Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:9006

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
C/03/251092 / HA ZA 18-294
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2019:5958
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslag/instellen eis in hoofdzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/251092 / HA ZA 18-294

Vonnis bij vervroeging van 9 oktober 2019

in de zaak van

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

HULSBOSCH BOUWBEDRIJF N.V.,

gevestigd te Bree (België),

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. F.W. Linders,

tegen:

1 [eiser in in reconventie sub 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

2. [naam bv] BEHEER B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisers in reconventie,

advocaat: mr. M.F.J.M. van Rooy.

Verweerster in reconventie zal hierna ‘Hulsbosch’ worden genoemd, eiser sub 1 in reconventie ‘ [eiser in in reconventie sub 1] ’, eiseres sub 2 in reconventie als ‘Beheer B.V.’ en eisers in reconventie gezamenlijk zullen worden aangeduid als ‘ [eisers in reconventie] ’.

De nummering van het tussen partijen gewezen vonnis van 26 juni 2019 wordt voortgezet.

12 Het verloop van de procedure

12.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussen partijen gewezen vonnis van 26 juni 2019;

- de akte uitlating van [eisers in reconventie] ;

- de akte van Hulsbosch met productie 12.

12.2

Nadat partijen vonnis hebben gevraagd, is vonnis bepaald.

13 De beoordeling

13.1

In het vonnis van 26 juni 2019 is de zaak verwezen naar de rol teneinde partijen in staat te stellen zich uit te laten over de vraag of het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 23 april 2019 al dan niet onherroepelijk is. Partijen hebben in de genomen aktes laten weten dat geen cassatie is ingesteld tegen het arrest van 23 april 2019. Dit arrest is daarmee onherroepelijk zodat ervan moet worden uitgegaan dat het door Hulsbosch in Nederland in conventie ingestelde geschil is beëindigd.

13.2

In het vonnis van 26 juni 2019 is partijen ambtshalve de vraag voorgelegd of de door Hulsbosch in België aanhangig gemaakte hoofdzaak, kan gelden als eis in de hoofdzaak. De in België aangebrachte zaak is daar aangebracht enige jaren voordat Hulsbosch het onderhavige beslagverlof heeft gevraagd en de onderhavige eis in de hoofdzaak bij deze rechtbank heeft aangebracht. Indien die in België eerder aangebrachte zaak kan gelden als de hoofdzaak, kan dit meebrengen dat de door de voorzieningenrechter bij het beslagverlof gegeven voorwaarde dat de eis in de hoofdzaak binnen 14 dagen na het leggen van het beslag dient te worden ingesteld, niet voor geschreven hoeft te worden gehouden. [eisers in reconventie] hebben in hun akte aangevoerd dat naar Belgisch recht een maat in een niet commerciële maatschap als “ [naam maatschap] ” (hierna: de Maatschap), niet hoofdelijk aansprakelijk is. De maten, aldus [eisers in reconventie] , zijn geen handelaren, maar agrarische ondernemers. Hulsbosch heeft de ambtshalve aan de orde gestelde vraag niet beantwoord. Zij heeft alleen aangevoerd dat zij naar Belgisch recht geen cassatie kan instellen tegen de uitspraak van het Hof van Beroep Antwerpen van 29 oktober 2015 waarin dit Hof heeft geoordeeld dat nu Belgisch recht van toepassing is, er geen reden is “om de maten van de maatschap als hoofdelijk gehouden aan te zien met de maatschap, nu deze laatste de enige is die met Hulsbosch heeft gecontracteerd (…).”.

13.3.1

De rechtbank leidt stellenderwijze uit de overweging in de uitspraak van het Hof van Beroep Antwerpen van 29 oktober 2015 dat er geen reden is “om de maten van de maatschap als hoofdelijk gehouden aan te zien met de maatschap”, af dat naar Belgisch recht in het in België aan de orde zijnde geschil tussen Hulsbosch en de Maatschap – de gedagvaarde maten [eisers in reconventie] doen daarin immers niet meer mee – een eventuele veroordeling van de Maatschap niet op het privévermogen van de maten ten uitvoer kan worden gelegd. Dit is naar Nederlands recht anders. Krachtens de artikelen 7A:1679 – 1681 BW geldt alhier, kort gezegd, dat indien een bevoegd handelende maat namens de maatschap is opgetreden, alle maten (gedeeltelijk) kunnen worden aangesproken. De vraag is dus of een in Nederland te executeren Belgische veroordeling van alleen de Maatschap met inachtneming van alleen het Belgisch recht moet worden geëxecuteerd of (ook) met inachtneming van het Nederlands recht. Anders gevraagd: heeft een veroordeling van de Maatschap door de Belgische rechter in Nederland te gelden als (tevens) een veroordeling van de maten die aansprakelijk zijn voor de schulden van de Maatschap? Als dat zo is, zal de door Hulsbosch in België ingestelde hoofdzaak, waarin de Maatschap gedaagde is, voor de Nederlandse rechter kunnen gelden als hoofdzaak zoals bedoeld in het door deze rechtbank gegeven beslagverlof van 26 april 2018. Zie wat dit betreft ook art. 10:119 aanhef en sub e BW. Gelet op het over een weer aangevoerde bestaat er geen reden om in dit geschil te betrekken HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, zodat met name voorbij kan worden gegaan aan hetgeen in dat arrest in rov. 3.4.2 is overwogen.

