Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:853

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
07-02-2019
Zaaknummer
C/03/259355 / KG ZA 19-16
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Geen juridische of feitelijke misslag, geen nieuwe feiten en geen noodtoestand. Medewerking aan plaatsing in intramurale zorgwoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/259355 / KG ZA 19-16

Vonnis in kort geding van 30 januari 2019

in de zaak van

de stichting

STICHTING MENTORSCHAP LIMBURG,

gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

eiseres,

advocaat mr. N.M.A. Deckers,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3],

allen wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. C.C. Berends.

Partijen zullen hierna SML, [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 januari 2019, met producties,

  • -

    de brief van 17 januari 2019 van SML, met productie,

  • -

    de brief van 22 januari 2019 van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 24 januari 2019, met de overlegde en tot en met de derde alinea van pagina 2 voorgedragen pleitaantekeningen van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 14 december 2017 heeft de kantonrechter in het belang van de gezondheid en het welzijn van [gedaagde sub 1] SML (vervangende) machtiging verleend om [gedaagde sub 1] in een 24-uurs zorgwoning te plaatsen.

2.2.

Het beroep van [gedaagde sub 1] tegen deze beschikking van de kantonrechter is door het Hof ’s-Hertogenbosch bij onherroepelijke beschikking van 4 oktober 2018 (productie 4 dagvaarding) afgewezen in zoverre dat het Hof op nieuw rechtdoend SML, althans de mentor, machtigt, om [gedaagde sub 1] te plaatsen bij een intramurale woonvoorziening van SGL te Zuid-Limburg, meer in het bijzonder de woonbegeleidingscentra te Heerlen, Geleen, Hoogveld, Doenrade en Broeksittard.

2.3.

SML heeft daarop een woonvoorziening voor [gedaagde sub 1] bij SGL Zuid-Limburg gerealiseerd, waar [gedaagde sub 1] op 7 of 8 januari 2019 zou kunnen intrekken. In samenwerking met de bewindvoerder van [gedaagde sub 1] is daartoe alles in gereedheid gebracht.

2.4.

[gedaagde sub 1] en haar twee meerderjarige inwonende kinderen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben op genoemde data zich verzet tegen de verhuizing van [gedaagde sub 1] door geen toegang te verschaffen tot hun woning te [woonplaats] .

3 Het geschil

3.1.

SML verzoekt de voorzieningenrechter verzoekt bij vonnis, zo ver mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. gedaagden te veroordelen om, ieder voor zich, de tenuitvoerlegging van de door het Hof ‘s-Hertogenbosch op 4 oktober 2018 verleende machtiging tot plaatsing van [gedaagde sub 1] in een intramurale woonvoorziening van SGL Zuid-Limburg, te dulden en gedogen en hun medewerking daaraan te verlenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat gedaagden hieraan niet of gebrekkig voldoen, met een maximum van
€ 30.000,00;

2. gedaagden te veroordelen om, ieder voor zich, eiseres en eventueel ingeschakelde professionele derden onbeperkt en zonder enige beperking de toegang tot de woning aan de [adres] te [woonplaats] te verschaffen, teneinde de machtiging van het Hof
‘s-Hertogenbosch van 4 oktober 2018 ten uitvoer te kunnen leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat gedaagden hieraan niet of gebrekkig voldoen, met een maximum van € 30.000,00;

3. het SML en eventueel ingeschakelde professionele derden toe te staan om, wanneer gedaagden niet vrijwillig uitvoering geven aan de veroordeling conform het onder 2 gevorderde, zich toegang te verschaffen tot de woning van gedaagden aan de [adres] te [woonplaats] , met het onder 2 genoemde doel;

4. SML te machtigen om zo nodig met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis en de tenuitvoerlegging van de beschikking c.q. machtiging van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 4 oktober 2018, te bewerkstelligen;

5. gedaagden hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis, wettelijke rente is verschuldigd;

6. gedaagden hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv tot een bedrag van € 131,00 zonder betekening, verhoogd met een bedrag van € 68,00 ingeval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na betekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd.

3.2.

SML legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 1] en de beide kinderen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] geen medewerking verlenen aan de verhuizing van [gedaagde sub 1] doordat zij SML, dan wel haar medewerkers, niet toelaat tot de woning om de verhuizing van [gedaagde sub 1] te bewerkstelligen, terwijl aan SML een rechterlijke machtiging is verleend.

SML stelt spoedeisend belang bij en recht op de gevraagde voorziening te hebben, omdat de intramurale woonruimte die nu ter beschikking is bij SGL te Geleen op korte termijn niet langer aan haar ter beschikking kan worden gesteld, als daarvan geen gebruik wordt gemaakt en het voorzien in nieuwe passende woongelegenheid veel tijd vergt, terwijl het in het belang van de gezondheid [gedaagde sub 1] is dat zij op korte termijn gebruik maakt van dergelijke (woon)zorg.

3.3.

[gedaagde sub 1] voert verweer en stelt dat er sprake is van nieuwe feiten, die ten tijde van de beslissing van het Hof niet zijn meegewogen en tot een andere oordeel dienen te leiden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in deze kwestie in wezen gaat om een executiegeschil omdat SML met de onderhavige vordering tenuitvoerlegging van de uitspraak van het hof van 4 oktober 2018 beoogt, tegen welke tenuitvoerlegging gedaagden zich verzetten.

4.2.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak, zoals in dit geval de beschikking van het hof ‘s-Hertogenbosch, slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat SML mede gelet op de belangen van [gedaagde sub 1] die door de ten uitvoerlegging zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het de executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien de tenuitvoerlegging op grond van na deze beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [gedaagde sub 1] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3.

Gedaagden hebben niet gesteld dat het hof een feitelijke of juridische fout heeft gemaakt noch is daarvan anderszins gebleken.

4.4.

In het kader van de nu gevoerde procedure kan niet opnieuw een weging van belangen plaatsvinden ter zake de vraag of [gedaagde sub 1] al dan niet intramurale verzorging behoeft. Daarvoor is tijdens het hoger beroep gelegenheid geweest. Dit is anders indien blijkt van nieuwe feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen ná de uitspraak van het Hof, waardoor (bovendien) een noodtoestand ontstaat.

4.5.

[gedaagde sub 1] voert aan dat ter verbetering van haar gezondheid en welzijn recent door een medewerker van SGL contact is opgenomen en een plan van aanpak is gemaakt. In het kader daarvan zijn afspraken met [gedaagde sub 1] gemaakt om naar de dagbesteding te gaan. Een eerste bezoek aan de dagbesteding is recent op korte termijn gepland. De noodzakelijke structuur – vier dagdelen activiteiten begeleiding – zal vanaf dat moment dan ook gewaarborgd zijn, hetgeen een nieuw feit is dat door het Hof niet is kunnen worden meegewogen.

4.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat feiten en omstandigheden die in de toekomst waarschijnlijk zullen staan te gebeuren geen feiten zijn die gewicht in de schaal leggen in een executiegeschil. Niet is gesteld, maar vooral is ook niet in te zien dat deze feiten een noodsituatie doen ontstaan voor [gedaagde sub 1] . De belangen van haar kinderen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] bij het behouden van woonruimte kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat reeds lang te voorzien was dat de woonsituatie van [gedaagde sub 1] zou gaan veranderen en dat dit consequenties voor de twee kinderen zou hebben.

4.7.

Andere verweren zijn door [gedaagde sub 1] niet gevoerd. De vordering jegens [gedaagde sub 1] moet dan ook worden toegewezen met dien verstande dat de voorzieningenrechter geen machtiging zal verlenen tot het inschakelen van de sterke arm, omdat de deurwaarder op grond van de wet- en regelgeving daartoe reeds bevoegd is. Er zijn termen om de gevorderde dwangsom te matigen, die wel per onderdeel van het dictum cumulatief wordt opgelegd.

4.8.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben geen juridisch relevante feiten, omstandigheden of argumenten naar voren gebracht voor zover hun medewerking aan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, die tot afwijzing van die vordering zouden kunnen leiden, zodat de vordering tegen hen kan worden toegewezen in overeenstemming met hetgeen in r.o. 4.7 is opgemerkt omtrent de sterke arm en de dwangsom.

4.9.

[gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zullen als de in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk, worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden aan de zijde van SML begroot op € 1.704,21 (€ 85,21 aan explootkosten, € 639,00 aan griffierechten en € 980,00 aan salariskosten advocaat).

De nakosten en rente worden toegewezen als in het dictum.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] om, ieder voor zich, de tenuitvoerlegging van de door het hof ‘s-Hertogenbosch op 4 oktober 2018 verleende machtiging tot plaatsing van [gedaagde sub 1] in een intramurale woonvoorziening van SGL Zuid-Limburg, te dulden en gedogen en hun medewerking daaraan te verlenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat zij hieraan niet of gebrekkig voldoen, met een maximum van € 15.000,00,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] om, ieder voor zich, eiseres en eventueel ingeschakelde professionele derden onbeperkt en zonder enige beperking de toegang tot de woning aan de [adres] te [woonplaats] te verschaffen, teneinde de machtiging van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 4 oktober 2018 ten uitvoer te kunnen leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat zij hieraan niet of gebrekkig voldoen, met een maximum van
€ 15.000,00;

5.3.

staat het SML en eventueel ingeschakelde professionele derden toe om, wanneer [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet vrijwillig uitvoering geven aan de veroordeling conform het onder 2 gevorderde, zich toegang te verschaffen tot de woning van gedaagden aan de [adres] te [woonplaats] , met het onder 2 genoemde doel;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, in de zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure ad € 1.704,21, en bepaalt dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van dit vonnis, wettelijke rente is verschuldigd;

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , hoofdelijk, in de zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv tot een bedrag van € 157,00 zonder betekening, verhoogd met een bedrag van € 82,00 ingeval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van dit vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis wettelijke rente is verschuldigd;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: