Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8349

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
03.054484.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zedenzaak. Seksueel misbruik gepleegd door grootvader

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03.054484.19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 september 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1959,

wonende te [adres] ,

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J. Patelski, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 september 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zijn kleindochter [slachtoffer] , die nog geen twaalf jaren oud was, meermalen seksueel heeft misbruikt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde, op enkele onderdelen na, wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft meermalen seksuele handelingen gepleegd met zijn kleindochter [slachtoffer] , welke handelingen mede vallen onder het begrip seksueel binnendringen van het lichaam. [slachtoffer] heeft hierover een verklaring afgelegd en de verdachte heeft het misbruik grotendeels bij de politie bekend. Niet alle seksuele handelingen die in de tenlastelegging zijn opgenomen kunnen bewezen worden. Zo kan niet worden bewezen dat de verdachte zijn vingers en een vibrator in de vagina van [slachtoffer] heeft gebracht. Dat moet leiden tot een gedeeltelijke vrijspraak. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat de tenlastegelegde periode verkort dient te worden, omdat [slachtoffer] heeft aangegeven dat de handelingen voor het eerst hebben plaatsgevonden toen zij acht jaren oud was en [slachtoffer] is op 11 mei 2017 acht jaar geworden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging is met de officier van justitie van oordeel dat enkele onderdelen van het tenlastegelegde niet bewezen kunnen worden, nu de verdachte nadrukkelijk ontkent deze handelingen te hebben gepleegd. Ook de raadsman bepleit dat de periode waarin de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden verkort dient te worden, maar dan van begin 2018 tot het einde van de zomer van 2018.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde, op enkele onderdelen na, wettig en overtuigend bewezen en overweegt hiertoe het volgende.

Op 7 januari 2019 heeft de verdachte zich gemeld aan de balie van het politiebureau te Heerlen met de mededeling dat hij zichzelf kwam aangeven, omdat hij zijn kleindochter had misbruikt. De verdachte verklaarde dat hij meerdere malen aan zijn inmiddels 9-jarige kleindochter [slachtoffer] had gezeten. De handelingen zouden in ieder geval één keer hebben plaatsgevonden in de zomer van 2018.2 De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij de vagina en de ‘kietelaar’ van [slachtoffer] heeft gestreeld en dat dit ongeveer vier of vijf keren is gebeurd.3 Hij geeft aan dat hij hierbij met zijn vingers tussen de schaamlippen van [slachtoffer] is geweest.4

Dat de verdachte zich meldde bij de politie kwam doordat [slachtoffer] tegen een vriendinnetje had verteld dat haar opa haar “gevingerd” had. Dit bericht is via de ouders van dat vriendinnetje op 23 november 2018 bij de ouders van [slachtoffer] terecht gekomen, waarna zij de verdachte hiermee geconfronteerd hebben. Uiteindelijk heeft de moeder van [slachtoffer] namens haar dochter aangifte gedaan tegen verdachte.5 [slachtoffer] is gehoord door de politie. Zij heeft een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd. [slachtoffer] heeft verklaard dat haar opa “aan plekjes zit waar het niet mag en waar het vies is”.6 Zij vertelde dat hij zijn vinger in haar vagina deed, dat hij dan steeds op en neer ging met zijn vinger en dat zij dan pijn voelde en hem wegduwde. [slachtoffer] gaf aan dat ze niet meer weet hoe vaak dit gebeurd is, maar dat het in ieder geval twee keer op de bank, twee keer boven in bed en één keer bij haar oom [naam] thuis is gebeurd.7 [slachtoffer] gaf aan dat het begon toen zij acht jaar oud was.8

De verdachte is ter terechtzitting deels teruggekomen op de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd, maar de rechtbank houdt hem daar wel aan. Deze verklaringen zijn immers kort na het tenlastegelegde feit afgelegd. Bij de politie heeft de verdachte zowel op 8 januari 2019 als op 21 januari 2019 hetzelfde verklaard. De verdachte gaf ter terechtzitting aan dat hij het allemaal niet meer zo goed wist.

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen bewezen dat de verdachte zijn vingers tussen de schaamlippen van [slachtoffer] heeft gebracht, over haar clitoris heeft gewreven en dat hij haar vagina heeft betast en gestreeld. Dit betekent op grond van vaste jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2010:BK6910) dat de verdachte seksueel is binnengedrongen in het lichaam van [slachtoffer] , zodat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Deze handelingen hebben meerdere malen plaatsgevonden. De rechtbank volgt de officier van justitie in haar standpunt dat de periode van de tenlastelegging verkort dient te worden tot 11 mei 2017 tot en met 23 november 2018. [slachtoffer] heeft verklaard dat de handelingen hebben plaatsgevonden vanaf het moment dat zij acht jaren was en zij heeft op 11 mei 2017 de leeftijd van acht jaren bereikt. Een verdere beperking van de periode, zoals de raadsman heeft bepleit, acht de rechtbank niet aan de orde.

In het licht van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, zal de rechtbank de verdachte van een deel van de ontuchtige handelingen vrijspreken. Behalve de verklaring van [slachtoffer] bevat het dossier immers geen bewijsmiddelen voor het plegen van deze handelingen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

primair

in de periode van 11 mei 2017 tot en met 23 november 2018 in de gemeente Heerlen,

meermalen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte:

- zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en over haar clitoris gewreven en

- de vagina van die [slachtoffer] betast en gestreeld

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast moeten aan de verdachte bijzondere voorwaarden worden opgelegd, zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het geadviseerde contactverbod. De officier van justitie heeft bij haar eis acht geslagen op de richtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert voor soortgelijke delicten. Voorts heeft de officier van justitie rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte, de inhoud van het reclasseringsrapport, de houding van de verdachte en de wensen van het slachtoffer.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft geen strafmaatverweer gevoerd en aangegeven dat hij zich wel kan vinden in de eis van de officier van justitie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft ontucht gepleegd met zijn minderjarige kleindochter [slachtoffer] . De ontuchtige handelingen hebben meerdere keren plaatsgevonden in een periode waarin [slachtoffer] nog maar acht of negen jaren oud was. In die periode verbleef [slachtoffer] twee dagen per week bij haar opa. De woning van verdachte was voor [slachtoffer] dan ook bekend terrein, een plek waar zij zich juist veilig en thuis moest kunnen voelen. Zowel verdachte als de moeder van [slachtoffer] hebben aangegeven dat verdachte en [slachtoffer] samen “twee handen op één buik” waren. Er was sprake van een nauwe band, een grote genegenheid en een vertrouwensrelatie tussen de verdachte en zijn kleindochter. De verdachte heeft misbruik gemaakt van deze genegenheid en het vertrouwen van de kleine [slachtoffer] . De verdachte heeft door zijn gedragingen zowel het vertrouwen dat in hem als opa was gesteld als de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden en dit neemt de rechtbank hem zeer kwalijk. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat het plegen van ontucht ook op lange termijn ernstige schade kan opleveren aan zowel de geestelijke gezondheid als de seksuele ontwikkeling van het slachtoffer. [slachtoffer] lijkt zich, ondanks haar jonge leeftijd, goed te realiseren wat opa met haar gedaan heeft en het is te hopen dat zij hier geen schade op lange termijn aan zal overhouden. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden voor dergelijke feiten op zijn plaats.

Aan de andere kant heeft de rechtbank ter terechtzitting gezien wat deze strafzaak met de verdachte heeft gedaan. De verdachte was zeer emotioneel, mist zijn kleindochter en heeft enorme spijt van zijn daden. De reclassering geeft in haar rapport aan dat het feit een enorme impact heeft gehad op het leven van verdachte. Zijn vrouw is van hem gescheiden, hij heeft geen contact meer met zijn familie en vrienden en hij is (noodgedwongen) verhuisd naar een geheel nieuwe omgeving elders in het land, waar hij probeert een nieuw leven op te bouwen. Ook heeft de verdachte vrijwillig hulp gezocht en is hij sinds kort onder behandeling bij

FPP de Horst. De verdachte neemt verantwoordelijkheid voor zijn daden en is volgens de reclassering gemotiveerd om zijn leven te beteren. Ook hier houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening mee. Ten slotte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte geen strafblad heeft.

De reclassering heeft aangegeven dat een voorwaardelijke straf en langdurige hulpverlening passend is. Daarom luidt het advies: een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling en daarnaast een contactverbod met [slachtoffer] . De ambulante behandeling is reeds gestart bij FPP de Horst.

De officier van justitie heeft een geheel voorwaardelijke straf gevorderd en zij heeft bij het bepalen van deze strafmodaliteit ook rekening gehouden met de uitdrukkelijke wens van (de ouders van) [slachtoffer] . De moeder van [slachtoffer] heeft aangegeven dat zij wil dat haar vader hulp krijgt en niet dat hij een onvoorwaardelijke gevangenis moet ondergaan. De reclassering adviseert ook negatief over een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ondanks de ernst van het feit, gezien de ingrijpende gevolgen daarvan voor de verdachte en zijn proceshouding, met onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen redelijk strafdoel meer is gediend. De verdachte en de maatschappij zijn wel gebaat bij hulp en begeleiding voor de verdachte, zoals geadviseerd is door de reclassering. De verdachte lijkt de goede weg ingeslagen te zijn en probeert zijn leven weer op de rit te krijgen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit traject doorkruisen. De rechtbank acht de strafeis van de officier van justitie daarom passend. Dit betekent dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren en dat hij zich houden moet aan de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod. De ouders van [slachtoffer] hebben aangegeven dat zij [slachtoffer] de mogelijkheid willen geven om zelf weer contact met haar opa op te nemen zodra zij daar behoefte aan heeft. Een formeel contactverbod vinden zij niet nodig, zolang de verdachte zelf maar geen contact met hen opneemt. De rechtbank zal de familie van [slachtoffer] volgen in dit verzoek.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 244 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde feit bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. De veroordeelde meldt zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis telefonisch bij Reclassering Nederland, locatie Roermond, telefoonnummer 088 8041501. De veroordeelde blijft zich hierna melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren en houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering;

  2. De veroordeelde blijft in behandeling bij FPP de Horst of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde moet zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, ook als dit inhoudt dat hij medicijnen moet innemen;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux en

mr. C.C.W.M. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Muijlkens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 september 2019.

Buiten staat

Mr. C.C.W.M. Aretz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging, ten laste gelegd dat

primair:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 23 november 2018 in de gemeente Heerlen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte, (telkens)

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of over haar clitoris gewreven en/of

- een vibrator in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- de vagina van die [slachtoffer] betast en/of gestreeld;

( art 244 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 23 november 2018 in de gemeente Heerlen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte, (telkens) de vagina van die [slachtoffer] betast en/of gestreeld,
( art 247 Wetboek van Strafrecht )

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Regionale Recherche, Afdeling Thematische Opsporing, Team Zeden, proces-verbaalnummer 2019003396, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 66.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 6.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 51 en 52.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 54

5 Het proces-verbaal van aangifte namens [slachtoffer] , dossierpagina 20.

6 Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het studioverhoor, dossierpagina 31.

7 Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het studioverhoor, dossierpagina 32.

8 Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het studioverhoor, dossierpagina 34.