Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8567

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
C/03/235663 / HA ZA 17-270
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Vervoer van een lading flatscreens van Duitsland naar België door een Bulgaarse feitelijke vervoerder. De lading wordt gestolen. Meerdere partijen in de vervoersketen uit verschillende landen worden gedagvaard. De Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht ten aanzien van het geschil tussen eiser en de Bulgaarse vervoerder. Samenloop van de CMR en de Brussel Ibis-verordening. Gevolgen faillissement eiser in conventie/verweerder in reconventie: artikelen 27 tot en met 30 faillissementswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2019, afl. 6, p. 306
S&S 2020/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/235663 / HA ZA 17-270

Vonnis in incident van 25 september 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUTREX B.V. (failliet verklaard bij vonnis van 9 oktober 2018),

gevestigd te Venlo,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

niet langer vertegenwoordigd door een advocaat

(mr. J.M. Wolfs heeft zich op de rol van 3 april 2019 onttrokken en er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld)

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands recht

[gedaagde sub 1] GMBH,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde sub 1] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

2. vennootschap naar buitenlands recht

[gedaagde sub 2] N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde sub 2] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

3. vennootschap naar buitenlands recht

BI-LOG WARENHOTEL GMBH,

gevestigd te Schesslitz, Duitsland,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 4] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde sub 4] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

5. vennootschap naar buitenlands recht

[gedaagde sub 5] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde sub 5] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in het incident,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Eutrex en [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , Bi-Log, [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] genoemd worden.

Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden sub 1 t/m 5] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte van 17 mei 2017 van Eutrex met productie 1

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring, tevens houdende conclusie van eis in reconventie van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5]

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord tevens houdende verzoek tot (rol)voeging.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

Gevolgen van het faillissement van Eutrex

2.1.

Voordat wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het bevoegdheidsincident gaat de rechtbank in op de processuele gevolgen van de faillietverklaring van Eutrex per 9 oktober 2018 voor de procedure in incident. Volledigheidshalve wordt daarbij opgemerkt dat die procedure enkel tussen Eutrex en [gedaagde sub 5] speelt.

2.2.

Voor zover [gedaagde sub 5] bij rolbericht van 5 november 2018 heeft verzocht ook het incident te schorsen, bestaat daar geen grond voor, omdat de zaak in incident ten tijde van de faillietverklaring op 9 oktober 2018 al in staat van wijzen was. Met andere woorden, op dat moment hadden Eutrex en [gedaagde sub 5] reeds vonnis in incident gevraagd (en wel op de rol van 24 januari 2018). Het faillissement heeft vooralsnog dan ook geen gevolgen voor dit vonnis in incident (artikel 30 lid 1 Fw).

Het geschil in incident en de standpunten van partijen

2.3.

[gedaagde sub 5] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Eutrex voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.4.

Eutrex stelt in haar dagvaarding dat deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het geschil tussen haar en [gedaagde sub 5] op grond van artikel 31 lid 1 sub a van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: CMR), omdat [gedaagde sub 4] is gevestigd in het arrondissement van deze rechtbank. Daarnaast stelt Eutrex in zijn antwoordconclusie in incident nog dat de Nederlandse rechter ook op grond van artikel 8 van de verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna Brussel I-bis-Vo) danwel artikel 7 juncto 107 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht heeft.

2.5.

[gedaagde sub 5] heeft de bevoegdheid op grond van artikel 31 CMR betwist, omdat er geen contractuele relatie bestaat tussen haar en Eutrex.

Vaststaande feiten

2.6.

Voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling van de bevoegdheid van deze rechtbank, gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten:

  • -

    Het gaat om het transport van een lading flatscreens (hierna de lading) vanaf Schesslitz (Duitsland) naar Deurne (België).

  • -

    Op 31 januari 2017 heeft Eutrex aan [gedaagde sub 4] opdracht gegeven die lading op
    1 februari 2017 op te halen op het adres van Bi-Log te Schesslitz (Duitsland) en op 2 februari 2017 af te leveren op het adres van [gedaagde sub 2] ( [vestigingsland gedaagde sub 2] ).

  • -

    [gedaagde sub 4] heeft op haar beurt het vervoer uitbesteed aan [gedaagde sub 5] .

  • -

    [gedaagde sub 5] heeft de lading op 1 februari 2017 in ontvangst genomen en heeft overnacht op een parkeerplaats aan de A3 nabij Montabauer.

  • -

    Bij aflevering van de lading in België bleek dat een groot deel van de lading was verdwenen.

Het oordeel van de rechtbank

2.7.

