Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8605

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1962
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot intrekking bouwstop autobedrijf. Bouwstop staat in rechte vast. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat thans sprake is van gewijzigde omstandigheden waardoor verweerder niet langer bevoegd zou zijn de bouwstop te continueren. Vraag of concreet zicht is op legalisatie speelt geen rol bij het verzoek. Aangezien na het realiseren van de verdere werkzaamheden een met de omgevingsvergunning strijdige situatie blijft bestaan, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond aan deze strijdige situatie medewerking te verlenen door verzoekster de verdere werkzaamheden te laten uitvoeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/1962

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[bedrijfsnaam 1] , te [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P. Koeslag),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, verweerder

(gemachtigden: mr. Y.G.P. Vos en ing. A.L.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeksters verzoek tot intrekking van het besluit van 28 november 2017, waarbij een bouwstop is opgelegd, afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Verzoekster is verschenen bij [naam 1] en [naam 2] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter is, mede gelet op de procedures in de afgelopen jaren die (nog) niet tot legalisering en/of een nieuwe vergunning hebben geleid, van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij het verzoek om een voorlopige voorziening.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekster is eigenaar van een autobedrijf dat is gevestigd aan [adres] , kadastraal bekend [kadasternummer] . Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan “Kern Heythuysen” (bestemmingsplan) de bestemming ‘Bedrijf”.

Bij besluit van 6 september 2016 heeft verweerder aan [bedrijfsnaam 2] , zijnde een bestuurder van verzoekster, een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en handelen in strijd met regels van een bestemmingsplan ten behoeve van uitbreiding van het bestaande bedrijfsgebouw, voor stalling van auto’s en materialen en een overkapping (hierna: omgevingsvergunning 1). In omgevingsvergunning 1 is een zadeldak vergund. Tijdens een controle op 27 november 2017 heeft een toezichthouder geconstateerd dat de werkzaamheden afwijken van omgevingsvergunning 1, aangezien het gedeelte aan de achterzijde van de uitbreiding van het autobedrijf is uitgevoerd met een plat dak in plaats van een zadeldak. Daarop heeft de toezichthouder de werkzaamheden mondeling stilgelegd, nu verzoekster in strijd handelt met artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij brief van 28 november 2017 heeft verweerder dit besluit op schrift gesteld en [bedrijfsnaam 2] een preventieve last onder dwangsom opgelegd van € 10.000,-.

4. Bij brief van 21 augustus 2018 heeft verweerder ingestemd met legalisering van het platte dak in de variant dat de bouwhoogte van het platte dak aan de zijde van de achterburen wordt verlaagd met één stramien, tot 3,55 meter. Bij besluit van 18 december 2018 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 7 september 2018 ter legalisering van deze variant geweigerd (hierna: omgevingsvergunning 2). Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

5. Bij brief van 16 mei 2019 heeft verweerder een positief advies afgegeven op het principeverzoek, bestaande uit het verlagen van het bedrijfsgebouw aan de achterzijde naar één bouwlaag met een hoogte van maximaal 3,55 meter over een lengte van drie stramienen (15 meter). Verweerder heeft hierbij wel enkele voorwaarden gesteld, waaronder de voorwaarden dat het bezwaar tegen de weigering van omgevingsvergunning 2 (het besluit van 18 december 2018) en de aansprakelijkstelling met kenmerk B1900137 worden ingetrokken.

6. Bij brief van 13 juni 2019 heeft verzoekster verzocht het besluit van 29 november 2017 in te trekken.

7. Op 19 juli 2019 heeft verzoekster een aanvraag voor een gewijzigde omgevingsvergunning ingediend, zoals aangegeven in het principeverzoek dat onderwerp was van de brief van 16 mei 2019. In deze aanvraag is vermeld dat niet wordt ingestemd met de voorwaarden die zien op de intrekking van het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2018 en de intrekking van de aansprakelijkstelling. Bij besluit van
3 september 2019 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning ((hierna: omgevingsvergunning 3) geweigerd, nu verzoekster het bezwaar tegen omgevingsvergunning 2 niet intrekt, waardoor de rechtsonzekerheid blijft bestaan.

8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek tot opheffing van de bouwstop afgewezen. Verweerder stelt zich hiertoe op het standpunt dat thans geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verzoekster heeft meerdere keren aangegeven het bedrijfsgebouw niet conform omgevingsvergunning 1 te willen bouwen. Het in gebruik nemen van onvoltooide bouwwerken is op grond van artikel 1.25, derde lid, van het Bouwbesluit niet toegestaan.

9. In artikel 5:21, onder a, van de Awb is bepaald dat onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding.

In artikel 5.17 van de Wabo is bepaald dat een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet kan inhouden dat het bouwen, gebruiken of slopen van een bouwwerk wordt gestaakt of dat voorzieningen, met inbegrip van het slopen van een bouwwerk, gericht op het tegengaan of beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid worden getroffen.

10. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoekster geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de bouwstop, zodat deze in rechte vaststaat. De vraag of de bouwstop terecht is opgelegd ligt dan ook niet ter beoordeling voor. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat thans sprake is van gewijzigde omstandigheden waardoor verweerder niet langer bevoegd zou zijn om de bouwstop te continueren. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

11. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd met de op grond van omgevingsvergunning 1 toegestane bouwhoogte is gebouwd, waardoor verzoekster handelt in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.

12. Verzoekster stelt zich in het verzoekschrift op het standpunt dat ter zake van de bouwhoogte concreet zicht op legalisatie bestaat, nu verweerder in principe de op

19 juli 2019 aangevraagde omgevingsvergunning wil verlenen.

12.1.

Bij besluit van 3 september 2019 is omgevingsvergunning 3 geweigerd, zodat concreet zich op legalisatie ten tijde van deze beoordeling niet aanwezig is. Overigens overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van onder meer 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2834, dat bij de toepassing van de in artikel 5.17 van de Wabo neergelegde bevoegdheid om bouwwerkzaamheden stil te leggen, gelet op aard en doel van die bevoegdheid, niet behoeft te worden onderzocht of de bouw gelegaliseerd kan worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient deze vraag ook geen rol te spelen bij een verzoek tot opheffing van een bouwstop. De voorzieningenrechter verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juni 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4347. Het betoog van verzoekster dat vanwege concreet zicht op legalisering de bouwstop opgeheven dient te worden, wordt dan ook niet gevolgd.

13. Verzoekster stelt zich vervolgens op het standpunt dat de bouwstop geen doel dient, aangezien het dak al in het najaar van 2017 is gerealiseerd en de verdere werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden op basis van omgevingsvergunning 1, waardoor verdere afwijking van omgevingsvergunning 1 niet zal plaatsvinden.

13.1.

De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. Na het realiseren van de verdere werkzaamheden, bestaande uit het afbouwen van de vloeren, ramen en deuren, blijft er immers een met omgevingsvergunning 1 strijdige situatie bestaan. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende grond om aan deze strijdige situatie medewerking te verlenen door het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat verzoekster alsnog de bouw kan realiseren op basis van de onherroepelijke omgevingsvergunning 1.

14. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen reden voor het oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zou kunnen blijven, zodat er geen reden is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

16. Op verzoek van partijen ter zitting en vanwege het gegeven dat partijen stukken hebben overgelegd over de geweigerde omgevingsvergunningen 2 en 3 en ter zitting hierover is gesproken, zal de voorzieningenrechter in deze uitspraak nog een overweging opnemen over deze geweigerde vergunningen. Dit betreft een overweging ten overvloede, nu de toetsing van deze omgevingsvergunningen niet voorligt in deze procedure.

De voorzieningenrechter neemt in aanmerking dat er een voor verzoekster nadelige situatie is, die al bijna twee jaar voortduurt. Verzoekster heeft, na van verweerder tot twee maal toe principeakkoorden gekregen te hebben, twee maal een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. Beide aanvragen zijn vervolgens (toch) geweigerd. De kern van de bezwaren tegen de geweigerde omgevingsvergunning 2 betreffen de bijzonder korte motivering van het besluit waarop de weigering is gestoeld. Omgevingsvergunning 3 is geweigerd, omdat - kort gezegd - verzoekster het bezwaar tegen omgevingsvergunning 2 niet intrekt. Dit brengt volgens verweerder onaanvaardbare negatieve effecten op de in de omgeving aanwezige waarden en normen met zich en zorgt ervoor dat de rechtsonzekerheid blijft bestaan.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geldt voor omgevingsvergunning 2 dat de weigering wegens strijd met goede ordening wel heel erg summier is gemotiveerd. Voor de weigering van omgevingsvergunning 3 geldt dat het maar de vraag is of die gebaseerd kan worden op het niet intrekken van bezwaar tegen de geweigerde omgevingsvergunning 2, omdat deze weigeringsgrond op het eerste oog geen verband houdt met het ruimtelijk ordeningstoetsingskader. Voor beide besluiten is het dan ook de vraag of zij, met de motivering die voorligt, in rechte stand zullen houden.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bezwarenprocedure tegen omgevingsvergunning 2 nu met voortvarendheid opgepakt dient te worden, in het belang van alle partijen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
24 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 september 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.