Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8981

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
07-10-2019
Zaaknummer
8011603 CV EXPL 19-6028
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering in kort geding deels toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1052
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 8011603 CV EXPL 19-6028

Vonnis van de kantonrechter van 1 oktober 2019

in het kort geding van

[adres] ,

wonend in [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. A.M.E. Tans-Hermans

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MAYFRAN LIMBURG B.V.,

gevestigd in (6372 AK) Landgraaf aan de Edisonstraat 7,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. A. Verstraten.

Partijen zullen hierna [adres] en Mayfran genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 4 september 2019 met producties

  • -

    de voorafgaand aan de zitting door Mayfran aan de kantonrechter toegezonden pleitaantekeningen met producties

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 16 september 2019, waarbij de zaak is aangehouden in afwachting van een arbeidsdeskundig rapport van het UWV

  • -

    het betreffende arbeidsdeskundig rapport, toegezonden door [adres] en vergezeld van een akte d.d. 20 september 2019

  • -

    de akte van de zijde van Mayfran d.d. 24 september 2019 met nagezonden productie d.d. 27 september 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Mayfran houdt zich, volgens het in het geding gebrachte uittreksel Kamer van Koophandel, onder meer bezig met de vervaardiging van hijs-, hef- en transportwerktuigen.

2.2.

[adres] is per 15 september 2018 krachtens arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden, derhalve tot 15 september 2019, in dienst getreden van Mayfran in de functie van allround mechatronica monteur voor 40 uur per week en tegen een bruto maandloon van

€ 2.958,00 exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.3.

Op 17 oktober 2018 heeft [adres] zich ziek gemeld. Vanaf 8 november 2018 is hij voor 4 uur per dag gaan hervatten in aangepast werk in de zogenoemde clean room.

2.4.

De arbo-arts heeft op 1 februari 2019 geadviseerd om vanaf 28 februari 2019 de werkzaamheden uit te breiden naar 6 uur per dag, doch [adres] heeft nog vóór die datum, te weten op 18 februari 2019 aan Mayfran telefonisch laten weten dat hij het niet eens is met dat advies en heeft zich tegelijkertijd toegenomen (volledig) arbeidsongeschikt gemeld.

2.5.

Een dag later heeft Mayfran dit per brief aan [adres] bevestigd (productie 6) en daarbij medegedeeld dat indien [adres] het niet eens is met het advies van de arbo-arts, hij een deskundigenoordeel bij het UWV dient aan te vragen (met het verzoek om dat per ommegaande ook te doen).

Tevens is daarbij medegedeeld dat het loon vanaf 18 februari 2019 voor 6 uur per dag wordt opgeschort totdat hetzij [adres] weer op het werk verschijnt dan wel ‘zijn afwezigheid geobjectiveerd kan worden’ (waarmee dan kennelijk bedoeld wordt het geval dat uit een deskundigenoordeel van het UWV zou blijken dat [adres] toch niet geschikt is voor het aangeboden aangepaste werk).

2.6.

Op 9 april 2019 heeft het UWV, op aanvraag d.d. 12 maart 2019 van [adres] , een deskundigenoordeel gegeven. De arbeidsdeskundige oordeelde daarbij dat hij het aangeboden aangepaste werk in de clean room nog niet passend vindt omdat “het niet past bij de belastbaarheid van de werknemer maar wellicht passend te maken is, mits het rug- en met name knie sparend werk is, waarbij met name zwaar tillen, staan en lopen beperkt is

De verzekeringsarts oordeelde wel dat hij zich kan vinden in de visie van de bedrijfsarts dat [adres] 6 uur per dag kan werken, mits het rug- en met name knie-sparend werk is.

2.7.

Arbo-arts [naam arbo-arts] heeft in haar advies van 28 mei 2019 (onderdeel van productie 8) te kennen gegeven dat [adres] over de perioden 7 tot en met 13 februari 2019 en 27 februari 20129 tot 2 april 2019 in verband met een medische behandeling volledig arbeidsongeschikt was.

2.8.

Mayfran heeft zich niet geconformeerd aan het oordeel van het UWV van 9 april 2019 omdat het UWV - volgens Mayfran - de telefonisch van Mayfran verkregen informatie verkeerd had geïnterpreteerd. Volgens Mayfran had [adres] bij de bedrijfsarts geen melding gemaakt van knieklachten en alleen maar gezegd dat hij het werk ‘niet volhield’.

Mayfran heeft vervolgens de bedrijfsarts gevraagd een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op te stellen, hetgeen zij ook op 7 mei 2019 gedaan heeft, samen met [adres] .

De aangeboden werkzaamheden houden volgens Mayfran rekening met de beperkingen van [adres] en [adres] heeft dat werk op 8 mei 2019 weer voor zes uur per dag hervat.

2.9.

Op 13 mei 2019 heeft [adres] het werk weer gestaakt omdat hij het naar eigen zeggen ‘niet volhield’.

Hierop heeft Mayfran bij brief van diezelfde datum aan [adres] te kennen gegeven dat hij weigert passende arbeid te verrichten en dat zij de loonbetaling volledig staakt totdat hij het aangeboden passende werk weer hervat.

Dit wordt gevolgd door een periode waarin [adres] dan weer wel en dan weer niet op het werk verscheen, maar vanaf 21 juni 2019 is hij niet meer op het werk verschenen.

2.10.

Op 14 juni 2019 heeft Mayfran zelf een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV waarin de vraag luidt of het aangepaste werk passend is.

Volgens het deskundigenoordeel van het UWV van 24 juni 2019 (productie 10) is het aangeboden werk wel passend.

2.11.

Op 2 juli 2019 heeft [adres] zich opnieuw (toegenomen) ziek gemeld, welke ziekmelding door Mayfran niet is ‘geaccepteerd’ (in die zin dat zij de arbo-arts niet nogmaals heeft ingeschakeld of anderszins actie op die melding heeft ondernomen).

2.12.

[adres] heeft daarop opnieuw een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Volgens het arbeidsdeskundig rapport d.d. 14 september 2019 (het onder 1.1. bedoelde rapport, waarover [adres] ter zitting kennelijk nog niet beschikte) is het aangeboden aangepaste werk op 2 juli 2019 niet passend.

3 De vordering en het geschil

3.1.

[adres] vordert - bij wijze van voorziening in kort geding - de veroordeling van Mayfran tot betaling van:

  1. € 15.639,44 bruto ter zake van onbetaald gelaten loon en € 1.261,28 bruto ter zake van onbetaald gelaten vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en minus het reeds ontvangen bedrag van € 500,00;

  2. € 944,00 exclusief btw als vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

  3. de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening;

  4. de proceskosten.

3.2.

Ter zake van genoemde bedragen van € 15.639,44 en € 1.261,28 verwijst [adres] naar productie 5, waarin hij zelf het verschil voorrekent tussen het loon waar hij volgens hem recht op heeft (uitgaande van volledige loondoorbetaling tot einde arbeidsovereenkomst op 15 september 2019, zo begrijpt de kantonrechter die productie) en het loon dat hij volgens hem daadwerkelijk heeft ontvangen.

3.3.

Mayfran heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak (een loonvordering).

4.2.

Om een voorziening te kunnen treffen zoals gevorderd, dient te worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de rechter in een aanhangig te maken bodemprocedure een met de gevraagde voorziening overeenstemmende vordering zal toewijzen. Die beoordeling geschiedt op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.

4.3.

Gelet op de inhoud van het laatste deskundigenrapport van het UWV, dat betrekking heeft op de periode vanaf 2 juli 2019, valt de onder 4.2. omschreven beoordeling voor wat betreft de gevorderde loondoorbetaling vanaf dat moment thans in het voordeel van [adres] uit. Ter zitting heeft Mayfran ook toegezegd dat zij zich zal conformeren aan het oordeel van het UWV. Dat zij thans in haar akte desondanks toch stelt zich niet te kunnen verenigen met dit laatste deskundigenoordeel van het UWV, kennelijk omdat haar is gebleken dat het UWV geen contact heeft gehad met de bedrijfsarts en omdat er volgens de bedrijfsarts geen nieuwe medische feiten zijn, kan haar niet baten. Het UWV immers heeft een eigen, zelfstandige taak om de geschiktheid van werknemers voor de aangeboden functie te beoordelen, terwijl Mayfran bovendien zelf de keuze heeft gemaakt om de melding van verhoogde arbeidsongeschiktheid van [adres] per 2 juli 2019 te negeren.

4.4.

Op grond daarvan zal - bij wijze van voorziening in kort geding - Mayfran veroordeeld worden tot doorbetaling van het loon vanaf 2 juli 2019 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, inclusief de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdatums van de loonbetalingen tot aan de dag van voldoening. De wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW is eveneens toewijsbaar met dien verstande dat de kantonrechter in de omstandigheden van het geval aanleiding ziet om de wettelijke verhoging over het loon van juli en augustus 2019 te matigen tot 25%. Indien, zoals Mayfran vermoedt, er onder Mayfran beslag wordt gelegd op hetgeen Mayfran aan [adres] verschuldigd is, kan in ieder geval gedurende de periode dat het beslag ligt aan Mayfran niet worden tegengeworpen dat zij niet aan [adres] betaalt. Daarvoor is, anders dan Mayfran kennelijk wenst, niet nodig dat dit in het dictum van dit vonnis wordt geëxpliciteerd.

4.5.

Voor zover de gevorderde voorziening betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 2 juli 2019 zal deze worden afgewezen. Zoals ter zitting reeds te kennen is gegeven, dient het deskundigenoordeel van het UWV van 24 juni 2019 naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aldus te worden uitgelegd dat in de periode daarvóór (vanaf november 2018) het aangeboden aangepaste werk in de clean room wel passend was. Als onweersproken staat immers vast dat de FML van 7 mei 2019 niet heeft geleid tot enige aanpassing in de werksituatie en dat deze situatie blijkens het deskundigenonderzoek passend was. Daarom zal in een bodemprocedure naar waarschijnlijk geoordeeld worden dat over de meerdere periodes dat [adres] tot 2 juli 2019 dat aangeboden werk niet verricht heeft ook geen recht op loon bestaat. [adres] heeft - tegenover de gemotiveerde betwisting van de zijde van Mayfran - onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij in die periode te weinig loon heeft ontvangen om ter zake op de uitkomst van een bodemprocedure vooruit te kunnen lopen. Het is aannemelijk dat [adres] gedurende een of meer periodes teveel is gekort - namelijk op basis van 8 uur per dag terwijl niet in geschil is dat [adres] in ieder geval niet meer dan 6 uur per dag kon werken - maar [adres] heeft niet voorgerekend tot welke vordering dat leidt, zodat Mayfran daar ook niet op heeft kunnen reageren. In zoverre is de vordering daarom onvoldoende onderbouwd.

4.6.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar reeds omdat [adres] zijn werkzaamheden in dit kader (onder 11.1. van het exploot) niet specificeert en slechts in algemene termen spreekt over ‘het houden van besprekingen’ en ‘het voeren van correspondentie’, nog daargelaten het feit dat slechts een deel van hetgeen waar buiten recht aanspraak op is gemaakt ook in rechte toewijsbaar is gebleken.

4.7.

In de omstandigheid dat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Mayfran om het loon van [adres] door te betalen vanaf 2 juli 2019 tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, met dien verstande dat die verhoging over juli en augustus 2019 wordt gematigd tot 25%, alsook vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdatums van de loonbetalingen inclusief verhoging en verminderd met het reeds ontvangen bedrag van €500.00;

5.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en is in het openbaar uitgesproken.

RK