Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8655

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
03/700444-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vijftien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk voor het medeplegen van dumpen van drugsafval, het voorhanden hebben van een nepwapen en het voorhanden hebben van goederen voor de productie van synthetische drugs. Schending van de op grond van de Waterwet geldende zorgplicht. Toewijzen van materiële schadevergoeding aan slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700444-15

Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw)

Vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 24 september 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.M. Heemskerk, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 september 2019. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: een elektrisch luchtdrukgeweer voorhanden heeft gehad;

Feit 2: stoffen bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden heeft gehad;

Feit 3: een hoeveelheid afvalstoffen te relateren aan amfetamineproductie in een sloot heeft gedumpt dan wel jerrycans gevuld met amfetamine en/of formylamfetamine in of op de bodem heeft gebracht of in de bodem en/of de oever van een oppervlaktewaterlichaam heeft gedumpt, wat overtreding van de Waterwet dan wel de Wet bodembescherming oplevert.

Ten gevolge van een kennelijke schrijffout staat in de tenlastelegging in de zevende regel van het onder feit 3 meer subsidiair tenlastegelegde “Verlengde Broekgraaf” in plaats van

“Verlegde Broekgraaf”. De rechtbank herstelt deze fout. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 bewezen. Het wapen is bij de doorzoeking van de woning van verdachte aangetroffen en uit onderzoek is gebleken dat het een elektrisch luchtdrukgeweer is dat valt onder categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie. Feit 2 acht de officier van justitie ook bewezen. In de door verdachte gehuurde garagebox zijn drie jerrycans met zoutzuur aangetroffen. Dat het om zoutzuur gaat, is door een verbalisant van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (hierna: LFO) vastgesteld op basis van de hem ambtshalve bekende geur van zoutzuur, de uiterlijke verschijningsvorm, en met betrekking tot de twee blauwe jerrycans het etiket waarop staat dat er zoutzuur in de jerrycans zit en de intacte verzegeling van beide doppen. Het was geen restant, overgebleven na een eerdere productie van synthetische drugs –zoals de verdediging stelt –, want de twee jerrycans waren nog vol en verzegeld en de feiten en omstandigheden duiden op actuele betrokkenheid bij productie van synthetische drugs. Zo werd in de woning van de verdachte amfetamine op een weegschaal aangetroffen en was de verdachte betrokken bij het dumpen van drugsafval, terwijl deze vaten door hem werden bewaard.

De officier van justitie acht het aan verdachte onder feit 3 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen. Niet is vastgesteld dat een of meerdere stoffen uit de jerrycans in het water zijn terechtgekomen. Het subsidiair tenlastegelegde is niet van toepassing omdat de jerrycans in een oppervlaktewaterlichaam zijn gebracht, waardoor de Wet bodembescherming niet van toepassing is.

Het onder feit 3 meer subsidiair tenlastegelegde is wel bewezen. Verdachte heeft dit feit samen met zijn medeverdachte [naam 1] gepleegd. Voor een bewezenverklaring van dit delict is niet vereist dat het oppervlaktewaterlichaam ook daadwerkelijk is verontreinigd, zoals de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State in 2005 heeft bepaald. Uit de processen-verbaal van het forensisch onderzoek, de LFO en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is gebleken dat er in de geloosde jerrycans stoffen zaten die gevaarlijk zijn voor het milieu. Verdachte heeft aan medeverdachte [naam 1] de opdracht gegeven om zich te ontdoen van de jerrycans. Hij wist dat daar chemisch drugsafval in zat maar heeft zich desondanks niet bekommerd om de wijze waarop [naam 1] zich van de jerrycans zou ontdoen. Hij heeft daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de jerrycans in strijd met de milieuwetgeving zouden worden gedumpt. Het risico op milieuverontreiniging was bovendien zeer groot doordat de jerrycans in de bestelbus van [naam 1] niet gezekerd waren en omdat de jerrycans door [naam 1] met enig geweld uit de bus zijn gegooid terwijl door hem niet is gecontroleerd of deze goed waren afgesloten.

De verklaring van medeverdachte [naam 1] is betrouwbaar omdat die wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [naam 3] en overige objectieve bewijsmiddelen zoals de locatiegegevens van de bij het plegen van het feit gebruikte Bo-rent truck en de camerabeelden van de parking van de IKEA. Het bewijs is dan ook niet alleen of overwegend gebaseerd op de verklaring van [naam 1] .

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het betreffende geweer is volgens de raadsvrouw door verdachte op de kermis gekocht voor zijn zoontje en verdachte wist ook dat dit geweer zich in zijn tuinhuisje bevond.

Voor feit 2 heeft zij vrijspraak bepleit omdat de aangetroffen hoeveelheid zoutzuur een restant betreft van een drugslab waarbij de verdachte betrokken was en waarvoor hij in 2010 ook veroordeeld is. Het voorhanden hebben van het zoutzuur kan daarom niet worden aangemerkt als een voorbereidingshandeling in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. Bovendien bevat het dossier geen enkele aanwijzing die aannemelijk maakt dat verdachte het zoutzuur aanwezig had ter voorbereiding van het opnieuw produceren van drugs.

Ten aanzien van feit 3 primair, subsidiair en meer subsidiair heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit. Verdachte heeft nooit in de Bo-rent truck gereden toen daarmee het gedumpte drugsafval is vervoerd en heeft voorts geen enkele betrokkenheid bij of bijdrage geleverd aan dit feit. Hij heeft mogelijk wel geheel los van de afvaldumping in opdracht van een ander enkele vaten drugsafval gestald bij getuige [naam 4] . Dit is een alternatief scenario. Enkel uit de verklaring van medeverdachte [naam 1] volgt dat verdachte tezamen en in vereniging met die [naam 1] jerrycans met drugsafval zou hebben gedumpt. Deze verklaring staat op zichzelf en wordt voor wat betreft het medeplegen niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel, ook niet door de verklaring van getuige [naam 3] omdat deze getuige niet uit eigen wetenschap heeft verklaard.

De verklaring van medeverdachte [naam 1] dient op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad (noot griffier: de raadsvrouw heeft hierbij verwezen naar ECLI:NL:HR:2017:573) te worden uitgesloten van het bewijs omdat het bewijs voor dit feit in beslissende mate op die verklaring steunt en de verdediging het aan haar toekomende ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen. Medeverdachte [naam 1] heeft zich immers bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht beroepen.

Daarnaast is de raadsvrouw van mening dat verdachte zowel van het aan hem onder feit 3 primair als van het aan hem subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken omdat de jerrycans niet hebben gelekt en omdat is vastgesteld dat het milieu niet is verontreinigd door de dumping. Bovendien is het subsidiaire feit niet bewezen omdat er geen stoffen in of op de bodem zijn gebracht en er ook geen sprake was van een grote kans dat de jerrycans zouden gaan lekken.

Voor feit 3 meer subsidiair is het feit dat afvalstoffen mogelijk op termijn zouden kunnen lekken uit de jerrycans onvoldoende voor een bewezenverklaring, want het Hof Amsterdam bepaalde in 1995 dat de bodembedreigende stoffen in aanraking moeten zijn geweest met de bodem.

Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het zwijgen van verdachte niet in zijn nadeel mag werken omdat er in deze zaak geen sprake is van omstandigheden die schreeuwen om een verklaring van verdachte.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

Op grond van de verdenking dat de verdachte betrokken was bij het vervaardigen van drugs, heeft de politie op 31 augustus 2015 de woning van de verdachte doorzocht. Daarbij is in het tuinhuis achter de woning een zogenaamde ‘Airsoftgun’ aangetroffen.2 Uit onderzoek is gebleken dat deze ‘Airsoftgun’ een elektrisch luchtdrukgeweer is dat qua vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis heeft met een vuurwapen, dat dit geweer voor be- en afdreiging geschikt is en dat het daarom een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie 1 sub 7, van de Wet wapens en munitie betreft.

De rechtbank stelt voorop dat het vaste jurisprudentie is dat de bewoner van een woning bekend mag worden verondersteld met al hetgeen zich in die woning en de daarbij behorende gebouwen bevindt, behoudens feiten en omstandigheden waaruit het tegendeel blijkt. Daarvan is niet gebleken. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte op 31 augustus 2015 in het bij zijn woning behorende tuinhuis een elektrisch luchtdrukgeweer voorhanden heeft gehad.

Feit 2

Nadat bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 31 augustus 2015 een huurcontract voor een garagebox werd aangetroffen, zijn op diezelfde dag bij een doorzoeking van die door verdachte gehuurde garagebox drie vaten van ongeveer 20 liter aangetroffen.3 De LFO heeft deze vaten onderzocht en vastgesteld dat het twee geheel gevulde blauwe vaten betreft van 25 liter waarop een etiket was aangebracht met het opschrift ‘Brenntag 30% zoutzuur’ met verzegelde doppen en één ongeveer half gevuld transparant vat met het opschrift ‘ME’. De betrokken verbalisant heeft bij het openen van deze drie vaten de bij hem bekende geur van zoutzuur geroken. In de vaten zat een helder rokende zure vloeistof die overeenkomt met de voor hem bekende uiterlijke verschijningsvorm van zoutzuur.4

De rechtbank acht op grond hiervan bewezen dat de drie vaten zoutzuur bevatten. Nu de verdachte als gebruiker van de garagebox bekend mag worden verondersteld met (en dus opzet te hebben op) al hetgeen zich hierin bevindt en feiten en omstandigheden waaruit het tegendeel blijkt, ontbreken, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de drie vaten met zoutzuur opzettelijk voorhanden heeft gehad.

De verdediging heeft betoogd dat de gevonden vaten resten zijn van het productieproces van synthetische drugs, waarvoor verdachte in 2010 is veroordeeld. Een dergelijk scenario is echter moeilijk te rijmen met de verklaring van onder andere [naam 4] over de tijdelijke opslag op verzoek van de verdachte van vaten met drugsafval. Waarom zou de verdachte de vaten met zoutzuur al die jaren bewaren en niet opruimen maar andere restanten van de productie wel? En ook hier geldt dat een plausibele verklaring zijdens verdachte hiervoor ontbreekt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vaten met zoutzuur productiemiddelen zijn die verdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad ter voorbereiding van de productie van synthetische drugs en verwerpt daarmee het verweer van de raadsvrouw.

Feit 3 primair en subsidiair

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte het aan hem onder feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan omdat uit het procesdossier blijkt dat de aangetroffen jerrycans niet hebben gelekt. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het aan hem onder feit 3 primair tenlastegelegde. De rechtbank is eveneens van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte het aan hem onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. De jerrycans zijn in een sloot en op de oever van die sloot, te weten de Verlegde Broekgraaf, achtergelaten. Deze sloot, met inbegrip van de bijbehorende oevers, is aan te merken als een oppervlaktewaterlichaam in de zin van artikel 1 van de Waterwet. Gelet op het bepaalde in artikel 99, vierde lid, van de Wet bodembescherming, is in dat geval de Wet bodembescherming niet van toepassing. De rechtbank spreekt verdachte daarom ook vrij van de aan hem onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming.

Feit 3 meer subsidiair

Op 26 augustus 2015 heeft de dienstdoende wachtdienstambtenaar van het Waterschap Roer en Overmaas een melding ontvangen inhoudende dat een veertigtal vaten met onbekende inhoud gedumpt zijn in de Verlegde Broekgraaf, een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Waterwet dat gelegen is naast de Broekveldweg te Geulle, gemeente Meerssen. Een ecoloog heeft vastgesteld dat er geen sprake was van milieuverontreiniging in de Verlegde Broekgraaf. [naam 2] heeft op 3 september 2015 namens het Waterschap aangifte gedaan van deze dumping.5

Na een melding van een vermoedelijke dumping van drugsafval in een sloot, heeft de politie in de berm van de Broekveldweg een blauwe Mercedes Vito bedrijfsauto aangetroffen die met de achterkant richting de Verlegde Broekgraaf stond. Deze bedrijfsauto zat vast in de ondergrond en de laadklep aan de achterzijde was geopend. Vanaf de Broekveldweg loopt de berm steil naar beneden. De jerrycans die in de Verlegde Broekgraaf zijn aangetroffen lagen in het verlengde van het laadgedeelte van de bedrijfsauto. De rechtbank heeft tijdens de terechtzitting op basis van het zich in het dossier bevindende fotomateriaal waargenomen dat de jerrycans zowel in het water als op de oevers van de Verlegde Broekgraaf lagen.6 De LFO heeft mede op basis van onderzoek door het NFI vastgesteld dat er sprake was van circa 47 jerrycans en dat deze jerrycans gevuld waren met in totaal ongeveer 1.003 liter vloeistof afkomstig van amfetamineproductie, waarbij amfetamine uit BMK geproduceerd is door middel van de Leuckart synthese. De pH-waardes van deze vloeistoffen waren heel laag (sterk zuur) of juist heel hoog (sterke base). De vloeistoffen uit de jerrycans zijn bemonsterd en door het NFI onderzocht. In deze monsters heeft het NFI amfetamine,

N-formylamfetamine en gerelateerde Leuckart-synthese verontreinigingen aangetroffen.7 Uit de standaardverklaring van het NFI over de milieu- en gezondheidsrisico’s van het achterlaten van (afval)stoffen van de MDMA en amfetamine productie blijkt dat de aangetroffen afvalstoffen door hun zeer lage of juist zeer hoge pH-waardes als bijtend (corrosief) moeten worden aangemerkt. Deze stoffen kunnen chemische brandwonden veroorzaken en de ogen ernstig beschadigen. Het opslaan in emballage van dergelijke stoffen is een bodembedreigende handeling en het lozen daarvan een bodemverontreinigende handeling die bedreigend is voor veel leven en verstorend is voor de neutrale pH-waarde van de Nederlandse bodem.8

Medeverdachte [naam 1] heeft verklaard dat hij door de verdachte is benaderd om naar Meerssen te rijden in een Bo-rent bus voor een vergoeding van € 300,00. Op 26 augustus 2016 heeft [naam 1] de verdachte opgehaald in Meezenbroek met zijn Mercedes Vito. Op het parkeerterrein van IKEA stond de Bo-rent bus. [naam 1] reed vervolgens met de Bo-rent bus achter zijn eigen Mercedes-bus, bestuurd door de verdachte, aan naar Meerssen, naar garageboxen. Daar heeft de verdachte jerrycans uit de Bo-rent bus overgeladen in de Mercedes Vito. Aan [naam 1] de opdracht van verdachte de jerrycans zo snel mogelijk ergens te dumpen en daarna de zes tot acht vaten die niet in zijn bus pasten op te halen. [naam 1] heeft de jerrycans uiteindelijk in de Verlegde Broekgraaf te Geulle gedumpt. De jerrycans stonken zo erg dat [naam 1] er tijdens het vervoer niet goed van werd.9

Uit de locatiegegevens van de Bo-rent vrachtwagen blijkt dat die vrachtwagen op

26 augustus 2015 om 12.59 uur is weggereden van de locatie Haefland, waar een paar dagen later op 1 september 2015 een drugslaboratorium is aangetroffen. De vrachtwagen kwam vervolgens op de parkeerplaats van IKEA te Heerlen om 13.18 tot stilstand. Om 15.06 uur vertrekt het voertuig en arriveert na een paar korte stops in Geulle en Bunde om 15.51 uur in Meerssen bij de garageboxen op de Burgemeester Murisstraat.10 Op de bewakingsbeelden van de IKEA te Heerlen is bovendien te zien dat er op 26 augustus 2015 om een kleine Bo-rent vrachtwagen om 13.19 uur op de parking wordt geparkeerd, dat iemand uitstapt en dat de vrachtwagen even later de parking weer verlaat, waarna om 15.06 uur de bestuurder van een blauwe Mercedes Vito naar het Bo-rent vrachtautootje loopt, waarna de Mercedes Vito wegrijdt en vervolgens ook het vrachtautootje.11

Uit de telefoongegevens van [naam 1] blijkt dat deze op 25 augustus 2015 is gebeld door een persoon met het nummer [nummer] . Getuige [naam 3] heeft verklaard dat [naam 1] reeds op 25 augustus 2015 door verdachte benaderd is om de volgende dag vanaf Heerlen naar Meerssen of Geulle te rijden om daar iets te dumpen. En vervolgens is [naam 1] op 26 augustus 2015 tussen 11.40 uur en 14.34 uur nog vier keer door de gebruiker van dit telefoonnummer gebeld. De gebruiker van dit laatste nummer staat in de telefoon van [naam 4] als ‘ [verdachte] ’.12

[naam 4] woont op de [adres 2] in Meerssen. De verdachte kwam op 26 augustus 2015 bij hem langs en vroeg of hij een paar vaten ‘zout’ bij hem mocht stallen. Ze stonden in een kleine vrachtwagen van Bo-rent. Ze zouden daar een paar uur blijven staan. Toen ze niet werden opgehaald kreeg hij van de moeder van de verdachte een telefoonnummer van [verdachte] . Hij sloeg het telefoonnummer in zijn telefoon op. Op

26 augustus 2015 om 21.18 uur stuurde [naam 4] een SMS naar dit nummer met de tekst;

“Hoi [verdachte] , je zou vanavond om 19.30 uur komen, maar hebben je niet gezien. Ik heb je een paar keer gebeld maar je nam niet op en heb ook niet teruggebeld. Er hebben mensen gezien dat er blauwe vaten in de garage zijn gezet. Ze hebben met een grap gevraagd of het een of andere rommel is. Ik zou graag willen hebben dat het uiterlijk morgen weg is, want ik denk echt niet dat het zout is. Het stinkt enorm (…)” 13

Bewijsuitsluiting verklaring medeverdachte [naam 1] ?

De verdediging heeft bepleit dat nu de verklaring van medeverdachte [naam 1] van beslissende betekenis is voor de bewezenverklaring en zij het ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen, deze verklaring wordt uitgesloten van het bewijs.

Het is vaste jurisprudentie dat een verklaring niet van beslissende betekenis is voor de bewezenverklaring indien er voldoende steunbewijs voorhanden is, dat wil zeggen ander bewijsmateriaal dat onderdelen bevestigt van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige. Dit steunbewijs moet in concreto zien op de door de verdachte betwiste onderdelen van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van medeverdachte [naam 1] , waarin hij heeft verklaard dat hij in opdracht van verdachte handelde, ondersteund wordt door ander bewijs, waaronder de verklaringen van de getuigen [naam 4] , de camerabeelden van de IKEA, de locatiegegevens van de Bo-rent truck en de telefoongegevens waaruit blijkt dat verdachte enkele keren naar [naam 1] heeft gebeld op 25 en 26 augustus 2015, voordat het vrachtautootje van Bo-rent bij IKEA is weggereden. Het bewijs dat verdachte betrokken is bij het dumpen van het drugsafval is dan ook niet in beslissende mate op de verklaring van [naam 1] gebaseerd. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaring van medeverdachte [naam 1] . De rechtbank merkt op dat medeverdachte [naam 1] ter terechtzitting van 10 september 2019 aanwezig is geweest, dat hij alle vragen van de rechtbank beantwoord heeft en dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid medeverdachte [naam 1] als getuige te horen.

Het door de raadsvrouw geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat verdachte slechts enkele vaten met zoutzuur bij [naam 4] heeft gestald en dat dat feit niets te maken heeft met de dumping van drugsafval, komt niet overeen met de hierboven genoemde telefoongegevens, locatiegegevens van het vrachtautootje van Bo Rent, de camerabeelden van IKEA en de verklaring van [naam 4] dat de verdachte vaten bracht in een Bo-rent vrachtautootje. Deze gegevens wijzen namelijk juist op betrokkenheid van verdachte bij de drugsdumping. De rechtbank acht het alternatieve scenario daarom niet aannemelijk.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [naam 1] op verzoek van de verdachte jerrycans met drugsaval heeft vervoerd en gedumpt en dat het afval dat niet in de Mercedes Vito van [naam 1] paste, door de verdachte werd opgeslagen in de garage van [naam 4] . Verder concludeert de rechtbank dat, gelet op de penetrante geur van dat afval, zowel [naam 1] als de verdachte wisten dat dumping van dat afval tot milieuverontreiniging kon leiden.

Medeplegen?

De vraag is vervolgens of de betrokkenheid van de verdachte bij de dumping kan worden aangemerkt als medeplegen. De rechtbank stelt hierbij voorop dat voor medeplegen noodzakelijk is dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict.

Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan de rechter rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de rol van verdachte bij het tenlastegelegde af dat de verdachte van het drugsafval af wilde en heeft geprobeerd te voorkomen dat hij met het afval aangetroffen zou worden. De verdachte schakelde daarvoor [naam 1] in. De verdachte reed naar Meerssen, gevolgd door [naam 1] met het afval. Vervolgens heeft de verdachte [naam 1] het afval laten dumpen. Daarmee heeft hij in de voorfase van de feitelijke dumping daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd. De verdachte die op de achtergrond bleef, moet worden gezien als de organisator van de dumping en [naam 1] als de uitvoerder die vieze handen moest maken en alle risico’s liep, in ruil voor een schamele 300,-, Het maakte hem daarbij niet uit hoe of waar [naam 1] dat zou doen. Gelet daarop is er dan ook sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [naam 1] ; er is dus sprake van medeplegen. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met de medeverdachte [naam 1] de jerrycans met drugsafval heeft gedumpt, wetende dat hierdoor milieuverontreiniging kon ontstaan. Doordat de vaten in het water en op de oever zijn terechtgekomen kon daardoor de bodem of de oever van de Verlegde Broekgraaf worden verontreinigd. Zij hebben daarmee opzettelijk hun zorgplicht op grond van de Waterwet geschonden.

Anders dan door de raadsvrouw bepleit is de rechtbank van oordeel dat voor een bewezenverklaring van artikel 6.8 van de Waterwet niet is vereist dat de handelingen van verdachte daadwerkelijk als gevolg hebben gehad dat de bodem of de oever van het oppervlaktewaterlichaam is verontreinigd of aangetast. Dit artikel bevat immers een zorgplicht voor de bodem en de oever van oppervlaktewater. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte wist dat zijn handelingen tot die verontreiniging of aantasting konden leiden. De rechtbank passeert daarom ook dit verweer van de raadsvrouw.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 1:

op 31 augustus 2015 in de gemeente Heerlen een wapen van categorie 1 onder 7°,

te weten een elektrisch luchtdrukgeweer, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis heeft met een vuurwapen (machinegeweer)

voorhanden heeft gehad;

Feit 2:

op 31 augustus 2015 in de gemeente Heerlen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van een materiaal

bevattende amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA,

zijnde amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA (telkens)

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden

en/of te bevorderen, voorhanden heeft gehad:

-2 25L jerrycans, althans een hoeveelheid jerrycans, met inhoud zoutzuur

(etiket 'brenntag 30% zoutzuur'), en/of

-1 30L jerrycan met inhoud zoutzuur (etiket 'brenntag 30% zoutzuur'),

waarvan verdachte wist dat die goederen bestemd waren tot het plegen van dat feit;

Feit 3 meer subsidiair:

op 26 augustus 2015 te Geulle, gemeente Meerssen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk meerdere jerrycans bevattende een hoeveelheid amfetamine en

N-formylamfetamine heeft gedumpt in de bodem en de oever van een oppervlaktewaterlichaam, te weten de Verlegde Broekgraaf, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat door die handelingen de bodem en de oever van dat oppervlaktewaterlichaam konden worden verontreinigd, en zij niet aan hun verplichting hebben voldaan om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte en zijn mededader konden worden gevergd om die verontreiniging te voorkomen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het/de volgende strafbare feit/en op:

Feit 1:

handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet wapens en munitie,

strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie

Feit 2:

een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voor te bereiden en te bevorderen, door stoffen voorhanden hebben, waarvan

hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

Feit 3 meer subsidiair:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 6.8 van de Waterwet, opzettelijk begaan

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Er is sprake van de volgende strafverzwarende omstandigheden. Verdachte heeft door het medeplegen van het dumpen van ruim duizend liter synthetisch drugsafval, afkomstig van de productie van amfetamine, een belangrijke bijdrage geleverd aan de productie van synthetische drugs. Het dumpen van het afval vormt immers het sluitstuk van het productieproces. Bovendien heeft verdachte geen enkele medewerking aan het onderzoek verleend, is hij niet ter terechtzitting verschenen, bagatelliseert hij het tenlastegelegde en is er sprake van recidive met betrekking tot de Opiumwet. De officier van justitie heeft haar strafeis gematigd omdat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en omdat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot een eventueel op te leggen straf verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de door verdachte reeds ondergane voorlopige hechtenis, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf of een al dan niet voorwaardelijke taakstraf. Dit heeft de raadsvrouw als volgt onderbouwd. De zaak hangt al jaren als een molensteen om de nek van verdachte, ten tijde van het tenlastegelegde ging hij door een zeer moeilijke periode wegens het toen recente overlijden van zijn ex-echtgenote en er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De raadsvrouw heeft er ook op gewezen dat verdachte een dochter van drie maanden oud heeft, dat hij zijn schulden grotendeels heeft afbetaald en dat hij momenteel vrijwilligerswerk doet.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft opdracht gegeven tot het dumpen van een veertigtal jerrycans met in totaal ruim duizend liter synthetisch drugsafval dat afkomstig was van de productie van amfetamine. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet. Door dit handelen heeft verdachte een belangrijke en onmisbare bijdrage geleverd aan de productie van synthetische drugs. De productie van en handel in synthetische drugs dient krachtig te worden bestreden in verband met de schadelijkheid daarvan voor de volksgezondheid. Het gebruik van deze harddrugs brengt immers gezondheidsrisico's mee zoals de mogelijkheid van blijvende schade aan het centrale zenuwstelsel.

Naast het gevaar voor de volksgezondheid schuilt in de productie van synthetische drugs gevaar voor schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van vrijkomende chemische afvalstoffen in natuurgebieden. Het feit dat er geen afval uit de jerrycans is gelekt is niet aan verdachte te danken, maar aan geluk en het snelle optreden van de hulpdiensten. Verdachte heeft door zijn handelen een reëel gevaar voor ernstige milieuverontreiniging veroorzaakt. Deze dumpingen zijn, zeker in de zuidelijke provincies, aan de orde van de dag. Het opruimen van gedumpt drugsafval veroorzaakt niet alleen (dreigende) milieuschade maar zadelt de overheid door het grote aantal dumpingen ook op met hoge kosten. Daarmee is dit een enorm maatschappelijk probleem.

Het is verder een feit van algemene bekendheid dat de productie van synthetische drugs wordt uitgevoerd door criminele organisaties of samenwerkingsverbanden. Criminele organisaties hebben een ontwrichtend effect op de maatschappij, onder meer door het witwassen van de criminele winsten en de vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld. Dit werkt ontwrichtend op het economisch verkeer en is ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft een bijdrage geleverd aan deze problematiek. De rechtbank rekent dat de verdachte zwaar aan.

Dat de verdachte een levensecht imitatie machinegeweer voorhanden heeft gehad acht de rechtbank kwalijk, maar legt bij de strafoplegging weinig gewicht in de schaal.

Als uitgangspunt voor de straftoemeting gaat de rechtbank voor betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs – in dit geval de dumping van het afval en de voorbereidingshandelingen - uit van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. Daarnaast zijn er strafverzwarende omstandigheden. Het was verdachte die opdracht gaf tot het dumpen van het drugsafval en slinks probeerde buiten beeld te blijven door voor een luttel bedrag medeverdachte [naam 1] op te dragen om de jerrycans ergens te dumpen. Daarnaast was verdachte een gewaarschuwd mens, want hij is eerder voor productie van synthetische drugs veroordeeld.

Toch komt de rechtbank tot een lagere straf. Deze strafzaak is immers niet binnen een redelijke termijn afgehandeld. Omdat deze termijn met meer dan één jaar is overschreden en omdat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, acht de rechtbank net als de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, een passende bestraffing. De strafverzwarende omstandigheden maken dat de rechtbank voorbij gaat aan het pleidooi te vermijden dat de verdachte opnieuw gedetineerd wordt. Daar komt bij dat er sprake was van een reëel gevaar voor ernstige milieuverontreiniging; dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel een proeftijd van twee jaar verbinden, nu zij dat noodzakelijk acht ter voorkoming van recidive. De rechtbank zal wel het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden nu het voortduren van de voorlopige hechtenis naar haar oordeel niet langer gerechtvaardigd is omdat de aan verdachte tenlastegelegde feiten die hebben geleid tot het bevel bewaring uit 2015 dateren.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij Waterschap Limburg, zijnde de rechtsopvolger van Waterschap Roer en Overmaas, vordert een schadevergoeding van € 2.308,00. Dit bedrag bestaat uit geleden materiële schade en omvat de posten ‘laden container met zandzakken’, ‘2 man stand-by en klaar maken trekker met mengmestvat’, ‘transport, uitvoer afvoer en materiaal 1055 Kg’ en

4 posten genaamd ‘waterwachten’. Ter terechtzitting heeft [naam 2] namens de benadeelde partij verklaard dat de vier posten genaamd ‘waterwacht’ personeelskosten zijn die gemaakt zijn ten gevolge van de bestrijding van het incident met de gedumpte jerrycans.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar en heeft gevorderd de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2015 tot de dag van de volledige voldoening en daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk meerdere jerrycans bevattende een hoeveelheid amfetamine en

N-formylamfetamine heeft gedumpt in de bodem en de oever van het oppervlaktewaterlichaam de Verlegde Broekgraaf. De rechtsvoorganger van de benadeelde partij Waterschap Limburg, te weten Waterschap Roer en Overmaas, heeft als beheerder van de waterkwaliteit kosten gemaakt ter bestrijding van eventuele gevolgen van de dumping en voor het opruimen van de jerrycans met chemische stoffen.

De rechtbank is van oordeel dat alle kostenposten van de vordering rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte schade behelzen en voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank wijst dan ook toe de gehele vordering ten bedrage van € 2.308,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank bepaalt daarbij dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

De rechtbank zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, de artikelen 10 en 10a van de Opiumwet, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten en artikel 6.8 van de Waterwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 primair en het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan

6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

  • -

    heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- wijst de vordering van de benadeelde partij Waterschap Limburg te Roermond, toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, Waterschap Limburg te betalen € 2.308,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 26 augustus 2015 tot aan de dag van de volledige

voldoening;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader

van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken, begroot tot heden op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve

van het slachtoffer Waterschap Limburg van € 2.308,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 33 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 26 augustus 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling

aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in

zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan

aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de

verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. F.H. Machiels en

mr. D. Osmić, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Hoelbeek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 september 2019.

BIJLAGE I: De gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 31 augustus 2015 in de gemeente Heerlen, in elk geval

binnen het arrondissement Limburg,

een wapen van categorie I onder 7°,

te weten een (elektrisch) luchtdrukgeweer,

zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een

sprekende gelijkenis heeft met een vuurwapen (machinegeweer)

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 31 augustus 2015 in de gemeente Heerlen, in elk geval

binnen het arrondissement Limburg,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van

Nederland brengen van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal

bevattende amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA,

zijnde amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA (telkens)

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden

en/of te bevorderen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

voorhanden heeft gehad :

-2 25L jerrycans, althans een hoeveelheid jerrycans, met inhoud zoutzuur

(etiket 'brenntag 30% zoutzuur'), en/of

-1 30L jerrycan met inhoud zoutzuur (etiket 'brenntag 30% zoutzuur'),

waarvan verdachte(n) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat

dat/die goed(eren) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) ;

3.

hij, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of

omstreeks 26 augustus 2015 te Geulle, in de gemeente Meerssen, in elk geval

binnen het arrondissement Limburg,

al dan niet opzettelijk

een of meer stoffen, te weten een hoeveelheid amfetamine en/of

formylamfetamine, in elk geval een hoeveelheid afvalstoffen te relateren aan

amfetamineproductie, heeft/hebben gebracht (gedumpt) in een sloot/beek, zijnde

een oppervlaktewaterlichaam,

terwijl daartoe geen strekkende vergunning was verleend door de Minister als

bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet en/of het bestuur van het betrokken

waterschap, en/of

daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel

van bestuur, en/of

artikel 6.3 van de Waterwet niet van toepassing was;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

Hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te Heerlen en/of Meerssen en/of Geulle,

in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) op en/of in de bodem een handeling als bedoeld in

artikel 6 tot en met 11 van die wet bodembescherming heeft/hebben verricht,

te weten gevulde jerrycans met inhoud amfetamine en/of formylamfetamine, in

elk geval een hoeveelheid afvalstoffen te relateren aan amfetamineproductie,

heeft/hebben geloosd op en/of in de bodem terwijl hij en/of zijn mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat door die

handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast,

en/of hij en/of zijn mededader(s), hoewel daartoe verplicht, op of omstreeks

voornoemde datum al dan niet opzettelijk niet aan zijn/hun verplichting(en)

heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem/hen

kon(den) worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te

voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed,

de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken

en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

Meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te Geulle, gemeente Meerssen,

tezamen en in vereniging met aan ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk,

een of meerdere jerrycans bevattende een hoeveelheid amfetamine en/of

N-formylamfetamine, in elk geval een hoeveelheid afvalstoffen te relateren aan amfetamineproductie,

heeft gebracht/gedumpt in de bodem en/of de oever van een oppervlaktewaterlichaam, te weten de Verlengde Broekgraaf,

terwijl verdachte en zijn mededader wist(en) of redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden dat door die handeling(en) de boden en/of de over van dat oppervlaktewaterlichaam, kon(den) worden verontreinigd en/of aangetast,

en niet aan zijn/hun verplichting heeft/hebben voldaan om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte en zijn mededader kon(den) worden gevergd om die verontreiniging te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging en/of aantasting zich voordoet, de verontreiniging en/of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eind proces-verbaal van politie Limburg, team ondermijning, zaak Sierra, proces-verbaalnummer 2015161823, gesloten d.d. 10 februari 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1015.

2 Stam proces-verbaal d.d. 10 februari 2016, pagina’s 23 en 24, in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 31 augustus 2015, pagina’s 141 en 142, en het proces-verbaal onderzoek voorwerpen d.d. 24 september 2015, pagina’s 177 tot en met 179.

3 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 31 augustus 2015, pagina’s 231 en 232.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2015, pagina’s 254 en 255.

5 Proces-verbaal van aangifte d.d. 3 september 2015, pagina’s 388 en 384.

6 Eigen waarneming van de rechtbank van de foto’s 12 tot en met 14 zoals weergegeven op de pagina’s 375 en 376.

7 Proces-verbaal LFO d.d. 10 september 2015, pagina’s 401 tot en met 404, in onderlinge samenhang met het schriftelijk bescheid, zijnde een spoedrapport identificatie van drugs en precursoren d.d. 28 augustus 2015, opgemaakt door de NFI-deskundige Dr. [naam 5] , pagina 409.

8 Het schriftelijke bescheid, zijnde een standaardverklaring milieu-en gezondheidsrisico’s van het achterlaten van (afval)stoffen van de MDMA en amfetamine productie, pagina 415.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 31 augustus 2015, pagina’s 733 tot en met 736.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2015, pagina 431.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2015, pagina’s 499 tot en met 501.

12 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 3] d.d. 11 januari 2016, pagina’s 484 en 485, in onderlinge samenhang met Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2016, pagina 454, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2015, pagina’s 108 en 109 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4] d.d. 29 augustus 2015, pagina 593.

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4] d.d. 29 augustus 2015, pagina’s 591 tot en met 594, in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2015, pagina’s 108 en 109.