt.19

[naam 4] heeft bij de politie onder meer verklaard:

[verdachte] heeft geslagen en [medeverdachte] ook. Ik heb gezien dat er geslagen is.20

3.3.1.3 De bewijsoverwegingen

Bij de geweldpleging op 27 mei 2019 waren een aantal personen ‘betrokken’, te weten slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] . Al deze betrokkenen hebben meerdere verklaringen afgelegd. Hoewel deze verklaringen op punten van elkaar afwijken en de afzonderlijke personen ook in hun eigen verhoren niet consistent hebben verklaard, acht de rechtbank, mede gelet op de camerabeelden, zich in staat vast te stellen wat er naar haar oordeel is gebeurd. De rechtbank is hierbij uitgegaan van die bewijsmiddelen die elkaar onderling steunen en - uiteraard - waaraan zij geloof hecht.

Uit de camerabeelden in combinatie met de overige gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] op enig moment stopt bij de auto waarvan [medeverdachte] de bestuurder is. Deze auto staat op dat moment bij het tankstation geparkeerd. [medeverdachte] en [verdachte] bevinden zich op dat moment naast de auto. [medeverdachte] loopt naar [slachtoffer 1] en slaat hem. [verdachte] komt erbij staan. [medeverdachte] loopt vervolgens naar [slachtoffer 3] toe en slaat hem. Hier komen verschillende fietsers uit de groep behorende bij [slachtoffer 1] op af en er ontstaat een vechtpartij. De rechtbank stelt verder uit de camerabeelden vast dat [verdachte] vervolgens op de groep fietsers afrent en slaande bewegingen maakt. Na het inrijden met de auto op de groep door [medeverdachte] , pakken [medeverdachte] en [verdachte] beiden een voorwerp uit de auto en maken zij zwaaiende bewegingen met het voorwerp richting de groep fietsers, waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Openlijke geweldpleging

De vraag die de rechtbank in dit verband dient te beantwoorden is of sprake is van het openlijk in vereniging plegen van geweld, zoals is tenlastegelegd onder feit 1.

De rechtbank stelt voorop dat van het ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is, indien de betrokkenen een voldoende significante of wezenlijke bijdrage leveren aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Bepalend is of de door de betrokkenen geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] de agressie is gestart door het slaan van [slachtoffer 1] . Direct daarop zoekt hij de confrontatie weer op met fysiek geweld en slaat hij [slachtoffer 3] . Hoewel uit de camerabeelden blijkt dat [verdachte] niet meteen deelnam aan het geweld, distantieerde hij zich op dat moment ook niet. Integendeel. De rechtbank stelt vast dat hij zich enkele seconden later mengt in de gevechtshandeling en zich –nadat er meerdere fietsers bijkomen- vol in het gevecht stort. Hij zoekt welbewust de confrontatie op en maakt - zoals uit de camerabeelden blijkt – duidelijk slaande bewegingen, waarbij [slachtoffer 1] wordt geraakt. Dit strookt met de getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De stelling van [verdachte] dat hij enkel [medeverdachte] probeerde af te schermen en niet heeft geslagen maar wel zijn armen omhoog heeft gedaan om zijn gezicht te beschermen, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Hieruit volgt dat hij actief deelneemt door vol het gevecht in te gaan en daarbij fysiek geweld heeft gebruikt door te slaan. Voor zover gezegd kan worden dat [verdachte] zich daarna uit het gevecht zou onttrekken, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] een paar seconde later het fysieke geweld voortzet door in de auto te stappen en de aan hem tenlastegelegde feit 2 te plegen. De rechtbank stelt verder uit de gebezigde bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte] -nadat hij weer uit de auto is gestapt- een voorwerp uit de auto pakt. Zodra [verdachte] in de gelegenheid is, sluit hij zich aan bij [medeverdachte] en pakt eveneens een voorwerp uit de auto. Het geweld wordt op dat moment door hun beiden voortgezet door de reeds terugtrekkende fietsers nader met de voorwerpen te bedreigen. Hoewel de verklaringen van de betrokkenen niet eensluidend zijn over het voorwerp dat beide verdachten in hun handen hielden, stelt de rechtbank vast dat allen het hebben over voorwerpen die als ‘hard’ aangeduid kunnen worden.

Naar het oordeel van de rechtbank was er sprake van een voortdurende opeenvolging van geweldshandelingen gelet op de korte tijdspanne van ongeveer drie minuten. Voor zover er een moment van bezinning is geweest bij een van de verdachten, sloot de ander zich later weer bij de geweldpleging aan. Naar het oordeel van de rechtbank waren [medeverdachte] en [verdachte] de initiatiefnemers van het gevecht. Zij hebben door het plegen van fysieke handelingen de geweldshandelingen van de ander ondersteund of anderszins bijgedragen in het ontstaan of het voortduren daarvan. Beide verdachten hebben daarmee een voldoende significante of wezenlijke bijdrage geleverd aan het gepleegde geweld, zodat de onder feit 1 tenlastegelegde openlijke geweldpleging kan worden bewezen.

Nu op basis van de inhoud van het strafdossier niet kan worden vastgesteld dat het bewezenverklaarde geweld gepleegd door verdachte, een scheur in het trommelvlies van het (rechter) oor, een gekneusde rib en kneuzingen aan de linkerzijde van het hoofd ten gevolge heeft gehad, zal de rechtbank verdachte hiervan partieel vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank acht de tenlastegelegde openlijke geweldpleging bewezen.

3.3.2

Feit 2

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is om te komen tot het bewijs dat de verdachte de onder 4 tenlastegelegde poging zware mishandeling (primair) dan wel mishandeling (subsidiair) heeft begaan, zodat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt zij het volgende.

Op basis van de inhoud van het strafdossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte en/of zijn medeverdachte tegen het hoofd of de romp, zoals ten laste is gelegd, van [slachtoffer 1] heeft geslagen. Weliswaar blijkt uit verschillende verklaringen dat [slachtoffer 1] is geslagen, maar de klappen die hij kreeg, heeft hij opgevangen met zijn onderarm. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde onder 4.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1

op 27 mei 2018 te Wessem openlijk, te weten op de Molenweg (tankstation TinQ), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en M. [slachtoffer 3] , door

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] te slaan en te duwen en

- een hard voorwerp, aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te tonen en met een hard voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te zwaaien.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 1

openlijke geweldpleging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest. Bij het formuleren van deze strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met:

  • -

    de ernst van de feiten;

  • -

    dat de verdachten de agressors waren;

  • -

    de enorme impact die deze gebeurtenis op de slachtoffers heeft gehad;

  • -

    het omvangrijke strafblad;

  • -

    dat verdachte eerder voor geweldsdelicten met justitie in aanraking is geweest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de tenlastegelegde feiten. Bij bewezenverklaring heeft de raadsman verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, nu verdachte zijn leven op dit moment redelijk op orde heeft. Een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit pad doorkruisen. Daarnaast is het voorval waarin hij terecht is gekomen hem overkomen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk geweldpleging om een futiele aanleiding. Dit acht de rechtbank zeer verwerpelijk. Het betrof een bedreigende situatie, waarbij de verdachten willens en wetens de confrontatie met de slachtoffers hebben opgezocht. Alle betrokken personen hebben die nacht angsten en gevoelens van onveiligheid gekend, waarvan sommigen tot op de dag van vandaag nog steeds last hebben. Bij enkelen van hen heeft zelfs de gedachte gespeeld om de aangifte in te trekken, uit angst voor represailles. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. In het bijzonder neemt de rechtbank verdachte kwalijk dat hij geen berouw toont en zichzelf als slachtoffer ziet.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank rekening houden met het feit dat de verdachte een omvangrijk strafblad heeft en reeds eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Gelet op de ernst van het feit en de impact die het op de slachtoffers heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijk gevangenisstraf. De rechtbank heeft voor de strafmaat aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot overtreding van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. De categorie waarbij de rechtbank aansluiting zoekt, is de categorie ‘openlijke geweldpleging zonder lichamelijk letsel’ begaan tegen personen, waarbij als uitgangspunt geldt een taakstraf van 120 uur. Nu in het onderhavige geval sprake is van recidive zal dit uitgangspunt worden verhoogd tot een taakstraf van 160 uur, hetgeen neerkomt op een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen.

Uit het rapport van de reclassering 23 september 2019 komt naar voren dat het recidiverisico, wordt ingeschat als hoog. De reclassering ziet echter geen mogelijkheid om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen, nu verdachte in eerdere interventies heeft geleerd welke keuzes hij kan maken om uit de criminaliteit te blijven. Het opleggen van bijzondere voorwaarden heeft volgens de reclassering op dit moment dan ook geen meerwaarde.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen, met aftrek van het voorarrest, passend.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een schadevergoeding gevorderd van in totaal € 6.027,25 ter zake van feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht om vergoeding van proceskosten ter hoogte van € 451,54. De vordering bestaat uit een bedrag van € 4.000,- aan immateriële schade en de volgende posten aan materiële schade (totaalbedrag € 2.003,28):

  • -

    fiets Koga: € 229,75

  • -

    telefoon: € 120,00

  • -

    broek aangeschaft 2018: € 50,00

  • -

    diverse medische kosten: € 1.219,33

  • -

    diverse reiskosten: € 191,17

(ter terechtzitting bijgesteld tot een bedrag van € 167,20 (minus reiskosten rechtbank))

  • -

    porto en telefoonkosten: € 5,00

  • -

    sportabonnement: € 212,00

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot gehele toewijzing van de vordering. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, met uitzondering van de proceskosten.

De officier van justitie heeft gevorderd [medeverdachte] en [verdachte] hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor een gedeelte van de vordering. Het gedeelte waar [medeverdachte] samen met [verdachte] hoofdelijk aansprakelijk voor is, heeft de officier van justitie geschat op een bedrag ter hoogte van € 1.500,- ter zake de immateriële schade en € 578,17 ter zake de materiële schade.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen schade hoeft te vergoeden, nu de bewijsbare rol van verdachte beperkter is. Daarnaast kan worden afgevraagd in hoeverre er sprake is van eigen schuld.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde [slachtoffer 1] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit 1 rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank acht een vergoeding van de door de benadeelde geleden schade op zijn plaats en ziet geen aanleiding de materiële schade te matigen.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de volgende posten, naar redelijkheid en billijkheid toewijzen:

  • -

    fiets Koga tot het gevorderde bedrag van € 229,75

  • -

    telefoon tot het gevorderde bedrag van € 120,-

  • -

    broek aangeschaft 2018 tot het gevorderde bedrag van € 50,-

  • -

    medische kosten tot het gevorderde bedrage van € 1.219,33

  • -

    port- en telefoonkosten tot het gevorderde bedrag van € 5,-.

De rechtbank zal de post ‘sportabonnement’ afwijzen, nu de rechtbank de kosten aanmerkt als een ‘gemist genot’. Dergelijke schade komt naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking.

Daarnaast zal de rechtbank de post ‘reiskosten’ voor een gedeelte toewijzen tot het bedrag van € 166,50. De reiskosten ten aanzien ‘opgehaald plaats ongeval’ zal de rechtbank toewijzen tot een bedrag van € 0,65, nu de benadeelde partij samen met [slachtoffer 5] , die eveneens dit bedrag heeft gevorderd, is opgehaald bij de plaats van het ongeval, zodat de vordering op dit onderdeel gehalveerd zal worden toegewezen. Het overige gedeelte van de vordering zal de rechtbank afwijzen.

Ten slotte zal de rechtbank de post immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid toewijzen tot het bedrag van € 2.000,-. Hoewel de rechtbank oog heeft voor het lichamelijke en psychische letsel van het slachtoffer, waarvan hij nog dagelijks de gevolgen ondervindt, ziet de rechtbank aanleiding dit bedrag te matigen. De rechtbank zal de vordering voor het overige gedeelte afwijzen.

Nu de schade voor een deel is ontstaan door de openlijke geweldpleging en het andere deel voor een feit dat niet aan verdachte is tenlastegelegd, acht de rechtbank [verdachte] naar redelijkheid en billijkheid voor de helft aansprakelijk voor de vergoeding van de schade. Zowel de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij als de schadevergoedingsmaatregel zullen dan ook (gedeeltelijk) hoofdelijk worden opgelegd, tot het bedrag van

€ 1.285,60. Tevens acht de rechtbank de gevorderde proceskosten (hoofdelijk) toewijsbaar ter hoogte van € 451,54.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 1.285,60, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voorts legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel op voor een bedrag van € 1.285,60, opdat de inning van het verschuldigde bedrag de benadeelde partij uit handen wordt genomen door de Staat. Het opleggen van deze maatregel is mogelijk, nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.5 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feit 1 tot een gevangenisstraf van 70 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.285,60, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 27 mei 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat voor zover het bedrag ad € 1.285,60 door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 451,54;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , een bedrag van € 1.285,60 , bij niet betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 27 mei 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover het bedrag ad € 1.258,60 en € 451,54 door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Teeuwissen, voorzitter, mr. V.P. van Deventer en

mr. F.J.W.M. Tas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Zijlstra, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 oktober 2019.

Buiten staat

Mr. F.J.W.M. Tas is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1

hij op of omstreeks 27 mei 2018 te Wessem, in elk geval in de gemeente Maasgouw, openlijk, te weten op de Molenweg (tankstation TinQ), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of M. [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , door

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te slaan en/of schoppen en/of trappen en/of duwen en/of

- een betonschaar, althans een hard en/of stomp voorwerp, aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te tonen en/of met een betonschaar, althans een hard en/of stomp voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te zwaaien, terwijl dit door hem en/of zijn mededader gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten o.a. een scheur in het trommelvlies van (rechter)oor en/of een gekneusde rib en/of kneuzingen aan de linkerzijde van het hoofd, voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

feit 2 primair

hij op of omstreeks 27 mei 2018 te Wessem, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een ijzeren staaf en/of een betonschaar, althans een hard en/of stomp voorwerp, meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen de romp, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 subsidiair

hij op of omstreeks 27 mei 2018 te Wessem, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met een ijzeren staaf en/of een betonschaar, althans een hard

en/of stomp voorwerp, meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen de romp, te slaan.

1 Hierna ook: [verdachte] .

2 Hierna ook: (slachtoffer) ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] .

3 Hierna ook: (medeverdachte) ( [medeverdachte] ) [medeverdachte] .

4 Hierna ook: (slachtoffer) ( [slachtoffer 2] .

5 Hierna ook: (slachtoffer) ( [slachtoffer 3] .

6 Hierna ook: (slachtoffer) ( [slachtoffer 4] .

7 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden Limburg, basisteam Echt, onderzoeksnummer LB1R018059 ( [bijnaam] ), gesloten d.d.27 november 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 525.

8 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [naam 1] d.d. 7 juni 2018, op pagina 328 tot en met 330.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 15 oktober 2018, op de pagina’s 436-447.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 19 september 2018, op de pagina’s 465-471.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] d.d. 25 september 2018, op de pagina’s 510-517.

12 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [naam 1] d.d. 7 juni 2019, op pagina 321 tot en met 327.

13 Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 28 mei 2018, op pagina 40 tot en met 43.

14 Proces-verbaal getuigenverhoor van [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris d.d. 29 mei 2019 op de pagina’s 2, 3 en 4. Dit proces-verbaal maakt geen deel uit van het proces-verbaal van politie genoemd in voetnoot 12.

15 Proces-verbaal van gehoor getuige [slachtoffer 3] d.d. 30 mei 2019, op pagina 183 tot en met 186.

16 Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 5 juni 2018, op pagina 164 tot en met 166.

17 Proces-verbaal getuigenverhoor van [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris d.d. 29 mei 2019 op de pagina’s 8 en 9. Dit proces-verbaal maakt geen deel uit van het proces-verbaal van politie genoemd in voetnoot 12.

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 15 oktober 2018, op de pagina’s 436-447.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] d.d. 19 september 2018, op de pagina’s 472-483.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] d.d. 25 september 2018, op de pagina’s 510-517