Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8403

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
19/335
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klaagschrifprocedure ex art. 552a Sv n.a.v. een Europees Onderzoeksbevel (EOB).

Klager verzoekt de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank om teruggave van goederen die in het kader van een EOB in beslag zijn genomen. De buitenlandse autoriteit heeft de geheimhoudingsplicht van het EOB niet opgeheven. De officier van justitie heeft het EOB dan ook niet aan klager willen verstekken. De rechtbank heeft toepassing gegeven aan art. 23 lid 6 Sv om het beklag te beoordelen en komt tot een ongegrondverklaring wegens het aanwezige strafvorderlijke belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Rekestnummer : 19/335

PV-nummer : 2018192129

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Limburg op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager] (de klager),

geboren op [geboortedatum] 1979,

woonplaats kiezende te [plaats] aan de [adres] ,

ten kantore van zijn raadsman, mr. A.D. Kloosterman.

1 De inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de onderstaande goederen, die in het kader van een Europees Onderzoeksbevel (EOB), onder de klager zijn inbeslaggenomen op 12 december 2018.

- Mobiele telefoon van het merk Nokia BA168C.2101;

- Mobiele telefoon van het merk Samsung BA168C.2201;

- Mobiele telefoon van het merk Alcatel BA168C.3101;

- Twee passen (1 RIA en 1 Western Union) BA168C.2103;

- Diverse bescheiden BA168C.2104.

2 De procesgang

Het klaagschrift is op 21 februari 2019 ter griffie van deze rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft het klaagschrift, na aanhouding van 12 maart 2019, op 14 mei 2019 in openbare raadkamer, gelijktijdig met het klaagschrift van [klaagster] (rekestnummer 19/334) behandeld. Bij deze gelegenheid zijn gehoord de officier van justitie en de waarnemend raadsvrouw van de klager, mr. H.A.F.C. Tack. De klager is –hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen- niet verschenen.

3 De standpunten van de klager

De waarnemend raadsvrouw van de klager heeft in de raadkamer aan de officier van justitie verzocht om de stukken met betrekking tot het EOB te verstrekken. De raadsvrouw twijfelt aan de rechtmatigheid van de inbeslagname maar kan zonder deze stukken dit niet toetsen. Indien de stukken niet verstrekt mogen worden aan de raadsvrouw en de verdachte, verzoekt de raadsvrouw om deze wel aan de rechtbank te verstrekken zodat deze kan beoordelen of er een strafvorderlijk belang is.

4 De standpunten van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in raadkamer te kennen gegeven dat de stukken van het EOB inderdaad niet verstrekt mogen worden aan de raadsvrouw en de klager.

Op basis van art. 23, zesde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dient de kennisneming van deze stukken achterwege te blijven nu het belang van het onderzoek zich hier tegen verzet. De Belgische autoriteiten hebben verzocht om de stukken van het EOB niet te verstrekken en hier dient, in het kader van de wederzijdse erkenning van de lidstaten van de Europese Unie, dan ook gehoor aan te worden gegeven. De officier van justitie is wel bereid om de stukken ter beoordeling aan de rechtbank voor te leggen of er inderdaad een strafvorderlijk belang is dat zich verzet tegen teruggave van de goederen.

5 De beoordeling door de rechtbank

5.1

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen, nu de inbeslagneming binnen haar arrondissement heeft plaatsgevonden.

5.2

De ontvankelijkheid van het beklag

Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen de bij artikel 552a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn. Klager is derhalve ontvankelijk in zijn beklag.

5.3

De inhoudelijke beoordeling

5.3.1.

De vaststelling van de feiten

Klager wordt door de Belgische autoriteiten verdacht van handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie. In het kader van deze verdenkingen, die bij klager bekend zijn, hebben de Belgische autoriteiten een EOB uitgevaardigd. In het kader hiervan zijn bovengenoemde goederen in beslag genomen.

5.3.2

De derde belanghebbende

De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan de klager als belanghebbende moet worden aangemerkt.

Hiervan is de rechtbank niet gebleken.

5.3.3

De toetsing

In dit geval is er sprake van een beklag van de beslagene tegen een beslag dat is gelegd op grond van een EOB, afkomstig van de Belgische autoriteit, en dient de rechtbank

  1. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,

  2. de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen te gelasten aan de klager (zijnde de beslagene), tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de klager ongegrond worden verklaard.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door voornoemd artikel 94 beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave, indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen zal bevelen. Nu de goederen in beslag zijn genomen op grond van een EOB, dient de rechtbank bij de beoordeling of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, in aanmerking te nemen dat het strafvorderlijk belang niet beperkt is tot het Nederlandse strafvorderlijke belang.

In artikel 19 van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, is bepaald dat de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van de inhoud van het EOB dient te garanderen. Om toch de – zij het zeer summiere – toetsing van de rechtmatigheid van het beslag en het strafvorderlijk belang bij de handhaving van het beslag te kunnen verrichten, heeft de rechtbank kennis genomen van het EOB met toepassing van het bepaalde in artikel 23 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering.

Na kennisname van het EOB oordeelt de rechtbank als volgt.

De onder klager inbeslaggenomen goederen vallen onder de reikwijdte van het EOB. Gelet op de overige inhoud van het EOB is eveneens voldoende gebleken van een strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag, nu de inbeslaggenomen goederen kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding.

De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het klaagschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P.A. Bisscheroux, rechter, in tegenwoordigheid van

C.W.P. Huntjens, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van

28 mei 2019.1

1 Tegen deze beschikking staat voor de klager beroep in cassatie open bij de Hoge Raad, in te stellen bij deze rechtbank binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking.