Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:9005

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4240u
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Intrekking pgb ten behoeve van woningaanpassing. Verweerder was in beginsel bevoegd het aan eiseres toegekende pgb in te trekken nu dat niet is besteed voor aanpassing aan haar woning. Verweerder dient een belangenafweging te maken. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom zijn belang bij intrekking zwaarder weegt dan de gevolgen voor de intrekking van het pgb voor eiseres. Voor een kenbare deugdelijke belangenafweging bestaat volgens de rechtbank des te meer grond gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/4240

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.C.M. van Riet),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, verweerder

(gemachtigde: mr. S.A.R. Lely).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het aan eiseres toegekende persoonsgebonden budget (hierna: pgb) van € 56.000,- ten behoeve van een woningaanpassing ingetrokken.

Bij besluit van 21 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2018.

Eiseres is verschenen, vergezeld van haar echtgenoot en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en R.J.A. Janssen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen tot een minnelijke regeling te komen. Nadat gebleken is dat partijen daarin niet zijn geslaagd, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting voortgezet op 27 augustus 2019. Eiseres is verschenen, vergezeld van haar echtgenoot en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en voornoemde Janssen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat - gelet op de door partijen ingediende stukken - uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres was woonachtig op het [adres] te Brunssum. Eiseres lijdt aan een chronisch progressieve neurologische aandoening (MS).

1.2.

Eiseres heeft op 16 maart 2010 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag ingediend bij verweerder voor een vergoeding in de kosten voor een woonvoorziening. Bij besluit van 3 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en aan eiseres een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten toegekend. Tevens is op grond van de hardheidsclausule een financiële vergoeding toegekend in verband met de kosten van dubbele woonlasten en de kosten van verhuizing door een erkend verhuisbedrijf. Bij besluit van 2 augustus 2011 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2011 ongegrond verklaard.

1.3.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 6 juni 2012 is het beroep van eiseres tegen het besluit van 2 augustus 2011 gegrond verklaard (ECLI:NL:RBMAA:2012:BW8065). De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en bepaald dat verweerder aan eiseres een pgb ten bedrage van € 56.000,- dient te verstrekken, welk budget aangewend dient te worden voor het treffen van woningaanpassingen in de woning aan [adres] te Brunssum. Deze uitspraak is door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1373, bevestigd, met uitzondering van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling

1.4.

Bij brief van 14 juni 2012 heeft de toenmalige gemachtigde van eiseres zich tot verweerder gewend in verband met de acute situatie, waarin eiseres zich op dat moment bevond. Eiseres verbleef in een kliniek in [België] , welk verblijf door haar zorgverzekeraar echter niet langer vergoed werd. Haar behandelend specialisten vonden het echter onverantwoord dat eiseres terugkeerde naar haar woning, zolang deze niet was aangepast. Gezien deze situatie heeft de gemachtigde van eiseres verweerder verzocht zogenaamde bereddingsmaatregelen als bedoeld in artikel 7:757 en artikel 7:759 van het Burgerlijk Wetboek te treffen, inhoudende een garantstelling voor de kosten van verder verblijf in de kliniek in België tot het moment dat de woningaanpassing is gerealiseerd.

1.5.

Op 4 juli 2012 heeft overleg plaatsgevonden tussen eiseres en verweerder. Bij brief van 12 juli 2012 van verweerder zijn de afspraken die tijdens dit overleg zijn gemaakt en de standpunten die zijn ingenomen, bevestigd. Deze afspraken houden onder meer in dat op korte termijn het door de rechter aangegeven pgb ten bedrage van € 56.000,- zal worden overgemaakt naar eiseres. Aangegeven is waarvoor het pgb dient te worden gebruikt en welke verplichtingen hieraan zijn verbonden. Voor alle duidelijkheid is gesteld dat, mocht voornoemd bedrag niet of niet volledig besteed worden aan de woningaanpassing, de niet aan de woningaanpassing bestede gelden teruggevorderd zullen worden. Wat betreft het verzoek van eiseres om schadevergoeding is aangegeven dat dit verzoek is voorgelegd aan de verzekeraar, die hierin namens verweerders gemeente optreedt. Verweerder zal zich buigen over het verzoek van eiseres om te voorzien in bereddingskosten. Vooralsnog wordt dit verzoek afgewezen.

1.6.

Uitbetaling van het pgb ten bedrage van € 56.000,- aan eiseres heeft plaatsgevonden op /of omstreeks 5 juli 2012.

1.7.

Eiseres heeft met ingang van 1 oktober 2012 een aangepaste (aanleun-)woning aan [adres te België] betrokken.

1.8.

Bij emailbericht van 15 februari 2013 heeft eiseres een tekening overgelegd aan verweerder met betrekking tot de beoogde verbouwing van het pand [adres] te Brunssum. Verweerder heeft hierop per brief van 13 maart 2013 gereageerd dat de tekening niet getoetst kan worden aan de bouwkundige eisen. Verzocht is om een schetsplanaanvraag in te dienen teneinde te beoordelen of het bouwplan voldoet aan het geldend planologisch regime en aan redelijke eisen van welstand. Voor het beoordelen of aan de vigerende bouwkundige eisen wordt voldaan is het aanvragen van een omgevingsvergunning noodzakelijk. Op 17 mei 2013 heeft verweerder een schetsplan van eiseres ontvangen. Bij brief van 28 augustus 2013 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat hierover positief is geadviseerd.

1.9.

Op 5 juni 2013 heeft eiseres jegens verweerders gemeente een civiele procedure aangespannen en een veroordeling van de gemeente gevorderd tot vergoeding van de schade die is geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van verweerder. Bij incidentele conclusie heeft eiseres vergoeding gevorderd van een bedrag per maand voor een aanleunwoning, welke vordering bij incidenteel vonnis van 9 oktober 2013 van deze rechtbank is afgewezen. Bij vonnis van 1 oktober 2014 van deze rechtbank in de hoofdzaak is de door eiseres gevorderde schadevergoeding beperkt tot de wettelijke rente over het bedrag van € 56.000,- vanaf 3 februari 2011 tot 5 juli 2012. (ECLI:NL:RBLIM:2014:8291). Bij arrest van 5 april 2016 heeft het gerechtshof ‘s- Hertogenbosch uitspraak gedaan op het hoger beroep tegen voornoemde vonnissen van deze rechtbank (ECLI:NL:GHSHE:2016:1308). Volgens het gerechtshof is de zaak uiteindelijk te herleiden tot het oordeel dat aan eiseres ten onrechte enigerlei van vergoeding is onthouden, welke vergoeding met de uitspraak van de bestuursrechter alsnog is toegekend, zij het – eveneens ten onrechte – te laat. De schadevergoeding wegens die te late betaling bestaat in de wettelijke rente, en daar blijft het dan bij volgens het gerechtshof (r.o. 3.9.4). Ten aanzien van de geclaimde verblijfskosten in de kliniek in België - de zogenaamde bereddingskosten - wordt geoordeeld dat deze niets van doen hebben met een beperking van de kosten voor aanpassing van de woning (zie r.o. 3.12.2).

1.10.

Bij brief van 25 april 2014 heeft eiseres verweerder - naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 16 april 2014 – verzocht om overleg. In reactie hierop heeft verweerder bij brief van 13 mei 2014 aangegeven dat voldoende duidelijk is welke stappen door eiseres moeten worden genomen en dat er dan ook geen noodzaak is voor een gesprek. Verweerder heeft eiseres verzocht binnen een termijn van twee maanden een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning in te dienen. Indien hieraan geen gevolg wordt gegeven zal verweerder overgaan tot het opstarten van de procedure tot intrekking van het toegekende pgb-budget, die zal worden gevolgd door een terugvorderingstraject.

1.11.

Op 3 december 2014 heeft de Geschillencommissie Zorgverzekeringen (de Geschillencommissie) een tussenuitspraak gedaan in het geschil tussen eiseres en haar ziektekostenverzekeraar, waarbij het verzoek van eiseres tot vergoeding van de kosten van haar verblijf in de kliniek in [België] tussen 1 juni 2012 en 30 september 2012 is afgewezen. De Geschillencommissie stelt vast dat eiseres geen indicatie heeft voor een ziekenhuisopname, aangezien het niet gaat om een opname die medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg. Preventie van nieuwe blaasinfecties kan doorgaans in de thuissituatie plaatsvinden. De reden dat eiseres langer verbleef in de kliniek dan wel de daarbij behorende aanleunwoning, was dat zij in de thuissituatie niet zelf naar het toilet kon, omdat hiervoor een aanpassing van haar woning nodig is.

1.12.

Bij brief van 15 mei 2017 heeft verweerder aan eiseres kenbaar gemaakt voornemens te zijn het toegekende pgb voor de woningaanpassing in te trekken en het uitbetaalde bedrag van € 56.000,- terug te vorderen. De gelden zijn volgens verweerder niet correct besteed. Eiseres heeft het pgb niet aangewend voor de woningaanpassing, maar aan andere kostenposten besteed. Eiseres is in de gelegenheid gesteld (alsnog) verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb en/of haar zienswijze ten aanzien van het voornemen kenbaar te maken. Eiseres heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder, op grond van het bepaalde in artikel 15, tweede lid, aanhef en onder d en e, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Brunssum 2015 (Verordening 2015), het recht op pgb ten behoeve van woningaanpassing ingetrokken. Eiseres heeft niet voldaan aan de aan het pgb verbonden voorwaarden en/of heeft het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de Sociaal-domein kamer van de Commissie voor de bezwaarschriften (Bezwaarschriftencommissie) van 6 november 2017, ongegrond verklaard. Voor eiseres had duidelijk moeten zijn dat het pgb enkel bedoeld was voor aanpassing van de woning aan [adres] te Brunssum. De uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2012 is helder op dit punt en ook overigens is eiseres in correspondentie meermalen hierop gewezen. Vaststaat dat eiseres het pgb niet heeft gebruikt voor het doel waarvoor het is verstrekt, namelijk voor voornoemde woningaanpassing, maar dat eiseres dit pgb gebruikt heeft voor betaling van de kosten van verblijf in de kliniek in [België] en voor huurkosten van de aangepaste woning in België. Vaststaat eveneens dat eiseres sinds 7 oktober 2014 is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen van verweerders gemeente en zij hier niet meer woonachtig is. Op grond van het bepaalde in artikel 15, tweede lid, onder d en e, van de Verordening 2015 staat hiermee de bevoegdheid van verweerder om over te gaan tot intrekking van het verleende pgb vast. Het is derhalve alleszins redelijk dat verweerder gebruik maakt van deze bevoegdheid. Ook bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder op grond van de hardheidsclausule had dienen af te zien van gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot intrekking van het pgb.

4. Eiseres heeft in beroep kort samengevat het volgende aangevoerd. Bij het instellen van de vordering bij de rechtbank en het gerechtshof is eiseres ervan uitgegaan dat haar ziektekostenverzekeraar haar kosten van verblijf in de kliniek in [België] zal betalen. Deze verzekeraar heeft echter een handig verweer gevoerd bij de Geschillencommissie door naar voren te brengen dat zij niet hoeft te boeten voor de onrechtmatigheid aan de zijde van de gemeente, waarin de Geschillencommissie haar volgt. Volgens eiseres vordert verweerder feitelijk van eiseres een bedrag terug gelijk aan de schade die verweerder zelf door zijn onrechtmatig handelen heeft veroorzaakt. Nu vaststaat dat de ziektekostenverzekeraar niet betaalt, had verweerder moeten besluiten dat de factuur van de kliniek van € 32.697,- de schade is die verweerder veroorzaakt heeft door de woning van eiseres niet tijdig aan te passen. Immers rechtbank en gerechtshof stellen beide vast dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld. Niet alleen de zorgverzekeraar maar ook verweerder ontspringt echter de dans, waarbij eiseres als slachtoffer achterblijft. Reden waarom zij een beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule.

5. Verweerder heeft ten aanzien van de aangevoerde beroepsgronden het navolgende verweer gevoerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voor deze zaak niet ertoe doet wat wel of niet is aangevoerd door partijen in de procedure bij de Geschillencommissie. Het betreft een heel andere soort procedure, die volledig los staat van de onderhavige procedure. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres dat er geen serieuze behandeling van het bezwaar heeft plaatsgevonden, stelt verweerder dat eiseres in de bezwaarfase (onder meer in het bezwaarschrift en de hoorzitting) de gelegenheid heeft gehad haar standpunt uit de doeken te doen. Verweerder streeft naar een objectieve en zorgvuldige besluitvorming. Verweerder ziet niet in waarom het besluit van 3 februari 2011, waarbij slechts een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten is toegekend, gevolgen zou moeten hebben voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit dat ziet op de intrekking van het pgb ten behoeve van een woningaanpassing. Ook een verband tussen de civiele procedure en het bestreden besluit is er volgens verweerder niet.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Op 1 januari 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in werking getreden.

Artikel 8.9, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat de Wmo wordt ingetrokken, onverminderd de rechten en verplichtingen die onmiddellijk voor het tijdstip waarop artikel 2.1.1 in werking is getreden, voor betrokkene zijn verbonden aan een met toepassing van de Wmo door het college genomen besluit waarbij aanspraak is verstrekt op een individuele voorziening in natura of het ontvangen van een pgb dan wel een financiële tegemoetkoming.

Artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet, van toepassing blijft ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo.

8. De rechtbank is van oordeel dat gelet op artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 ten aanzien van de intrekking van het onder de Wmo toegekende PGB uitgegaan dient te worden van het recht zoals dat gold onder de Wmo. Verweerder heeft dit niet onderkend, maar de rechtbank ziet aanleiding dit gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu aannemelijk is dat eiseres daardoor niet wordt benadeeld.

9. In de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Brunssum 2012 (de Verordening) is in artikel 8, vijfde lid, bepaald dat het college steekproefsgewijs controleert of uit de verstrekte gegevens voldoende blijkt of pgb’s besteed zijn aan het doel, waarvoor zij zijn verstrekt.

In artikel 8, zesde lid, van de Verordening is bepaald dat indien uit de controle blijkt, dat het pgb niet is besteed aan het doel waarvoor zij is verstrekt, het college kan besluiten de voorziening geheel of gedeeltelijk in te trekken en het niet besteedde bedrag geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, dan wel te verrekenen met het pgb over de aansluitende periode.

In artikel 39 van de Verordening is bepaald:

1. Het college kan een besluit, genomen op grond van de verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;

b. gebleken is dat de verstrekte gegevens of informatie zodanig onjuist waren dat, indien de juiste gegevens of informatie waren verstrekt, een andere beslissing zou zijn genomen.

2. Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een pgb kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden

In artikel 42, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat het pgb ad € 56.000,- dat aan eiseres is toegekend voor aanpassing van haar woning aan [adres] te Brunssum, door eiseres hieraan niet is besteed. Dit betekent dat verweerder in beginsel bevoegd is het toegekende pgb in te trekken. Verweerder komt hierbij beleidsruimte toe. Verweerder moet de bevoegdheid echter uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot een evenredige belangenafweging. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting het pgb te gebruiken voor het doel waarvoor het is verstrekt en de gevolgen van intrekking van het pgb voor eiseres.

11. De rechtbank merkt op dat deze belangenafweging eerst gemaakt moet worden alvorens de vraag aan de orde is of er reden is toepassing te geven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Verordening. Naar het oordeel van de rechtbank is de belangenafweging die op grond van artikel 8, zesde lid, en artikel 39 van de Verordening moet worden gemaakt om een bevoegdheid tot intrekking van een pgb wel of niet te gebruiken, niet op een lijn te stellen met de afweging die op grond van artikel 42, eerste lid, van de Verordening moet worden gemaakt om de hardheidsclausule toe te passen. Deze laatste is immers eerst aan de orde, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom in dit geval zijn belang bij intrekking zwaarder weegt dan de gevolgen van de intrekking voor eiseres. In het advies van de Bezwaarschriftencommissie, dat de motivering van het bestreden besluit vormt, wordt immers nadat is geconcludeerd dat de bevoegdheid van het verweerder om over te gaan tot intrekking van het verleende pgb vaststaat, slechts opgemerkt dat het derhalve alleszins redelijk is dat het verweerder gebruik maakt van de bevoegdheid tot intrekking van het pgb.

13. Voor een kenbare deugdelijke belangenafweging bestaat volgens de rechtbank des te meer grond gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval.

14. In dit verband acht de rechtbank van belang op te merken dat de civiele rechter weliswaar geoordeeld heeft dat de door verweerder te vergoeden schade ten gevolge van zijn onrechtmatige besluitvorming beperkt blijft tot de wettelijke rente over het toegekende pgb over een bepaalde periode, maar dit betekent volgens de rechtbank niet dat overige schade geen rol meer kan spelen bij de te maken belangenafweging. Niets staat eraan in de weg dat schade die eiseres stelt te hebben geleden als gevolg van verweerders besluiten, te weten de kosten van het verblijf in de kliniek in België en eventuele verdere verblijfskosten, wordt betrokken bij de belangenafweging wel of niet tot intrekking van het pgb over te gaan. Een veroordeling tot schadevergoeding in verband met het niet tijdig toekennen van een pgb is van andere orde dan het uitoefenen van de bevoegdheid tot intrekken van het pgb.

15. De rechtbank merkt verder op dat de situatie waarin eiseres zich medio 2012 - toen het pgb aan haar werd uitbetaald - bevond, een andere was dan de situatie zoals deze was ten tijde van haar aanvraag op 16 maart 2010 voor een pgb voor een woningaanpassing. Immers zoals blijkt uit het schrijven van 14 juni 2012 van haar toenmalige gemachtigde verbleef eiseres medio 2012 in de kliniek in België, waarvan haar ziektekostenverzekeraar de kosten niet meer wenste te vergoeden, terwijl haar behandelend artsen het onverantwoord vonden dat zij naar haar huis in Brunssum terugkeerde. De rechtbank is van oordeel dat in een dergelijke situatie de op dat moment geldende Wmo uitkomst had kunnen bieden. De gemachtigde van eiseres heeft zich weliswaar tot verweerder gewend in verband met de acute situatie waarin eiseres zich bevond, maar heeft daarbij geen beroep gedaan op de Wmo en verweerder aangesproken in het kader van het BW. Bij verweerder is evenmin de link gelegd met de Wmo. De rechtbank is van oordeel dat een en ander ook bij de belangenafweging dient te worden betrokken.

16. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

17. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Nu aan eiseres een toevoeging is verleend, dienen deze proceskosten vergoed te worden aan de gemachtigde van eiseres. Tevens dient verweerder aan eiseres het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.280,- te betalen aan de gemachtigde van eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens (voorzitter), en mr. J. Schreurs-van de Langemheen en mr. P.H. Broier, leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 oktober 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.