13.3.2

De Brussel 1-bis-verordening speelt bij de beantwoording van deze vraag geen rechtstreekse rol. Die Verordening geldt krachtens art. 66 enkel voor rechtsvorderingen ingesteld op of na 10 januari 2015. Die Verordening bepaalt wel in art. 41 dat de hoofdregel voor een procedure tot tenuitvoerlegging van, voor dit geval, de Belgische uitspraak, is dat deze tenuitvoerlegging wordt beheerst door het recht van Nederland als aangezochte lidstaat. Hulsbosch heeft haar vordering in België echter ingesteld voor 10 januari 2015 (zie nr. 3 dagvaarding), zodat de Brussel I-Verordening van toepassing is. Deze Verordening kent geen duidelijke regel als het net genoemde art. 41. De rechtbank leidt uit HvJ EG 2 juli 1985, NJ 1986/508 af dat de hoofdregel van art. 41 Brussel I-bis-verordening ook geldt voor een tenuitvoerlegging onder Brussel I-Verordening. Het Hof heeft in genoemde uitspraak namelijk overwogen dat onder het Executieverdrag de tenuitvoerlegging van buitenlandse executoriale titels onderworpen blijft aan het nationale recht van de aangezochte rechter.

Kortom, indien de in de Belgische bodemprocedure aangekondigde veroordeling van de Maatschap in Nederland wordt ten uitvoer gelegd, dient die tenuitvoerlegging te geschieden aan de hand van Nederlands recht. Dat recht houdt in dat ook het privévermogen van maten kan worden uitgewonnen bij een veroordeling van de Maatschap. De door Hulsbosch in België aanhangig gemaakt hoofdvordering is gegrond op de stelling dat de volledige aanneemsom voor de bouw van een mestkelder niet is betaald. De alhier in dit geschil in conventie door Hulsbosch ingestelde hoofdvordering is eveneens gegrond op de stelling dat de volledige aanneemsom voor de bouw van een mestkelder niet is betaald. De vorderingen hebben dus dezelfde grondslag. Gelet op al het vorenstaande moet het er dan ook voor worden gehouden dat ten tijde van het beslagverlof door de voorzieningenrechter alhier, de hoofdvordering al aanhangig was gemaakt en wel in België. Daarmee moet de voorwaarde in het door de voorzieningenrechter alhier gegeven beslagverlof van 20 april 2018 dat de eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld binnen 14 dagen na het leggen van beslag, als niet geschreven worden gehouden: er was reeds een eis in de hoofdzaak ingesteld. Uitgangspunt voor de beoordeling van de vordering tot opheffing van het beslag van [eisers in reconventie] is dan ook dat rechtsgeldig beslag is gelegd.

13.4

In de bodemprocedure in België staat in eerste aanleg voldoende vast dat de Maatschap zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag (zie rov. 8.1 sub e van het vonnis van 26 juni 2019). Voor die vorderingen is het onderhavige beslag gelegd op het onroerend goed [adres] , [woonplaats] van [eiser in in reconventie sub 1] , maat in de Maatschap. Bij de beoordeling van de vordering van [eiser in in reconventie sub 1] tot opheffing van dit beslag, moet er dus op dit moment van worden uitgegaan dat in elk geval in de Belgische bodemprocedure in eerste aanleg is geoordeeld dat een vordering op hem bestaat, maar dat een veroordeling nog niet is uitgesproken. Het beslag is gelegd ter verzekering van die vordering. Ter onderbouwing van zijn vordering tot opheffing van het beslag, heeft [eiser in in reconventie sub 1] alleen maar aangevoerd dat elke grondslag voor de door Hulsbosch ingestelde vordering ontbreekt. Dat blijkt, gelet op het voorgaande, niet juist. [eiser in in reconventie sub 1] heeft verder aangevoerd dat het beslag moet worden opgeheven omdat het hem lastig maakt (aanvullende) financiering te verkrijgen (nr. 12 conclusie van repliek in reconventie). Aan die stelling wordt voorbij gegaan alleen al omdat [eiser in in reconventie sub 1] niet heeft gesteld dat hij op korte termijn aanvullende financiering zal aanvragen. De uitkomst van de belangenafweging is dan ook dat [eiser in in reconventie sub 1] ’s belang bij opheffing van het beslag aanzienlijk minder van gewicht is dan het belang van Hulsbosch op handhaving daarvan. Dit betekent dat de vordering in reconventie wordt afgewezen.

13.5

[eisers in reconventie] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de reconventie. De kosten worden aan de zijde van Hulsbosch begroot op € 1.357,50 (2,5 x tarief II) voor salaris advocaat.

14 De beslissing

De rechtbank:

in reconventie:

14.1

wijst de vordering af;

14.2

veroordeelt [eiser in in reconventie sub 1] c.s uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding in reconventie, tot op heden aan de zijde van Hulsbosch begroot op € 1.357,50.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2019.