Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8173

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-07-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
C/03/265473 / JE RK 19-1485
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 1:259 BW, vervanging gecertificeerde instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

Zaakgegevens : C/03/265473 / JE RK 19-1485

datum uitspraak: 8 juli 2019

beschikking vervanging gecertificeerde instelling

in de zaak van

[verzoekster] ,

hierna te noemen de moeder,

wonend te [woonplaats 1], [gemeente],

advocaat: mr. C.J.M. Dreessen, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

betreffende de minderjarige

[minderjarige] , geboren op [2015] te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam,

[belanghebbende 1] ,

hierna te noemen de vader,

wonend te [woonplaats 2],

advocaat: mr. I. Ligtelijn-Huisman, gevestigd te Roermond,

[belanghebbende 2] ,

en

[belanghebbende 3] ,

hierna samen te noemen de pleegouders,

wonend te [woonplaats 1], [gemeente].

1 Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 14 juni 2019, ingekomen bij de griffie op 14 juni 2019;

- de akte met bijlagen van de moeder van 19 juni 2019, ingekomen bij de griffie op 19 juni 2019;

- de e-mail van de GI met bijlage, ingekomen op 24 juni 2019;

- de pleitaantekeningen van de vader, zoals voorgedragen en overgelegd ter zitting.

Op 25 juni 2019 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Dreessen,

- de vader, bijgestaan door mr. Ligtelijn-Huisman,

- de pleegouders.

De GI, hoewel behoorlijk opgeroepen, is met bericht niet ter zitting verschenen.

2 De feiten

Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. [minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

Bij beschikking van 3 juni 2019 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, aldus tot 4 juni 2020. Voorts is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van de familie [belanghebbende 2 en 3] voor de termijn van zes maanden verlengd, aldus tot 4 december 2019.

3 Het verzoek

De moeder verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, te vervangen door een andere door de rechtbank te bepalen gecertificeerde instelling, met veroordeling van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

Volgens de moeder is er een onwerkbare situatie ontstaan met de GI. Zij stelt daartoe het volgende. De wijze waarop de GI de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing uitvoert, is niet in het belang van [minderjarige] en voldoet niet aan de eisen die aan een gecertificeerde instelling mogen worden gesteld. De moeder en de pleegouders hebben het vertrouwen in de GI verloren aangezien de GI de wet niet naleeft en handelt zoals het haar goeddunkt. De GI heeft op 2 mei 2019 het pleegzorgcontract met de pleegouders opgezegd en op 3 mei 2019, zonder de daartoe benodigde rechterlijke toestemming, [minderjarige] rauwelijks uit haar vertrouwde omgeving weggehaald en in een ander pleeggezin geplaatst. Daarbij heeft de GI eenzijdig besloten de omgang tussen de moeder en [minderjarige] te beperken en in [woonplaats 2] in plaats van bij moeder thuis te [woonplaats 1] te laten plaatsvinden, terwijl zij wist dat de moeder gelet op haar financiële situatie de nieuwe regeling niet zou kunnen nakomen. De GI heeft zich verder niet gehouden aan de uitspraken van de rechtbank van 3 juni 2019 ter zake de verlenging van de uithuisplaatsing bij de pleegouders en van 4 juni 2019 ter zake de terugplaatsing van [minderjarige] binnen 24 uur bij pleegouders en de verplichting de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] na te komen. Verder heeft de GI een aantal keren buitengewoon onzorgvuldig gehandeld door de rechtbank onjuist voor te lichten, de stukken/verzoeken chaotisch en te laat bij de rechtbank in te dienen en tot tweemaal toe data te lekken. Bij de moeder en de pleegouders is twijfel gerezen over hoe de GI met vertrouwelijke documenten omgaat. Ze hebben daarnaast het gevoel dat de GI niet objectief dan wel vooringenomen is jegens hen. Dit gevoel wordt onder meer versterkt door het (spoed)verzoek dat de GI op 6 juni 2019 heeft gedaan om [minderjarige] voortaan 24/7 bij de vader te laten verblijven, terwijl kort daarvoor nog werd gesteld dat er te weinig zicht op de capaciteiten van de vader zou zijn, en het op oneigenlijke gronden opzeggen van het pleegzorgcontract met de pleegouders.

4 De standpunten van belanghebbenden

De vader voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat er geen gegronde redenen zijn om de GI te vervangen door een andere instelling. Het belang van [minderjarige] is daarmee ook niet gediend. [minderjarige] is al de dupe geworden van de overschrijding van een redelijke termijn voor onderzoek naar de opvoedingscapaciteiten van de ouders door de GI, de vele wisselingen van gezinsvoogdijwerkers en het juridisch steekspel dat gaande is. Uit het onderzoek van de GI is inmiddels gebleken dat er geen perspectief is op (thuis)plaatsing van [minderjarige] bij de moeder, wat de moeder kennelijk niet kan verdragen en waardoor de GI kennelijk niet deugt. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk bij hem kan worden geplaatst. Ook met het oog op de aanmelding bij de basisschool is voortvarendheid geboden. Vervanging van de GI zou betekenen dat er weer vertraging optreedt en dat is niet in het belang van [minderjarige]. De vader betreurt het dat de GI juridische steken heeft laten vallen, maar is het niet eens met de stelling van de moeder dat er sprake zou zijn van vooringenomenheid door de GI dan wel van een onwerkbare situatie. Hij ervaart de GI als betrouwbaar en integer. De GI heeft getracht de belangen van [minderjarige] zoveel mogelijk voorop te stellen. De GI is bovendien zeer goed toegerust om mensen met een beperking, zoals de ouders, te begeleiden en bovendien is [minderjarige] gewend aan de gezinsvoogdijwerker. De vader betreurt het dat hij iedere keer hoge kosten moet maken doordat de moeder blijft doorprocederen. Voor zover de rechtbank een kostenveroordeling uitspreekt tegen de GI in het voordeel van de moeder, is de vader van mening dat hij ook voor een kostenveroordeling in aanmerking komt.

De pleegouders hebben ter zitting aangegeven achter het verzoek van de moeder te staan. De GI “meet met twee maten” en houdt zich niet aan de wettelijke regels. Het vertrouwen in de GI is helemaal weg. Indien een nieuwe gecertificeerde instelling zou worden benoemd, gaat de voorkeur van de pleegvader niet uit naar het Leger des Heils gelet op eerdere ervaringen met collecte aan de deur.

De GI heeft geen verweer gevoerd. In haar voormelde e-mail schrijft de GI onder meer dat zij het, gezien de tussen haar en de moeder en de pleegouders ontstane situatie, in het belang van [minderjarige] vindt als de GI wordt vervangen door een andere gecertificeerde instelling

5 De beoordeling

Gelet op het bepaalde in artikel 1:259 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank de gecertificeerde instelling die belast is met de ondertoezichtstelling over de minderjarige, vervangen door een andere gecertificeerde instelling op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.

Vervanging kan blijkens de toelichting wanneer de verhoudingen tussen de gecertificeerde instelling en de betrokkenen dermate slecht zijn dat het belang van het kind vereist dat een andere gecertificeerde instelling wordt benoemd.

De rechtbank overweegt het volgende. De GI heeft jegens de belanghebbenden en [minderjarige] laakbaar gehandeld door, alvorens [minderjarige] te verplaatsen van de pleegouders naar een neutraal pleeggezin, niet de benodigde toestemming (op grond van artikel 1:265i BW) aan de kinderrechter te vragen voor wijziging in het verblijf van [minderjarige] en voorts door de beschikking van de kinderrechter van 3 juni 2019 en het vonnis van de voorzieningenrechter van 4 juni 2019 naast zich neer te leggen en [minderjarige] pas op 6 juni 2019 (in de avond), nadat het spoedverzoek op grond van artikel 1:265i BW was afgewezen, terug te brengen naar de pleegouders. Daarbij heeft de GI, zoals blijkt uit voormeld vonnis van de voorzieningenrechter van 4 juni 2019, bij haar beslissing tot beperking van de contacten tussen de moeder en [minderjarige] niet zorgvuldig gehandeld. De GI heeft immers niet toegelicht hoe dit handelen zich verhoudt tot de reeds uitgezette lijn, waarbij rust en stabiliteit voor [minderjarige] centraal staan, en hoe dit handelen het belang van [minderjarige] ten goede zou komen. Sterker nog, de GI heeft in de onderhavige procedure de keuze gemaakt niet ter zitting te verschijnen en bij e-mail van 24 mei 2019 te kennen gegeven haar fouten te betreuren en geen verweer te voeren tegen het verzoek van de moeder.

Mede met inachtneming van het gegeven dat de GI de stellingen van de moeder onweersproken heeft gelaten, is de rechtbank aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat dit handelen in samenhang bezien met onder meer het gebrek aan continuïteit door de vele wisselingen van gezinsvoogdijwerker in een relatief korte periode, het (tot tweemaal toe) lekken van data door de GI en het opzeggen van de pleegzorgovereenkomst zonder de beslissing van de kinderrechter omtrent (de verlenging van) de uithuisplaatsing af te wachten, het vertrouwen van de moeder en de pleegouders in de GI ernstig heeft geschaad en heeft geleid tot een zeer slechte verhouding met de GI. Dit heeft onlosmakelijk zijn weerslag op [minderjarige], iets wat de GI in haar e-mail van 24 mei 2019 ook onderkent. De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat een andere gecertificeerde instelling met het toezicht zal worden belast.

Gelet op de problematiek en beperkingen van de ouders, acht de rechtbank de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering vanwege haar expertise op het gebied van complexe gezinssystemen en complexe persoonlijke problematiek het meest geëigend om de GI te vervangen. De bezwaren die de pleegvader ter zitting over de instelling heeft geuit, leggen onvoldoende gewicht in de schaal om op dit punt anders te beslissen.

Wat betreft de stelling van de vader, dat wijziging van de GI een spoedige plaatsing van [minderjarige] bij hem in de weg staat, merkt de rechtbank op dat vooralsnog de rechtbank uit dient te gaan van de verlengingsbeslissing uithuisplaatsing van 3 juni 2019 en dat het de rechtbank ambtshalve bekend is dat op of omstreeks 1 augustus 2019 uitspraak volgt in de lopende procedure over het hoofdverblijf dat beide ouders hebben verzocht. Nu van de huidige GI wordt verwacht dat zij haar wettelijke taak tot aan de overdracht zal blijven uitvoeren en de nieuwe te benoemen GI haar taak voortvarend dient op te pakken volgt de rechtbank de vader niet in zijn stelling dat wijziging op die grond niet in het belang van [minderjarige] is.

De rechtbank zal de GI als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot betaling van de proceskosten van de moeder. Die proceskosten worden tot vandaag begroot op € 1.086,-- (salaris gemachtigde, 2x tarief € 543,--). De vaststelling van de proceskosten omvat ingevolge artikel 237 Rv zowel de voor als na de uitspraak gemaakte kosten. Een aparte uitspraak over de nakosten is mitsdien niet nodig. De vordering de GI te veroordelen in de nakosten is derhalve overbodig, en zal mitsdien worden afgewezen. Dit vonnis levert aan de moeder immers reeds een titel op om ook de nakosten te executeren. Zo de GI blijft weigeren om de na de uitspraak ontstane kosten te betalen, kunnen deze op verzoek van de moeder door de rechtbank worden begroot, die daartoe op de voet van artikel 237, vierde lid, Rv een bevelschrift kan afgeven.

Gelet op het door de vader over het verzoek van de moeder ingenomen standpunt is de GI jegens de vader niet aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Het verzoek tot een proceskostenveroordeling wordt derhalve afgewezen.

De rechtbank zal de beschikking alleen voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren aangezien op grond van het bepaalde in artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen de beslissing tot vervanging van de GI enkel cassatie in het belang der wet openstaat.

6 De beslissing

De rechtbank:

vervangt de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, door de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Almere;

veroordeelt de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering in de proceskosten tot aan deze beschikking gerezen en aan de zijde van de moeder begroot op € 1.086,--;

verklaart de beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H. Brandts, voorzitter, mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.A.M. van Uum, allen rechter, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van

mr. S.M.J. Dohmen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2019.