Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8873

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
03/700571-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het voorhanden hebben van stoffen, bestemd om een feit als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen. In een opslagbox zijn stoffen aangetroffen die kunnen worden gebruikt bij het versnijden van heroïne en cocaïne. Op de camerabeelden behorende bij deze opslagbox zijn de verdachte en de medeverdachte te zien, maar ook diverse andere personen. Niet duidelijk is wanneer de stoffen in de opslagbox zijn geplaatst. De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte wist of moest weten dat er versnijdingsmiddelen in de opslagbox lagen en dat hij daar de beschikkingsmacht over heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700571-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. H.P. Ruysink, advocaat kantoorhoudende te Bunde.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 september 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

in de periode van 8 maart 2016 tot en met 18 juli 2016 te Maastricht al dan niet samen met een ander (mengsels van) coffeïne, paracetamol en fenacetine voorhanden heeft gehad ten behoeve van het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied brengen van Nederland van cocaïne en heroïne, waarvan verdachte wist of moest vermoeden dat die bestemd waren voor het plegen van die feiten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte in de periode van 8 maart 2016 tot en met 18 juli 2016 in een opslagbox te Maastricht samen met de medeverdachte [naam medeverdachte] een mengsel van 86,67 kilogram coffeïne en paracetamol, een mengsel van 1400 gram coffeïne, paracetamol en fenacetine en 400 gram fenacetine voorhanden heeft gehad ten behoeve van het versnijden van heroïne en cocaïne. Voornoemde stoffen zijn op 19 juli 2016 aangetroffen in een opslagbox met nummer 2025 van de firma [naam firma] aan de [adres firma] . De opslagbox werd gehuurd door [naam broer verdachte] , de broer van de verdachte. [naam broer verdachte] was sinds 23 juni 2016 gedetineerd. Uit de computergegevens van de firma [naam firma] die betrekking hebben op de opslagbox met nummer 2025 in samenhang bezien met de camerabeelden van de firma [naam firma] blijkt dat de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] veelvuldig in de opslagbox zijn geweest, hetgeen de verdachte (uiteindelijk) ook heeft toegegeven. De dozen met de versnijdingsmiddelen waren bij het openen van de opslagbox onmiddellijk zichtbaar. Naast de dozen lag een handschoen, waarin het DNA-mengprofiel van onder meer de medeverdachte [naam medeverdachte] is aangetroffen. In de opslagbox zijn weegschalen met restanten wit poeder aangetroffen. De verklaring van de verdachte dat in de opslagbox shisha tabak was opgeslagen is niet geloofwaardig. Op de camerabeelden is niet te zien dat de voorraad shisha tabak op enig moment is aangevuld. Op 19 juli 2016 is in de opslagbox geen shisha tabak aangetroffen. De verdachte heeft eerder aantoonbaar gelogen. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij nimmer in de opslagbox is geweest. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij vanaf de tweede week van juli 2016 tot eind augustus 2016 op vakantie was. Maar onder meer op 12 juli 2016 is hij te zien op de camerabeelden van de firma [naam firma] .

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat op grond van het procesdossier niet kan worden bewezen dat de verdachte de betreffende stoffen voorhanden heeft gehad. Op 15 december 2016 heeft de raadkamer gevangenhouding geen ernstige bezwaren meer aanwezig geoordeeld. Op de camerabeelden van de firma [naam firma] zijn alleen de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] herkend. Op de beelden zijn ook veel andere personen te zien. Op foto 3, doorgenummerde dossierpagina 124, staat de verdachte met een grote doos met groene doosjes. In die doosjes zat shisha tabak. De doosjes op foto 3 zien er hetzelfde uit als de doosjes op de bij de pleitnota gevoegde foto’s van shisha tabak. Voordat de verdachte bij de politie werd verhoord was een partij shisha tabak bij de verdachte in beslag vanwege het niet betalen van accijns. De verdachte had daarom alle reden om zijn aanwezigheid bij de opslagbox van de firma [naam firma] te verzwijgen. Het is opmerkelijk dat de huurder van de opslagbox niet is gehoord, aldus de raadsman.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Op basis van het procesdossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken acht de rechtbank voldoende bewijs aanwezig dat op 19 juli 2016 in de opslagbox van [naam firma] met nummer 2025 aan de [adres firma] , een mengsel van 86,67 kilogram coffeïne en paracetamol, een mengsel van 1400 gram coffeïne, paracetamol en fenacetine en 400 gram fenacetine zijn aangetroffen. Deze mengsels en stoffen kunnen worden gebruikt bij het versnijden van heroïne en cocaïne. Daarmee is niet de vraag beantwoord of de verdachte met de aangetroffen stoffen in verband kan worden gebracht. De vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden is of bewezen kan worden dat de verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en) deze stoffen voorhanden heeft gehad.

Voor het bewijs van het voorhanden hebben van stoffen, bestemd om een feit bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, is vereist dat er een zekere beschikkingsmacht bestaat van de verdachte over de desbetreffende stoffen en een meer of mindere mate van bewustheid van de aanwezigheid van deze stoffen.

Uit het dossier blijkt niet op welke datum de stoffen in de opslagbox zijn geplaatst. Het standpunt van de officier van justitie dat op de camerabeelden van [naam firma] niet is te zien dat de stoffen worden aangevoerd en dat daaruit volgt dat de stoffen er steeds gelegen hebben, kan niet zonder meer worden gevolgd.

[naam] , medewerker van [naam firma] , is als getuige door de politie gehoord. Hij heeft het werkproces van [naam firma] uitgelegd. De huurder van een opslagbox krijgt een eigen (aan de gehuurde box gekoppelde) toegangscode waarmee de toegangspoort tot het terrein van [naam firma] kan worden geopend en de lift kan worden bediend. Bij de toegangspoort en in de lift hangt een camera. De box zelf kan worden geopend met een sleutel, waarvan er drie per opslagbox worden verstrekt.

De rechtbank acht op basis van het geschetste protocol mogelijk dat een persoon met een toegangscode behorende bij een bepaalde opslagbox de toegangspoort opent en de lift bedient, maar eenmaal binnen de deur van een andere opslagbox opent. In de gang waaraan de opslagboxen zijn gelegen, hangen geen camera’s. Er zijn geen camerabeelden beschikbaar van de persoon of de personen die daadwerkelijk opslagbox 2025 zijn binnengegaan. Het valt niet uit te sluiten dat de personen die de dozen met stoffen in box 2025 hebben geplaatst, met een code behorende bij een andere box hebben “ingelogd” bij de toegangsdeur en de lift.

De opslagbox werd niet gehuurd door de verdachte of de medeverdachte, maar door [naam broer verdachte] , de broer van de verdachte. Uit de computergegevens van de firma [naam firma] van de opslagbox met nummer 2025 blijkt dat in de periode 8 maart 2016 tot en met 18 juli 2016 vrijwel dagelijks is ingelogd bij de toegangspoort en de lift van [naam firma] onder de naam [naam broer verdachte] , maar daarmee is niets gezegd over wie feitelijk de code bij de toegangspoort en de lift heeft ingevoerd en wie de opslagbox met nummer 2025 vervolgens met een sleutel heeft geopend. Er zijn inloggegevens van de toegangspoort en de lift in de periode van

14 juni 2016 tot en met 18 juli 2016 beschikbaar en camerabeelden voorhanden waarop de verdachte op 21 juni 2016 en 12 juli 2016 is te zien, maar uit de camerabeelden blijkt dat diverse andere personen in die periode onder de inlognaam [naam broer verdachte] (behorende bij opslagbox 2025) gebruik maakten van de toegangspoort en de lift. Of de verdachte en/of de andere personen opslagbox 2025 zijn ingegaan, is op de beelden niet te zien. Uit de beelden blijkt wel dat de personen die daarop te zien zijn meestal met een lege tas de lift inkomen en naar boven gaan en met een gevulde tas weer naar beneden gaan. Wát er in die tassen zit, is op de beelden niet te zien. Nu er, zoals reeds overwogen, geen beelden zijn waarop te zien is dat de dozen die op 19 juli 2016 in box 2025 zijn gevonden, worden aangevoerd, valt niet uit te sluiten dat op de momenten dat de verdachte in de opslagbox is geweest, daar andere goederen lagen dan op 19 juli 2016 zijn aangetroffen.

Omdat gelet op het bovenstaande niet kan worden vastgesteld wanneer de stoffen daar zijn geplaatst, is er onvoldoende bewijs dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode heeft geweten van de aanwezigheid van deze stoffen in de box en al helemaal niet dat hij daar de beschikkingsmacht over heeft gehad.

De verdachte moet dan ook van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux, mr. C.C.W.M. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Wenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 oktober 2019.

Buiten staat

Mr. C.C.W.M. Aretz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 8 maart 2016 tot en met 18 juli 2016 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 86,670 kilogram coffeïne en paracetamol en/of 400 gram fenacetine en/of 1400 gram coffeïne en paracetamol en fenacetine, althans een (grote) hoeveelheid versnijdingsmiddel(en), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);