Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8178

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1213u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg (GS) om een subsidie gevraagd. GS heeft de subsidie verleend onder een aantal ontbindende voorwaarden en bepalingen. GS heeft de subsidie ingetrokken voordat de subsidie is vastgesteld. Omdat eiseres ten minste één ontbindende voorwaarde of bepaling niet heeft nageleefd, kon GS hiertoe overgaan. Omdat niet is gebleken van omstandigheden die de intrekking van de subsidieverlening op deze grond onredelijk maken, integendeel zelfs, gebleken is dat het perceel en project waarvoor de subsidie is verleend met veel winst zijn verkocht, mocht verweerder de subsidieverlening in alle redelijkheid intrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1213

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2019 in de zaak tussen

Woger Trading International B.V., statutair gevestigd in Venray, eiseres

(gemachtigde: mr. H.W. Dekker),

en

Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder

(gemachtigde: mr. R.G.J. Gehring).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres bij besluit van 7 februari 2017 verleende subsidie ingetrokken.

Bij besluit van 10 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en

[naam 2].

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. Bij brief van 2 november 2016 heeft eiseres, ook namens VidaXL B.V., een subsidieaanvraag bij verweerder ingediend ten behoeve van het project Nieuwbouw VidaXL DC Venlo. VidaXL is een internationale online retailer die alles aanbiedt voor huis, tuin, garage en klussen. Eiseres heeft de subsidie gevraagd om een distributiecentrum van 90.000 m2 op een perceel van 145.082 m2 op Trade Poort Noord in Venlo te kunnen realiseren. Dit is blijkens de aanvraag nodig om de (Europese) groei van VidaXL te kunnen faciliteren. Eiseres heeft aangegeven dat het distributiecentrum na afronding van het project minimaal tien jaar door VidaXL zal worden gebruikt en dat dit in beginsel als eigenaar zal zijn. Eiseres verwacht 225 mensen boven op de eigen 80 medewerker van een vaste baan te kunnen voorzien en boven op de 135 uitzendkrachten 330 uitzendkrachten werkgelegenheid te kunnen bieden. Eiseres heeft de projectperiode bepaald op 1 december 2016 tot

1 december 2018. De totale investeringen heeft eiseres begroot op een bedrag van

€ 47.909.212,-. Eiseres vraagt een bedrag van € 1.800.000,- aan subsidie om de financiering rond te kunnen krijgen.

2. Bij besluit van 7 februari 2017 (het subsidieverleningsbesluit) heeft verweerder eiseres subsidie verleend voor maximaal het gevraagde bedrag. Verweerder heeft de subsidie verleend onder toepassing van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening EU nr 651/2014 van 17 juni 2014) (AGVV). Deze verordening vereist dat de subsidie een stimulerend effect heeft en volgens verweerder ook dat geen vervreemding tijdens de projectperiode plaatsvindt van het met steun gerealiseerde. Op de aanvraag heeft verweerder de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg (ASV) en de Nadere subsidieregels ter bevordering van de economie en concurrentiekracht 2013 en volgende van toepassing geacht. Verweerder heeft nadrukkelijk een aantal ontbindende voorwaarden en bepalingen aan de subsidieverlening in het besluit opgenomen. Verweerder heeft onder meer bedongen dat het distributiecentrum niet gedurende de looptijd van het project mag worden vervreemd. Gebeurt dit laatste wel zal verweerder de verleende subsidie moeten terugvorderen, zo staat in het besluit. De nieuwbouw mag binnen een periode van 10 jaar na realisatie ook niet worden vervreemd of verhuurd, tenzij verweerder hiervoor uitdrukkelijk toestemming verleent.

3. In een publicatie in de media van 5 mei 2017 is te lezen dat VidaXL middels een ‘sale-and-leaseback overeenkomst’ het nieuwbouwproject VidaXL aan Deka Immobilien GmbH (Deka) verkoopt. Bij brief van 16 mei 2017 heeft verweerder eiseres per omgaande verzocht om een schriftelijke reactie, onder vermelding van de verplichting en ontbindende voorwaarde over vervreemding in het subsidieverleningsbesluit. Bij brief van

20 september 2017 heeft eiseres gereageerd. Eiseres heeft verweerder laten weten dat Klaver IV Development B.V. (Klaver) begin 2017 eigenaar is geworden van het perceel en daarop een distributiecentrum met parkeerplaatsen gaat realiseren. Daarnaast is in de brief te lezen dat tussen Klaver en Deka een ‘turn key koopovereenkomst’ tot stand is gekomen. Het perceel en het daarop te realiseren distributiecentrum en alle bij- en aanhorigheden zullen worden overgedragen aan Deka. De levering wordt voorzien in 2018. Verder heeft eiseres aangegeven dat Klaver met Haba Trading B.V. op 5 mei 2017 een huurovereenkomst is aangegaan met betrekking tot het te realiseren distributiecentrum en daarmee al is begonnen. Geregeld is dat het distributiecentrum gedurende tien jaar in gebruik wordt genomen voor de e-commerce-activiteiten van VidaXL. De realisatie van het distributiecentrum is voorzien voor het laatste kwartaal van 2017. De huurovereenkomst zal daarom ingaan op

1 december 2017. Eiseres verzoekt verweerder alsnog met de ‘sale-and-leasebackconstructie’ in te stemmen.

De besluiten

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aan eiseres verleende subsidie vervolgens ingetrokken. Grondslag daarvoor heeft verweerder gevonden in artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Awb. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres zich niet geconformeerd heeft aan expliciet in het subsidieverleningsbesluit opgenomen ontbindende voorwaarden en verplichtingen.

5. In navolging van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften Provincie Limburg heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de koopovereenkomst met Deka is getekend waardoor vervreemding zal plaatsvinden. Eiseres heeft verzuimd verweerder vooraf toestemming te vragen voor de vervreemding. Verweerder geeft geen toestemming voor de verkoop.

Het beroep

6. Eiseres voert aan dat het doel van de subsidie is gewaarborgd en verweerder de verleende subsidie daarom niet geheel kan intrekken. Eiseres voert verder aan dat zij de subsidieverplichtingen wel heeft nageleefd. Zij stelt zelf verweerder te hebben geïnformeerd over de sale-and-lease-backconstructie en de juridische levering aan Deka. Eiseres acht de intrekking van de subsidieverlening te voorbarig, omdat nog geen sprake was van vervreemding.

6.1.

Eiseres neemt het standpunt in dat er wel nog sprake is van een stimulerend effect. Zij verwijst naar artikel 6 van de AGVV.

6.2.

Eiseres acht de intrekking van de subsidieverlening onevenredig en in strijd met zijn beleid. Zij verwijst naar de Beleidsregels sanctie- en handhavingsbeleid bij subsidies 2017 en voert aan dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan zijn beleid. Daarbij heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt, dan wel niet alle belangen bij de afweging heeft betrokken.

Juridisch kader

7. In artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Awb is bepaald dat zolang de subsidie niet is vastgesteld het bestuursorgaan de subsidieverlening kan intrekken indien

de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen dan wel de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid.

De beoordeling

8. In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken naar voren is gekomen dat eiseres begin 2017 het perceel reeds heeft vervreemd door het over te dragen aan Klaver, net als eiseres een dochteronderneming van Haba Holding B.V.. Het is de rechtbank niet gebleken dat de subsidieverlening is overgegaan op Klaver. Deze vervreemding heeft verweerder echter niet betrokken in de thans voorliggende besluitvorming, zodat de rechtbank volstaat met deze constatering.

9. De rechtbank overweegt vervolgens dat eiseres tegen het subsidieverleningsbesluit geen rechtsmiddel heeft aangewend. Dit betekent dat de ontbindende voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidieverlening zijn verbonden, in rechte vaststaan.

10. De rechtbank is van oordeel dat gedurende de looptijd van het project vervreemding heeft plaatsgevonden. De looptijd van het project duurde tot 1 december 2018, zo volgt uit de subsidieaanvraag die eiseres heeft ingediend en het subsidieverleningsbesluit. Gedurende de looptijd van het project is dit verkocht aan Deka, een derde-partij. Dat geen vervreemding mocht plaatsvinden is als ontbindende voorwaarde opgenomen in het subsidieverleningsbesluit. Nu eiseres niet overeenkomstig deze voorwaarde heeft gehandeld, heeft verweerder reeds hierom de subsidie kunnen intrekken. Indien eiseres het niet eens was met deze ontbindende voorwaarde, had zij rechtsmiddelen moeten aanwenden tegen het subsidieverleningsbesluit. Desgevraagd verklaarde eiseres ter zitting dat zij dit niet heeft gedaan, omdat de ontwikkelfase van het project een drukke periode was, waarbij enkele formele zaken erbij ingeschoten zijn. Wat hier ook van zij, het neemt niet weg dat de ontbindende voorwaarden, die verweerder heeft verbonden aan de subsidieverlening, in rechte vaststaan en dat eiseres niet overeenkomstig de voorwaarden heeft gehandeld. De stelling van eiseres dat zij verweerder om toestemming heeft verzocht, brengt geen verandering in het oordeel van de rechtbank. Het vragen van toestemming laat immers onverlet dat de vervreemding binnen de projectperiode heeft plaatsgevonden en dat mocht volgens de voorwaarden die verweerder aan de subsidieverlening heeft verbonden in elk geval niet. Daarnaast heeft eiseres pas achteraf – nadat de overeenkomst met Deka was gesloten – mededelingen hierover gedaan aan verweerder. Daarbij komt dat verweerder gemotiveerd naar voren heeft gebracht dat, ook als eiseres vooraf om instemming had gevraagd, verweerder deze niet had verleend.

11. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt, slaagt niet. De ontbindende voorwaarden in het subsidieverleningsbesluit zijn helder geformuleerd en nu is gehandeld in strijd met (in elk geval) één van de ontbindende voorwaarden, kon verweerder besluiten tot intrekking van de subsidieverlening over te gaan. Verweerder heeft in het subsidieverleningsbesluit opgenomen dat als eiseres niet voldoet aan de ontbindende voorwaarde waaraan zij niet heeft voldaan, hij de subsidieverlening intrekt. Verder heeft verweerder eiseres al voorafgaande aan de subsidieverlening laten weten hoe belangrijk de niet nagekomen ontbindende voorwaarde voor verweerder is. Niet is gebleken van omstandigheden die de intrekking van de subsidieverlening op deze grond onredelijk maakt. Integendeel zelfs. Uit het dossier blijkt en dit is ter zitting zijdens eiseres bevestigd, dat het perceel en project Nieuwbouw VidaXL met veel winst zijn verkocht. Verweerder mocht de subsidieverlening dan ook in alle redelijkheid intrekken.

Hetgeen eiseres overigens nog heeft aangevoerd, doet niet af aan het gegeven dat in strijd met een ontbindende voorwaarde is gehandeld.

12. Uit voorgaande overwegingen volgt dat verweerder op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb bevoegd was tot intrekking van de subsidie over te gaan en daartoe mocht overgaan. Verweerder heeft eveneens het bepaalde in artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb aan de intrekking ten grondslag gelegd. Aangezien de intrekking op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb in rechte standhoudt, is het niet nodig tevens een oordeel te geven over de andere door verweerder genoemde intrekkingsgrondslag.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzitter, mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr. P.J.M. Bruijnzeels, leden, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.