Onderhavig incident speelt alleen tussen Eutrex en [gedaagde sub 5] , zodat in dit vonnis enkel op de bevoegdheid in die verhouding zal worden ingegaan. Als het komt tot een inhoudelijke oordeel omtrent het geschil tussen Eutrex en de overige gedaagden, zal in dat vonnis worden ingegaan op de bevoegdheid ten aanzien van die gedaagden.

2.8.

Dit incident vertoont veel gelijkenissen met een zaak waarover de rechtbank Rotterdam op 3 juli 2019 heeft beslist: ECLI:NL:RBROT:2019:5301. In het hiernavolgende zullen dan ook veel overwegingen van die uitspraak terugkomen.

De CMR

2.9.

Onderhavige zaak gaat over internationaal goederenvervoer over de weg. De CMR, waarbij alle landen waar deze zaak betrekking op heeft partij zijn, bevat in artikel 31 regels inzake de rechterlijke bevoegdheid. Aan de in artikel 1 CMR neergelegde vereisten voor de dwingendrechtelijke toepasselijkheid van dit verdrag is voldaan in deze zaak.

2.10.

Artikel 31 CMR luidt – aangehaald voor zover relevant – als volgt:

“1. Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:
a) de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten, of
b) de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen;
zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht. (onderstreept door de rechtbank)

(…)”

2.11.

De CMR kent niet de accessoire bevoegdheidsregels als neergelegd in artikel 7 Rv en artikel 8 Brussel I-Bis-Vo.

2.12.

Een forumkeuze voor deze rechtbank, althans voor de Nederlandse rechter, is gesteld noch gebleken. Deze rechtbank, althans de Nederlandse rechter, kan dus geen bevoegdheid respectievelijk rechtsmacht ontlenen aan een forumkeuze. Evenmin gesteld dan wel gebleken is dat de plaats van inontvangstneming van de goederen dan wel de plaats die is bestemd voor de aflevering van de goederen in Nederland is gelegen. De Nederlandse rechter, waaronder deze rechtbank, kan derhalve geen bevoegdheid ontlenen aan artikel 31 lid 1 sub b CMR.

2.13.

[gedaagde sub 5] is niet in Nederland gevestigd en de rechtbank kan niet vaststellen of gedaagde een filiaal of agentschap heeft in haar arrondissement door bemiddeling waarvan de vervoersovereenkomst is gesloten (geen van partijen heeft op dit punt stellingen ingenomen), zodat de rechtbank ook niet zonder meer bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 31 lid 1 sub a CMR.

De Brussel I-bis-Vo

2.14.

De zaak tussen Eutrex en [gedaagde sub 5] voldoet echter wel aan de vereisten voor materiële, temporele en formele toepasselijkheid van Brussel Ibis-Vo. Hier is namelijk sprake van een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 van deze verordening en van vorderingen die zijn ingesteld na de dag van inwerkingtreding (voor Nederland) van deze verordening op of omstreeks 10 januari 2015. Daarnaast is [gedaagde sub 5] gevestigd in [vestigingsland gedaagde sub 5] , zijnde een lidstaat bij deze verordening (artikel 5 Brussel Ibis-Vo).

2.15.

De Brussel Ibis-Vo voorziet in artikel 8 aanhef en onder 1 in de volgende bevoegdheidsregel die de CMR niet kent:

“Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.”

Samenloop tussen CMR en Brussel I-bis-Vo

2.16.

Hier is derhalve sprake van samenloop van internationale regelingen, namelijk die van de CMR met Brussel Ibis-Vo.

2.17.

Met betrekking tot samenloop van Brussel Ibis-Vo met een andere internationale regeling op het gebied van rechterlijke bevoegdheid wijst de rechtbank op artikel 71 lid 1 en lid 2, aanhef en onder a, Brussel Ibis-Vo:

  1. Deze verordening laat onverlet verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.

  2. Teneinde de eenvormige uitlegging van lid 1 te waarborgen wordt dat lid als volgt toegepast:

a. deze verordening belet niet dat een gerecht van een lidstaat die partij is bij een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag of die overeenkomst kennisneemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat die geen partij is bij dat verdrag of die overeenkomst. Het gerecht past in ieder geval artikel 28 van deze verordening toe.

2.18.

De CMR, dat, als gezegd, in artikel 31 een regeling inzake rechterlijke bevoegdheid bevat, is een bijzonder verdrag in de zin van artikel 71 lid 1 en lid 2, aanhef en onder a, Brussel Ibis-Vo. Zie HvJEU 4 mei 2010, NJ 2010/482 (TNT Express Nederland/AXA Versicherung AG), HvJEU 19 december 2013, ECLI:NL:XX:2013:203 (Nipponkoa Insurance Co. (Europe) Ltd/Inter-Zuid Transport BV) en HvJ EU 4 september 2014, NJ 2015/89 (Nickel & Goeldner Spedition/Kintra UAB), in welke arresten uitleg is gegeven aan artikel 71 van de Brussel I-Verordening Nr. 44/2001 van 22 december 2000, van welk artikel 71 Brussel Ibis-Vo niet (in relevante mate) afwijkt.

2.19.

In beginsel sluit de toepasselijkheid van de CMR als bijzonder verdrag in de zin van artikel 71 Brussel Ibis-Vo de toepasselijkheid van Brussel Ibis-Vo uit. Vergelijk r.o. 45 van bovengenoemd TNT Express Nederland/AXA Versicherung AG-arrest van het HvJEU. Dit beginsel werkt eigenlijk nog sterker, althans wordt bevestigd, bij, zoals in het onderhavige geval, samenloop van een bevoegdheidsregeling van Brussel Ibis-Vo met de bevoegdheidsregeling van artikel 31 lid 1 CMR, omdat uit de tekst van artikel 31 lid 1 CMR onmiskenbaar volgt dat de bevoegdheidsregeling daarvan exclusieve werking heeft: zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht.

2.20.

Het HvJEU heeft echter, voor onderwerpen die zijn geregeld in bijzondere verdragen, geoordeeld dat de toepassing van de regels van die verdragen geen afbreuk mag doen aan de beginselen die aan de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken binnen de Europese Unie ten grondslag liggen, zoals de in de overwegingen 6, 11, 12 en 15 tot en met 17 van de considerans van de Brussel I-Vo [en in de overwegingen 6, 15, 16, 21, 24 en 26 van de considerans van de Brussel Ibis-Vo] genoemde beginselen van vrij verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van voorzienbaarheid van de bevoegde rechterlijke instanties en, bijgevolg, van rechtszekerheid voor de justitiabelen, van een goede rechtsbedeling, van het zo veel mogelijk beperken van parallel lopende procedures en van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie (r.o. 49 van het TNT Express Nederland/AXA Versicherung AG-arrest en r.o. 36 van het bovengenoemde Nipponkoa Insurance Co. (Europe) Ltd/Inter-Zuid Transport BV-arrest).

2.21.

De vraag is dus of de afwezigheid in (artikel 31 van) de CMR van een bevoegdheidsregel als artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel Ibis-Vo (in wezenlijke mate) inbreuk maakt op de hiervoor genoemde Europeesrechtelijke beginselen. Die vraag beantwoordt de rechtbank in dit geval ontkennend. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.22.

De strekking van deze bevoegdheidsregel volgt reeds uit de formulering daarvan, namelijk het vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken tegen ieder van de gedaagden onverenigbare beslissingen worden gegeven. Anders gezegd, deze bevoegdheidsregel is een middel om parallel lopende procedures te beperken, een van de hier aan de orde zijnde Europeesrechtelijke beginselen. In zoverre wordt met de afwezigheid van deze bevoegdheidsregel in de CMR dan ook een inbreuk gemaakt op deze beginselen.

2.23.

Hier staat echter het volgende tegenover. Volgens het HvJEU is artikel 31 lid 1 CMR verenigbaar “met de beginselen die aan de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken binnen de Unie ten grondslag liggen”. Zie r.o. 41 van het hiervoor genoemde Nickel & Goeldner Spedition/Kintra UAB-arrest. Voor de bevoegdheid van de aangezochte rechter op grond van artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel Ibis-Vo is doorslaggevend het antwoord op de vraag of tussen de vordering tegen de ene gedaagde en de vordering tegen de andere gedaagde een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting. Dit antwoord volgt niet (zonder meer) uit de tekst van deze verordening, inclusief de considerans daarvan, of van dit verdrag, inclusief het toelichtende rapport daarop. Of sprake is van de hier vereiste nauwe band tussen deze vorderingen is (voornamelijk) een kwestie die wordt overgelaten aan de beoordeling door de aangezochte rechter op grond van de aan deze rechter voorgelegde feiten en omstandigheden van de zaak. Het is dus maar zeer de vraag of de bevoegdheidsregel van artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel Ibis-Vo in wezenlijke mate bijdraagt aan de hiervoor genoemde Europeesrechtelijke beginselen van voorzienbaarheid van de bevoegde rechterlijke instanties en, bijgevolg, van rechtszekerheid voor de justitiabelen. Hierbij komt dat een gedaagde die geen woonplaats heeft in het rechtsgebied althans in het land van de aangezochte rechter weinig of vaak zelfs geen enkele band heeft met het rechtsgebied of het land van de aangezochte rechter in CMR-vervoerrechtelijke zin wanneer noch de plaats van inontvangstneming van de goederen noch de plaats van bestemming van de goederen als bedoeld onder b van lid 1 artikel 31 CMR is gelegen in het land van de aangezochte rechter.

2.24.

Naar het oordeel van deze rechtbank vormt artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel Ibis-Vo dan ook geen basis voor haar bevoegdheid om kennis te nemen van de vorderingen tegen [gedaagde sub 5] .

Artikel 7 Rv

2.25.

Zoals volgt uit artikel 94 van de Grondwet (Gw) en zoals herhaald is in artikel 1 Rv op het gebied van rechtsmacht, heeft hetgeen daaromtrent bepaald is in verdragen voorrang op hetgeen daaromtrent bepaald is in het interne Nederlandse recht (Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht). Aangezien, als gezegd, de CMR, waaronder de rechtsmachtbepalingen van artikel 31, van toepassing zijn, mist het bepaalde in Rv betreffende rechtsmacht, zoals de artikelen 2-13 Rv, dan ook toepassing.

2.26.

De rechtbank kan dan ook niet op grond van artikel 7 Rv rechtsmacht aannemen.

2.27.

Bij gebreke van andere toepasselijke bevoegdheidsregels is deze rechtbank derhalve onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen [gedaagde sub 5] . Niet omdat er geen contractuele verbintenis bestaat tussen haar en Eutrex (zoals door [gedaagde sub 5] is aangevoerd), maar vanwege bovengenoemde overwegingen.

Verzoek tot voeging

2.28.

Het verzoek van Eutrex om onderhavige zaak te voegen met de zaak die [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] onder meer tegen haar aanhangig heeft gemaakt (zaaknr. C/03/235648) wordt reeds nu – zonder de overige partijen in de gelegenheid te stellen op dat verzoek te reageren - afgewezen, nu die zaak ambtshalve is doorgehaald op de parkeerrol omdat mr. Wolfs zich onttrok als advocaat van Eutrex en de overige partijen in die zaak niet meer hebben gereageerd.

Proceskosten

2.29.

Eutrex zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [gedaagde sub 5] begroot op € 543,00.

2.30.

De vordering tot veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Nu het zogenaamde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven voorziet in een forfaitair tarief voor die kosten en de rechtbank dat tarief pleegt te volgen, zijn die kosten nu al te begroten. De rechtbank zal de nakosten toewijzen, zoals nader in het dictum wordt bepaald.

3 De voortgang van de procedure in de hoofdzaak

3.1.

Zoals overwogen is Eutrex bij vonnis van 9 oktober 2018 failliet verklaard. De gevolgen daarvan voor de conventie en reconventie zijn verschillend.

3.2.

De hoofdzaak in conventie tegen [gedaagde sub 4] en Bi-Log is geschorst op verzoek van deze partijen. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van 9 oktober 2019 om deze partijen de gelegenheid te geven de curator tot overneming van het geding op te roepen.

3.3.

In afwachting daarvan, zal iedere verdere beslissing in de hoofdzaak in conventie (ook die ten aanzien van de niet-verschenen gedaagden) worden aangehouden.

3.4.

Voor wat betreft de procedure in de hoofdzaak in reconventie geldt dat die op grond van artikel 29 Fw ambtshalve is geschorst om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie van de vordering betwist wordt. De reconventionele vordering van [gedaagde sub 4] betreft immers een vordering tot betaling van een factuur van 7 februari 2017. Het gaat dus om een vordering die is ontstaan vóór de faillietverklaring, en derhalve een vordering die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft, zoals bedoeld in artikel 26 en 29 Fw.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering zoals ingesteld tegen [gedaagde sub 5] in de hoofdzaak kennis te nemen,

4.2.

veroordeelt Eutrex in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde sub 5] tot op heden begroot op € 543,00,

4.3.

veroordeelt Eutrex in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 indien Eutrex niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan én betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden,

4.4.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het verzoek van Eutrex tot voeging af,

in de hoofdzaak

in conventie

4.6.

verwijst de zaak naar de rol van 9 oktober 2019 voor oproeping curator tot overneming van het geding door [gedaagde sub 4] en Bi-Log,

4.7.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

4.8.

schorst de procedure op grond van artikel 29 Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.1

1 type: SS coll: