Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8872

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
03/700285-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

360 dagen gevangenisstraf, waarvan 328 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 200 uren voor brandstichting. Bijzondere voorwaarden: meldplicht, de verplichting te voldoen aan de aanwijzingen van de reclassering en een ambulante behandelverplichting. Door de brand was gemeen gevaar voor goederen te duchten. Verbeurdverklaring van bij de brandstichting gebruikte goederen. Gedeeltelijk toewijzen van materiële schadevergoeding aan slachtoffer en niet-ontvankelijkverklaring van slachtoffer in haar vordering met betrekking tot gevorderde immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700285-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R. Wijnands, advocaat kantoorhoudende te Schinnen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 september 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) brand heeft gesticht waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of personen te duchten was, dan wel dat verdachte (subsidiair) een hekwerk, een omheining en/of een of meerdere (plastic) doeken heeft vernield.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde feit bewezen. Het is bewezen dat verdachte brand heeft gesticht bij of aan een tuinhek, waardoor het zichtdoek dat op dit hek zat, is verbrand. Er zijn diverse, al dan niet verbrande, kranten aangetroffen bij het hek. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat verdachte iets brandends over het desbetreffende tuinhek heeft gegooid en langere tijd bij dat brandende tuinhek heeft gestaan. Verdachte had ook roetvegen op zijn handen en hij had een aansteker bij zich toen hij werd aangehouden. Bovendien zijn tijdens het forensisch onderzoek geen elektrakabels aangetroffen in de achtertuin van de betreffende woning waardoor een technische oorzaak kan worden uitgesloten. Door de ontstane brand aan het tuinhek was gemeen gevaar voor goederen te duchten. Dat blijkt uit het door verbalisant [verbalisant 1] uitgevoerde forensisch onderzoek in samenhang met het door hem opgestelde aanvullend proces-verbaal. Er was echter geen gemeen gevaar voor personen te duchten omdat het zichtdoek, dat op het voorste deel van het hek aan de straatkant zat bevestigd, vanzelf is gedoofd nadat dit was verbrand. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging moet daarom vrijspraak volgen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend en behalve de getuige [getuige 1] heeft niemand gezien dat de verdachte iets brandends over het hek heeft gegooid. Voornoemde verklaring van [getuige 1] is echter niet betrouwbaar omdat het te donker was voor deze getuige om een en ander te kunnen waarnemen. Voor zover de rechtbank de verklaring van [getuige 1] wel betrouwbaar acht, kan de verdachte niet op basis van deze getuigenverklaring alleen veroordeeld worden voor de brandstichting omdat in dat geval - gelet op het ontbreken van ander bewijs - niet is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. De kranten kunnen niet aan de verdachte worden gelinkt. Verder is het logisch dat verdachte een aansteker bij zich had, want hij rookt. Ten slotte is niet vastgesteld dat de vegen op verdachtes handen afkomstig waren van roet omdat deze vegen niet aan een chemisch onderzoek zijn onderworpen. Door de brand was geen gemeen gevaar voor personen te duchten omdat niet is vastgesteld wat er precies in brand heeft gestaan.

Omdat niet bewezen is dat verdachte de brand heeft gesticht, kan ook niet bewezen worden dat hij iets heeft vernield. Het subsidiair tenlastegelegde is daarom ook niet bewezen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 26 juli 2018 omstreeks 2:15 uur ontving de politie een melding van brandstichting. Volgens de melder was een persoon brand aan het stichten naast de woning gelegen aan de [adres] te Kerkrade. Omstreeks 2:20 waren de eerste verbalisanten ter plaatse. Deze verbalisanten zagen dat een hek, dat aan het huis van [adres] vast zit, en het daaraan bevestigde doek in brand stond. Op ongeveer één meter afstand van het brandende hek stond verdachte. Verbalisant [verbalisant 2] zag op de handen van verdachte zwarte roetvegen. Verdachte wordt vervolgens aangehouden.2 Op 26 juli 2018 deed de bewoonster van de woning gelegen aan de [adres] te Kerkrade, [benadeelde partij] , aangifte van brandstichting.3

Het hek om de tuin van het huis van [adres] ligt deels parallel aan de [adres] langs het trottoir tot aan de woning. Het andere deel vormt de afscheiding tussen de tuin van [adres] en de oprit van nummer [x] . Verdachte stond bij dit deel van het hek toen verbalisanten arriveerden. Nadat verbalisant [verbalisant 3] dit deel van het hek met de brandblusser van zijn dienstvoertuig had geblust, werden daarin enkele brandgaten van ongeveer 5 centimeter aangetroffen. Deze brandgaten bevonden zich zeer dicht bij de plek waar de politie de verdachte had aangetroffen. Dit deel van het hek had maar kort gebrand. Tegen de onderkant van dit deel van het hek lagen droge, opgevouwen kranten. Bij het andere deel van het hek was een stuk van het doek ter grootte van ongeveer 1 bij 5 meter weggebrand. In de tuin van [adres] lagen diverse verbrande en niet verbrande kranten en ook smeulende stukken doek. Deze stukken doek werden vervolgens ook geblust.4

Uit sporenonderzoek, uitgevoerd door verbalisant [verbalisant 1] , is gebleken dat de brand zeer waarschijnlijk is aangestoken. Het ging om een metalen hek waartegen van de binnenzijde af een kunststof zichtdoek was geplaatst. Gelet op de afwezigheid van elektrakabels is een technische oorzaak van de brand uitgesloten. Wel werden tussen de brandresten op de grond nabij het hek diverse deels verbrande papierresten aangetroffen. Bovendien zijn in het doek van het gedeelte van het hek langs de oprit van nummer [x] meerdere brandhaarden aangetroffen. Indien een dergelijk doek wordt aangestoken, ontstaat een zeer felle brand. In de tuin stonden diverse planten en struiken, een aantal direct tegen het hekwerk. Volgens verbalisant [verbalisant 1] is er gelet op de bouwwijze en de locatie van de tuinafscheiding (de tuinafscheiding met woning nr. [x] ) tijdens de brand grote kans geweest op uitbreiding waardoor er sprake was van gemeen gevaar voor goederen. Indien de brand niet was geblust, bestond bovendien de kans dat ook de rest van het doek zeer fel ongecontroleerd was gaan branden.5

Getuige [getuige 1] heeft de brand gezien en daarop haar man, getuige [getuige 2] , gewekt. [getuige 1] zag dat er een man op de stoep voor de woning van perceel [adres] stond. Op een gegeven moment is deze man naar de zijkant van het hekwerk gelopen en heeft op dat moment iets brandends over het hek gegooid. De getuige denkt dat dit een brandende krant was, maar weet in ieder geval zeker dat het een brandend voorwerp was. Vervolgens is de man op de oprit van perceel nr. [x] gaan staan en heeft vanaf daar ook brandende voorwerpen over het hek gegooid.6 De partner van [getuige 1] , [getuige 2] , verklaart dat hij door zijn vrouw werd gewekt. Hij zag vervolgens een man met krantenpapier in zijn handen. Deze man werd later door de politie aangehouden.7

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het zichtdoek, dat aan het hek rondom de tuin van de woning gelegen aan perceel [adres] van de [adres] te Kerkrade was bevestigd, in brand heeft gestaan en dat daarbij in ieder geval een deel van het plastic doek dat aan dit hek was bevestigd is verbrand. Nu de brand niet door een technische oorzaak kan zijn ontstaan, in het doek van het hek diverse brandhaarden aanwezig waren en nabij het hek diverse verbrande kranten zijn aangetroffen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de brand is aangestoken. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze brand door verdachte is aangestoken.

De betrokkenheid van verdachte

Verdachte heeft bevestigd dat hij die nacht op straat is geweest rond 1:30 uur en dat hij toen de aangetroffen oranje wegwerp aansteker bij zich had. Hij heeft verder ontkend dat hij iets met de brandstichting te maken heeft. Verdachte zou enkele minuten bij het hek hebben gestaan om te kijken wat er aan de hand was.

Deze verklaring komt niet overeen met die van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] . Deze getuigen hebben omstreeks 2.15 uur de brand ontdekt. Totdat de politie om 2.20 uur arriveerde, hebben beiden maar één persoon bij het hek gezien: de man die is aangehouden door de politie, de verdachte. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de getuige [getuige 1] heeft kunnen zien dat de persoon bij het hek iets brandends over het hek heeft gegooid. Een brandend voorwerp is immers juist in het donker goed te zien. Dat geldt ook voor het silhouet van de persoon die zich bij hoog oplaaiende vlammen bevindt.

Als niettemin een andere persoon dan de verdachte verantwoordelijk is voor de brandstichting, zou het voor de hand liggen dat verdachte had geprobeerd de brand te doven, hulpdiensten in te schakelen of omwonenden te waarschuwen. De brand woedde immers midden in de nacht, zeer dicht bij de woning van aangeefster en tevens in de directe nabijheid van andere woonhuizen. In plaats daarvan bleef de verdachte naar zijn zeggen minutenlang kijken zonder iets te doen. Verdachtes ontkennende verklaring is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet geloofwaardig en wordt om die reden terzijde geschoven. De rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk de brand heeft gesticht aan het hek door met de aansteker kranten in brand te steken en met het doek in aanraking te brengen.

Gemeen gevaar voor goederen en/of personen

Verbalisant [verbalisant 1] heeft geconcludeerd dat door de brand gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Het staat daarbij vast dat er diverse bomen en struiken op korte afstand van het hek stonden. De rechtbank neemt deze conclusie van [verbalisant 1] over en vindt bewezen dat door de brand gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Hoewel de brand midden in de nacht plaatsvond terwijl aangeefster in haar woning lag te slapen, is de rechtbank van oordeel dat door de brand geen gemeen gevaar voor personen te duchten was. Uit het dossier blijkt namelijk dat de brand grotendeels uit zichzelf is gedoofd. Met de brandblusser afkomstig uit het dienstvoertuig van de betrokken verbalisanten kon de brand worden geblust. Van dit deel van de tenlastelegging zal de rechtbank de verdachte daarom vrijspreken.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 26 juli 2018 in de gemeente Kerkrade, aan een hekwerk van een woning gelegen aan de [adres] , opzettelijk brand heeft gesticht door met een aansteker kranten in brand te steken en een plastic doek, ten gevolge waarvan een deel van een (ijzeren) hekwerk en plastic doeken bevestigd aan het hekwerk van voornoemde woning, gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor planten en struiken in de tuin van voornoemde woning en de overige delen van het hekwerk en (plastic) doeken, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te

duchten is

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is onderzocht door een GZ-psycholoog. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat er sprake is van omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Omdat ook verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten, is verdachte strafbaar.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 328 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek. Het onvoorwaardelijke strafdeel is daarmee gelijk aan het reeds ondergane voorarrest. Dit is in afwijking van het uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie hanteert bij een brandstichting met geringe schade: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 à 14 maanden. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf dienen de bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en behandeling voor alcoholproblematiek te worden verbonden, omdat verdachte behoorlijk onder invloed van alcohol was tijdens het plegen van het feit en omdat uit de door de reclassering uitgevoerde urinecontroles is gebleken dat verdachte zeer frequent drinkt. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis indien deze taakstraf door verdachte niet naar behoren wordt verricht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat in geval van bewezenverklaring kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het door verdachte reeds ondergane voorarrest. Als verdachte terug de gevangenis in moet, zal dit naar verwachting averechts werken. Nadat verdachte uit de voorlopige hechtenis is geschorst, heeft hij zijn leven weer opgepakt. Hij wil verder rustig leven. Er kan worden volstaan met een mildere taakstraf dan door de officier van justitie is gevorderd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft midden in de nacht bij een woonhuis brand gesticht waardoor een tuinhek beschadigd is en een daaraan bevestigd doek grotendeels is verbrand. Tot op heden is het motief van verdachte onbekend. Verdachte heeft daar niets over willen verklaren en heeft steeds elke betrokkenheid bij de brandstichting ontkend. Verdachte heeft ter terechtzitting wel inzicht getoond in de strafwaardigheid van brandstichting.

De door verdachte gepleegde brandstichting is naar het oordeel van de rechtbank een heel akelig feit omdat verdachte midden in de nacht brand heeft gesticht in de buurt van diverse woningen en niets heeft ondernomen ter voorkoming van de mogelijk zeer ernstige gevolgen van deze brand. Het is bovendien niet uit te sluiten dat verdachte opnieuw een dergelijk feit zal plegen omdat hij geen inzicht heeft willen geven in zijn motief voor het plegen van de brandstichting en omdat onvoldoende duidelijk is wat voor invloed zijn alcoholgebruik heeft gehad op het gepleegde feit en op de recidivekans. De rechtbank zal daarom aan verdachte een deels voorwaardelijke straf opleggen en daaraan bijzondere voorwaarden verbinden gericht op het onderzoeken en zo nodig behandelen van verdachtes alcoholgebruik.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is voor brandstichting. Omdat verdachte een first offender is en zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis steeds meewerkend heeft opgesteld tegenover de reclassering, is de rechtbank echter van oordeel dat in deze zaak kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds door verdachte ondergane voorarrest. Daarnaast is een forse taakstraf passend als vergelding voor het door verdachte gepleegde feit.

Alles afwegende zal de rechtbank conform de eis van de officier van justitie aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 328 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank als voorwaarden verplichte reclasseringsbegeleiding en een behandelverplichting verbinden. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte op een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 4.398,49, bestaande uit € 2.398,49 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade ten gevolge van de brandstichting. De gevorderde materiële schade is onderverdeeld in de volgende posten:

- vernield doek € 718,00

- tijdelijke oplossing voor vernield doek € 82,60

- vernield hekwerk € 1.256,00

- schoonmaakspullen € 3,96

- medicatie € 12,93

- verlies van arbeidsvermogen € 325,00

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich voor wat betreft de gevorderde materiële schade op het standpunt gesteld dat de posten vernield doek, tijdelijke oplossing voor vernield doek, schoonmaakspullen en medicatie toewijsbaar zijn omdat deze posten direct door het strafbare feit veroorzaakte schade behelzen en tevens voldoende onderbouwd zijn. De post vernield hekwerk dient niet-ontvankelijk verklaard te worden omdat niet is onderbouwd hoe groot de schade aan het hekwerk was en omdat de benadeelde partij ter terechtzitting heeft verklaard dat zij het hek uiteindelijk niet heeft vervangen. De post verlies van arbeidsvermogen dient ook niet-ontvankelijk verklaard te worden wegens onvoldoende onderbouwing. Voor de onderbouwing van deze post dient immers bewijs voor de inkomsten over een langere tijdsperiode te worden overgelegd.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze geheel kan worden toegewezen nu deze schade voldoende onderbouwd is en voor vergoeding in aanmerking komt op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Er is immers sprake van aantasting van de persoon op andere wijze door de aard en de ernst van het door verdachte gepleegde feit. Het voor toewijzing vatbare bedrag dient te worden vermeerderde met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2018 tot aan de dag van de gehele voldoening en daarnaast dient tevens de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat de benadeelde partij niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Zij heeft haar brandverzekering immers niet aangesproken terwijl zij daar alle gelegenheid toe heeft gehad en daarbij tevens hulp kon krijgen van Slachtofferhulp Nederland. De post verlies arbeidsvermogen is onvoldoende onderbouwd en is daarom niet-ontvankelijk. De post vernield hekwerk is ook niet-ontvankelijk omdat niet duidelijk is welke schade is ontstaan aan het hekwerk. De post tijdelijke oplossing voor vernield doek is ook niet voor toewijzing vatbaar omdat het verbrande doek uiteindelijk niet is vervangen door de benadeelde partij.

De gevorderde immateriële schade dient te worden afgewezen omdat er door de brand geen gemeen gevaar voor personen te duchten was en de benadeelde partij daardoor niet op andere wijze in haar persoon is aangetast. Bovendien blijkt uit bijlage 13 van de vordering dat de immateriële schade door meerdere factoren is veroorzaakt. Dat moet leiden tot de conclusie dat de gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd en roept tevens twijfels op omtrent het vereiste causale verband. Datzelfde geld ook voor de post verlies arbeidsvermogen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht en dat daardoor onder andere het hekwerk en de daaraan bevestigde doeken gedeeltelijk zijn verbrand. Onder 7.3 heeft de rechtbank overwogen dat aan verdachte een straf wordt opgelegd voor het bewezenverklaarde. Daarmee staat vast dat er schade is als gevolg van het bewezenverklaarde feit waarvoor tevens een straf wordt opgelegd.

Omtrent de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Het is aan de benadeelde partij om te bepalen hoe zij de door haar geleden schade vergoed wenst te hebben, via haar brandverzekering of direct door verdachte. De benadeelde partij heeft daarom niet in strijd met de op haar rustende schadebeperkingsplicht gehandeld. De rechtbank passeert dan ook het verweer van de verdediging op dit punt en zal hieronder per post de gegrondheid van de gevorderde materiële schade beoordelen.

De posten vernield doek, tijdelijke oplossing voor vernield doek en schoonmaakspullen zijn voor toewijzing vatbaar omdat deze posten naar het oordeel van de rechtbank direct door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte schade behelzen en tevens voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank zal deze posten dan ook toewijzen. De post medicatie is ook voor toewijzing vatbaar nu deze post door de verdediging niet is betwist en deze de rechtbank evenmin onrechtmatig voorkomt.

Ten aanzien van de post verlies arbeidsvermogen is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende is onderbouwd omdat de onderbouwing een te korte tijdsperiode betreft. De benadeelde partij wordt daarom voor deze post niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en kan dit deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Ook ten aanzien van de post vernield hekwerk is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende onderbouwd is. De omvang van de schade aan het hekwerk is immers onduidelijk en ter terechtzitting heeft de benadeelde partij verklaard dat zij het hek uiteindelijk niet heeft laten vervangen. Nu de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd en onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, wordt de benadeelde partij ook voor dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en kan zij daarom ook dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade enkel mogelijk indien de benadeelde daarnaast lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het staat vast dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde geen lichamelijk letsel heeft opgelopen en ook niet in haar eer of goede naam is aangetast. Omdat door de brand geen gemeen gevaar voor personen te duchten was is er ook geen sprake van aantasting van de persoon van de benadeelde partij op andere wijze. De benadeelde partij wordt daarom voor de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De rechtbank wijst de volgende kostenposten toe:

- vernield doek € 718,00

- tijdelijke oplossing voor vernield doek € 82,60

- schoonmaakspullen € 3,96

- medicatie € 12,93 +

€ 817,49

De rechtbank wijst aldus een bedrag van € 817,49 toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2018 tot aan de dag van algehele voldoening en verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

9 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren omdat deze door verdachte gebruikt zijn bij het tenlastegelegde feit.

De raadsman heeft dit betwist.

De rechtbank verklaart verbeurd de onder verdachte in beslag genomen krant en aansteker omdat zij bewezen heeft verklaard dat deze goederen door verdachte zijn gebruikt bij de brandstichting.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 328 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. veroordeelde dient zich uiterlijk binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis te melden bij Reclassering Nederland, adres Putgraaf 3 te Heerlen, op het telefoonnummer 088- 090 1140, en dient zich daarna gedurende de proeftijd op de door de reclassering te bepalen tijdstippen te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht, waarbij veroordeelde zich ook dient te houden aan de aanwijzingen en de richtlijnen van deze instelling (meldplicht);

  2. veroordeelde dient zich ambulant te laten behandelen voor zijn alcoholproblematiek bij de Mondriaan Zorggroep of een andere soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling en op indicatie van de reclassering, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de behandelaar zullen worden gegeven, ook indien dit inhoudt dat veroordeelde dient mee te werken aan urinecontroles zolang en indien de reclassering dat, eventueel in samenspraak met de hoofdbehandelaar, noodzakelijk acht (ambulante behandeling);

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

voorlopige hechtenis

- de rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden nu het onvoorwaardelijk deel van de straf gelijk is aan het door verdachte reeds ondergane voorarrest;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] , wonende te [woonplaats] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 817,49, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 26 juli 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de door haar gevorderde materiële schade ten aanzien van de posten vernield hekwerk en verlies van arbeidsvermogen en bepaalt dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de door haar gevorderde immateriële schade;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij] , van € 817,49, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 26 juli 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- 2018113262 1 1.00 2018113262 1 1.00 STK Krant

-

1095048

- 2018113262 2 1.00 2018113262 2 1.00 STK Aansteker

-

1094923.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. A.M. Schutte en

mr. dr. D.L.F. de Vocht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Hoelbeek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 oktober 2019.

Buiten staat

Mr. dr. D.L.F. de Vocht is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 26 juli 2018 in de gemeente Kerkrade,

aan een hekwerk en/of een omheining van een woning gelegen aan de [adres]

, opzettelijk brand heeft gesticht door met een aansteker

een of meerdere kranten in brand te steken, in elk geval open vuur in

aanraking te brengen met een of meerdere kranten en/of een (plastic) doek,

althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een deel van een (ijzeren)

hekwerk en/of de omheining en/of een of meerdere (plastic) doeken bevestigd

aan het hekwerk en/of de omheining van voornoemde woning, geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor planten en/of struiken in de tuin van voornoemde woning

en/of de overige delen van het hekwerk en/of omheining en/of (plastic)

doeken, althans de zich in de directe nabijheid van dat hekwerk/omheining

bevindende goederen en/of voornoemde woning en/of (de inboedel van) die

woning en/of dieren en/of de (inboedel van de) nabijgelegen woningen, in elk

geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in

voornoemde woning aanwezige personen en/of de zich in de nabijgelegen

woningen aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij, op of omstreeks 26 juli 2018 in de gemeente Kerkrade,

opzettelijk en wederrechtelijk een hekwerk en/om een omheining en/of een of

meerdere (plastic) doeken, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan

een ander, te weten aan [benadeelde partij] toebehoorde, heeft vernield,

beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R018085-1, onderzoek Nottingham, gesloten d.d. 29 juli 2018 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 80.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2018, pagina 30.

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juli 2018, pagina 13.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2018, pagina’s 30 en 31.

5 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 juli 2018, pagina’s 50 tot en met 52, in onderlinge samenhang met het aanvullend proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 22 juli 2019, proces-verbaalnummer PL2300-2018113262.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 26 juli 2018, pagina’s 24 en 25, in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 28 juli 2018, pagina 26.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 26 juli 2018, pagina’s 17 en 18, in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 27 juli 2018, pagina’s 22 en 23.