Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:8162

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1521u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag Natuurbeschermingswet 1998 voor 1 juli 2015; wijziging en aanvulling aanvraag nadien leiden niet tot een ander project. Gebruik van AAgro-stacks voldoende volledig en representatief. Risico op dubbeltelling van stikstofemissie staat niet aan vergunningverlening in de weg. Beroepsgronden over de wijze waarop toepassing is gegeven aan de externe saldering en het resultaat daarvan, slagen niet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2019/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/1521

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2019 in de zaak tussen

Stichting Werkgroep Behoud de Peel, te Deurne, eiseres

(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], te Vredepeel

(gemachtigde: ing. L.J.H. Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [vergunninghoudster]

een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn nadien aangevuld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2019. Van eiseres is haar voorzitter [naam] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.H. Lahaije en E.G.M. Meisters-van der Scheer. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. J.G. de Wit.

Overwegingen

1. Vergunninghoudster heeft op 17 december 2013 een vergunning aangevraagd op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) ten behoeve van de exploitatie van een varkenshouderij aan de [adres] . Die aanvraag ziet op het houden van 504 gespeende biggen in een huisvestingssyteem met code D 1.1.10.2 en 2856 vleesvarkens in een stalsysteem met code D 3.2.9.2 (codes uit de Rav van 24 oktober 2012) met een totale ammoniakemissie van 3.354 kg NH₃ per jaar. Nadien is de aanvraag verschillende keren aangevuld en gewijzigd.

2. De inrichting van vergunninghoudster ligt binnen de invloedssfeer van de Natura 2000-gebieden Deurnsche- en Mariapeel en Boschhuizerbergen en veroorzaakt een toename van depositie van ammoniak op die gebieden. Ter compensatie van deze toename heeft vergunninghoudster ammoniakrechten aangekocht van twee in de omgeving liggende bedrijven te weten:

  1. [bedrijf 1] te [plaats 1] ;

  2. [bedrijf 2] te [plaats 2] .

3. Bij het bestreden besluit is aan vergunninghoudster met toepassing van de op 1 januari 2017 in werking getreden Wnb een vergunning verleend voor de oprichting van een varkenshouderij met twee keer 504 gespeende biggen en twee keer 2.856 vleesvarkens in huisvestingssystemen met codes (op grond van de Rav van 12 december 2017) D 1.1.15.4 (twee keer) en D 3.2.15.4 (twee keer), en een totale ammoniakemissie van 2.671,2 kg NH₃ per jaar. Voor deze toename van stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden is extern gesaldeerd met de hiervoor genoemde bedrijven als saldogevers ad 1) voor 1.694,6 kg NH₃ per jaar en ad 2) voor 1.503 kg NH₃ per jaar. Daarbij is berekend dat de depositie op de relevante Natura 2000-gebieden door de aangevraagde situatie afneemt met 1,33 respectievelijk 0,78 mol N/ha/jaar. In reactie op de zienswijze die eiseres heeft ingediend tegen de ontwerpvergunning, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat indien en voor zover er sprake is van dubbeltelling van vrijkomende emissie dat niet afdoet aan de rechtmatigheid van de toepassing van artikel 5.13, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming (Bnb) en dat dit gebrek in het kader van de toepassing van het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (PAS) opgelost dient te worden.

4. In beroep is aangevoerd dat geen rekening is gehouden met een mogelijke dubbeltelling van de stikstofdepositieruimte in de externe saldering en in de PAS-regeling. Verder heeft eiseres aangevoerd dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.1 onjuist is en dat de verleende vergunning ten onrechte op naam van XXX (anoniem) is gesteld.

In het aanvullend beroepschrift heeft eiseres aangevoerd dat het aantal dieren in de definitieve aanvraag verdubbeld is, zodat daarom niet meer kan worden gesproken van dezelfde aanvraag als die van vóór 1 juli 2015. De nieuwe aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit is van 8 februari 2018 en valt volgens eiseres dus niet meer onder het overgangsrecht. Verder heeft eiseres aangevoerd dat de berekeningen van stikstofemissies met AAgro-stacks onvolledig en niet representatief zijn en op alle punten met de Aerius-calculator hadden moeten worden doorgerekend. Verder heeft eiseres bestreden dat saldogever [bedrijf 1] een hoeveelheid NH₃ van 1.694,55 kg ter beschikking kan stellen, en betoogd dat dit slechts 1.098,23 kg kan zijn. Daarenboven is eiseres van mening dat het intrekkingsbesluit met betrekking tot [bedrijf 1] (van 13 januari 2010) niet in directe samenhang staat met de aanvraag van vergunninghoudster van 17 december 2013 en met de gewijzigde aanvraag van 8 februari 2018, omdat dat intrekkingsbesluit is genomen om bezwaar en beroep van eiseres tegen een milieuvergunning te voorkomen, terwijl dat intrekkingsbesluit bovendien ziet op slechts 1.372,3 kg NH₃. De intrekking voldoet volgens eiseres dan ook niet als mitigerende maatregel voor onderhavige vergunningverlening. Met betrekking tot saldogever [bedrijf 2] is er volgens eiseres een onjuiste emissiefactor van 4,5 kg per vleesvarken gehanteerd, omdat uit de bouwtekening kan worden afgeleid dat er stankafsluiters in de stal waren vergund en er daarom slechts 3 kg per vleesvarken in aanmerking had moeten worden genomen; dit wordt volgens eiseres bevestigd in het intrekkingsbesluit van 13 mei 2014.

5. Ter zitting heeft eiseres de beroepsgrond met betrekking tot de tenaamstelling van de vergunning ingetrokken, evenals de beroepsgrond over de sloop van stal B bij saldogever [bedrijf 2] .

6. Ter zitting is van de zijde van vergunninghoudster aangevoerd dat zij door het eerste beroepschrift op het verkeerde been is gezet en dat zij heeft aangenomen dat het beroep, in aansluiting op hetgeen in de zienswijze was aangevoerd, alleen ging over de toepassing van artikel 5.13, eerste lid, van het Bnb en de dubbeltelling van de stikstofemissie door externe saldering in relatie tot het PAS.

7. Het nadere beroepschrift is, in reactie op het verweerschrift van 7 augustus 2018, ingekomen bij de rechtbank op 14 augustus 2018 en is op 17 augustus 2018 aan vergunninghoudster gestuurd in één zending met het oorspronkelijke beroepschrift. Het nadere beroepschrift houdt (meer) subsidiaire gronden in gericht tegen de externe saldering. De rechtbank is van oordeel dat het nadere beroepschrift, net als het eerste beroepschrift, is gericht tegen de externe saldering in relatie tot de significante gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. In het nadere beroepschrift zijn dan ook geen nieuwe beroepsgronden aangevoerd maar nadere argumenten ter ondersteuning van een reeds eerder gevoerd betoog. Nu de aanvullende gronden tijdig zijn ingediend staat de goede procesorde niet in de weg aan het behandelen van alle door eiseres aangevoerde gronden. Dat vergunninghoudster de ontvangen stukken niet direct grondig heeft bestudeerd, dient voor haar risico te blijven.

Wettelijk kader

8. Op 1 januari 2017 is de Wnb in werking getreden. In artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

In artikel 9.10, eerste lid, van de Wnb is bepaald dat de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige procedures tot het nemen van een besluit krachtens de Nbw 1998, de Flora- en faunawet of de Boswet, aanhangig zijn in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en dat die aanvragen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wnb worden behandeld.

Op grond van artikel 9.4, eerste lid, van de Wnb gelden vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 als vergunningen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. De aanvraag van vergunninghouder van 30 juni 2015 is daarom aangemerkt als aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.

Het PAS is sinds 1 januari 2017 neergelegd in de Wnb, het Bnb en de Regeling natuurbescherming (Rnb), alsmede in het betrokken programma voor de periode 2015-2021 (het Programma PAS 2015-2021). De artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van het Bnb zien op het toekennen van ontwikkelingsruimte, de grondslag van het PAS.

In artikel 5.13 van het Bnb is het overgangsrecht voor het PAS neergelegd: het eerste lid van dat artikel komt overeen met het oude artikel 19km, vierde lid, van de Nbw 1998 en het tweede lid met artikel 67a van de Nbw 1998.

Artikel 5.13, tweede lid, van het Bnb luidt als volgt:

De artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 zijn niet van toepassing op projecten, plannen en andere handelingen die stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaken indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. voor het project, het plan of de andere handeling was vóór 1 juli 2015 een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, in voorbereiding bij het desbetreffende bestuursorgaan;

b. de voor het nemen van het desbetreffende besluit beschikbare gegevens en bescheiden zijn naar het oordeel van het desbetreffende bestuursorgaan voldoende voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het desbetreffende besluit en bovendien, ingeval het besluit betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de wet, is een volledige passende beoordeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de wet gemaakt, en

c. degene die het desbetreffende project zal realiseren, onderscheidenlijk de andere handeling zal verrichten, heeft een tijdige uitvoering verzekerd van de maatregelen die in het kader van de realisering van het project, onderscheidenlijk het verrichten van de andere handeling worden getroffen om te verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast als gevolg van het project, onderscheidenlijk om verslechteringen of significant verstorende effecten als gevolg van de andere handeling te voorkomen.

Uit artikel 5.13, tweede lid, van het Bnb volgt dat de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van het Bnb, als wordt voldaan aan voorwaarden, niet van toepassing zijn op aanvragen die zijn ingediend voor 1 juli 2015.

De rechtbank overweegt als volgt.

9. De eerste vraag die moet worden beantwoord is de vraag of de verleende vergunning met toepassing van artikel 5.13, tweede lid, van het Bnb kon worden verleend. Indien sprake is van een aanvraag van vóór 1 juli 2015 zijn de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van het Bnb, en dus een groot deel van het PAS, niet van toepassing en kan de vergunning met toepassing van externe saldering worden verleend.

10. Eiseres heeft betoogd dat de aanvraag van 17 december 2013 zodanig is gewijzigd dat niet meer gesproken kan worden van dezelfde aanvraag als de aanvraag die heeft geleid tot de verleende vergunning. Eiseres heeft gewezen op de gewijzigde aanvraag van 8 februari 2018 waarmee een verdubbeling van het aantal dierplaatsen ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag is gevraagd en verwijst in dat kader naar twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over het overgangsrecht inzake de Wet Stankemissie/Wet geurhinder en veehouderij.

Verweerder is van mening dat de beoogde wijziging niet leidt tot een andere bedrijfsvoering en dat er daarom sprake is van één sinds 17 december 2013 doorlopende aanvraag.

11. De aanvraag van 17 december 2013 ziet op een varkenshouderij met 504 gespeende biggen in een huisvestingssyteem met code D 1.1.10.2 en 2856 vleesvarkens in een stalsysteem met code D 3.2.9.2 (codes uit de Rav van 24 oktober 2012) met een totale ammoniakemissie van 3.354 kg NH₃ per jaar. Die aanvraag is op 27 december 2017 aangevuld en aangepast aan de codes uit de Rav van 12 december 2017: 504 gespeende biggen in een huisvestingssysteem met code D 1.1.10 en 2856 vleesvarkens in een stalsysteem met code D 3.2.9, met een totale ammoniakemissie van 2.676,24 kg NH₃ per jaar. De aanvraag is op 23 januari 2018 andermaal aangevuld, maar vermeldt gelijke dieraantallen, stalsystemen en totale ammoniakemissie. Op 8 februari 2018 is de aanvraag nogmaals aangevuld en aangepast waarbij in plaats van één stal met een luchtwasser met een reductie van 70% er twee stallen worden aangevraagd met elk een luchtwasser met 85% reductie voor het huisvesten van twee keer 504 gespeende biggen in twee stallen met code

D 1.1.15.4 en twee keer 2.856 vleesvarkens in twee huisvestingssystemen met code

D 3.2.15.4 (op grond van de Rav van 12 december 2017) en een totale ammoniakemissie van 2.671,2 kg NH₃ per jaar.

12. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Van meet af aan is sprake geweest van een aanvraag voor een (nog op te richten) varkenshouderij met onveranderd dezelfde diercategorieën fokzeugen en vleesvarkens, waarbij het in het kader van de Wnb gaat om de stikstofemissie van (in dit geval) een project en de daarmee samenhangende bescherming van natuurgebieden. Het in geding zijnde project noch de aard van het project is gewijzigd, althans niet zodanig dat sprake is van een ander project, gezien vanuit het perspectief van stikstofemissie. De in het kader van de Wnb relevante verlaging van de stikstofemissie na externe saldering komt ten gunste van de natuurbescherming en leidt ook niet tot de conclusie dat er sprake is van een ander project. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat er bij een verdubbeling van dieraantallen ook sprake is van meer transportbewegingen, heeft verweerder berekend dat het transport niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Kennelijk wenst verweerder daarmee te benadrukken dat, gezien vanuit stikstofemissie, geen sprake is van een ander project dan zoals voortvloeit uit de aanvraag van 17 december 2013.

Het beroep van eiseres op de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ4067) en 19 augustus 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ5500) slaagt niet omdat deze uitspraken zijn gewezen in het kader van geurhinder vanuit een inrichting, en situaties betroffen waarin verdubbeling van het aantal dieren of dierplaatsen juist een wezenlijk grotere geurlast meebrengt. Bovendien was in de eerste uitspraak relevant dat het bij de wijziging in de aanvraag ging om wijziging van een veranderingsvergunning naar een revisievergunning, hetgeen vanuit milieutechnisch perspectief niet meer kan worden aangemerkt als dezelfde aanvraag.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

13. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder op goede gronden is uitgegaan van een aanvraag van vóór 1 juli 2015, brengt dat mee dat op grond van artikel 7.13 van de Rnb niet het gebruik van de zogeheten AERIUS Calculator verplicht is voorgeschreven. Vergunninghoudster heeft haar aanvragen vergezeld van berekeningen van stikstofemissies met het rekenmodel AAgro-stacks en bij aanpassing/wijziging van de aanvraag op deelonderwerpen wel berekeningen met AERIUS Calculator doen opstellen.

De rechtbank is, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 15 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:416), van oordeel dat er geen aanleiding is om de algemene stelling van eiseres te volgen dat de berekeningen van stikstofemissies met het rekenmodel AAgro-stacks onvolledig en niet representatief zijn en dat het rekenmodel verouderd is. Tot de introductie van AERIUS Calculator is het rekenmodel AAgro-stacks als voldoende representatief en betrouwbaar beoordeeld. Bovendien is AERIUS Calculator met name ontwikkeld voor de nieuwe situatie waarin geen externe saldering meer zou worden toegepast. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat met toepassing van AAgro-stacks een onjuiste berekening is gemaakt van de in dit geval relevante stikstofemissies en dat met een toepassing van AERIUS Calculator nader onderzoek had moeten worden verricht. De beroepsgrond slaagt niet.

Extern salderen

14. Vergunningverlening met extern salderen, als mitigerende maatregel in de passende beoordeling, kan in beginsel alleen nog als de aanvraag voor een vergunning voor 1 juli 2015 is gedaan. In de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS: 2013:1931) zijn de voorwaarden uiteengezet waaronder dat kan. In de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603; r.o 39.7) is voorts geoordeeld dat dubbele inzet van stikstofdepositie is uitgesloten als extern wordt gesaldeerd met een bedrijf dat (1) op 1 juli 2015 geen stikstofdepositie meer veroorzaakte of (2) op 1 juli 2018 nog stikstofdepositie veroorzaakte, of (3) binnen één kilometer afstand van een Natura 2000-gebied is gelegen.

15. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat niet met zekerheid is uitgesloten dat de in de externe saldering ingebrachte stikstofemissies van de saldogevers niet ook in aanmerking zijn genomen bij het PAS, zodat als gevolg van het risico op dubbeltelling niet de zekerheid is verkregen dat het project waarvoor vergunning is verleend de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet zal aantasten.

Verweerder heeft in het aanvullend verweerschrift betoogd dat op grond van de meitellingen van de inrichting aan de [bedrijf 1] geconcludeerd kan worden dat er op 1 juli 2015 in die inrichting geen vee meer werd gehouden. Ter zitting heeft verweerder inzage verleend in de meitellingen van 2015 en 2016 waarop hij baseert dat op het bedrijf van saldogever [bedrijf 1] in die jaren geen varkens werden gehouden.

16. Hoewel meitellingen momentopnamen zijn van de bedrijfssituatie, is naar het oordeel van de rechtbank daarmee in dit geval voldoende aannemelijk gemaakt dat er op 1 juli 2015 bij saldogever [bedrijf 1] geen varkens meer werden gehouden, terwijl van de kant van eiseres daartegenover alleen in algemene termen is betwijfeld dat er mogelijk een risico van dubbeltelling is vanwege de invoering van het PAS.

17. Ten aanzien van het overleggen van de concrete cijfermatige onderbouwing door verweerder ter zitting heeft eiseres een beroep gedaan op de goede procesorde. Dat beroep slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet omdat verweerder al in het verweerschrift de meitellingen had genoemd en de overgelegde stukken snel te doorgronden zijn geweest. Eiseres heeft ter zitting voldoende gelegenheid gehad om op de meitellingen te reageren en heeft erkend dat daaruit blijkt dat slechts vier paarden werden gehouden.

18. Uit het voorgaande volgt dat (het risico op) dubbeltelling van stikstofemissie niet in de weg staat aan vergunningverlening. De beroepsgrond slaagt niet.

Omvang van de externe saldering

19. Met betrekking tot saldogever [bedrijf 1] is eiseres van mening dat op grond van de vergunning van 29 september 1997 van een lager saldo blijkt (1.098,23 kg NH₃ in plaats van 1.694,55) en dat niet de vergunning van 17 november 1994 als bestaand recht had mogen worden gebruikt. Verweerder is van mening dat de vergunning van 29 september 1997, voor stal A, niet in werking is getreden omdat er niet ook een bouwvergunning is verleend voor de aangevraagde voorzieningen bij een stalsysteem (luchtkanaal en luchtwassysteem).

20. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat die aangevraagde voorzieningen niet bouwvergunningplichtig zijn (geweest), en dat daarom de vergunning van 29 september 1997 (voor stal A) wel in werking is getreden, volgt de rechtbank haar niet. De vergunning van 29 september 1997 vermeldt uitdrukkelijk dat er voor de gevraagde wijziging in het stalsysteem, in de reeds gebouwde stal A, nog een bouwvergunning nodig is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2014 (ECLI:NL:RVS: 2014:888) geldt bovendien dat, nu deze voorzieningen niet zijn gerealiseerd, de vergunning van 29 september 1997 na drie jaar is komen te vervallen op grond van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer (oud). Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat de vergunning van 17 november 1994 bepalend is voor het beschikbaar stellen van stikstofrechten.

21. Uit het besluit van 13 januari 2010 tot intrekking van de Wm-vergunning van 17 november 1994 en de salderingsovereenkomst van 20 februari 2009 blijkt voorts van een directe samenhang tussen de intrekking en de verlening van de Wnb-vergunning. Die directe samenhang wordt aangenomen als de vergunning voor het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of zal worden ingetrokken ten behoeve van de uitbreiding van het saldo-ontvangende bedrijf, hetgeen blijkt uit het intrekkingsbesluit, de overeenkomst en de daadwerkelijke beëindiging zoals hiervoor beoordeeld in overweging 20. Eiseres heeft aangevoerd dat de intrekking en de overeenkomst met een ander doel zijn opgesteld, namelijk het voorkomen van een beroepszaak, maar, wat daar ook van zij, dat leidt niet tot de conclusie dat de overeenkomst, op enig moment, ontbonden is of dat het intrekkingsbesluit niet rechtsgeldig is.

22. Met betrekking tot saldogever [bedrijf 2] is eiseres van mening dat uit de bouwtekening van stal B moet worden afgeleid dat er stankafsluiters in de stal waren vergund en dat er daarom met slechts 3 in plaats van 4,5 kg NH₃ per dier mag worden gerekend. Uit de bouwtekening van stal B leidt eiseres af dat er stankafsluiters zijn ingetekend die overeenkomen met het einde van de roosters. De stal is helemaal onderkelderd en de strepen geven aan dat er zich stankafsluiters bevinden die ervoor zorgen dat de mest niet in de hele onderkeldering loopt. Van de zijde van vergunninghoudster is verklaard dat dit putmuren zijn waarop de roosters rusten en dat het hier gaat om mestopslag onder de gehele stal, met openingen maar zonder stankafsluiters. Verweerder is van mening dat uit de vergunning en de bouwtekening niet blijkt dat er in stal B stankafsluiters zitten.

23. De rechtbank is van oordeel dat de enkele verwijzing naar de bouwtekeningen onvoldoende aannemelijk maakt dat er impliciet vergunning is verleend voor een stal met stankafsluiters. Zij volgt dan ook verweerder in de conclusie dat rekenen met 4,5 kg NH₃ per dier aan de orde is. Uit het besluit van 13 mei 2014 tot gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (verleend op 11 december 1990, gewijzigd op 10 oktober 1995 en 17 september 1996), de salderingsovereenkomst van 15 oktober 2013 en de daadwerkelijke sloop van de stal, blijkt voorts van een directe samenhang tussen de intrekking en de verlening van de Wnb-vergunning. De beroepsgronden, over de wijze waarop toepassing is gegeven aan de externe saldering en het resultaat daarvan, slagen niet.

24. In voorschrift 7.1 heeft verweerder beschreven dat de verleende vergunning betrekking heeft op 504 gespeende biggen en 2.856 vleesvarkens in stal 1 en 504 gespeende biggen en 2.856 vleesvarkens in stal 2, per diercategorie met bijbehorende coderingen voor de huisvestingssystemen (D 1.1.15.4 voor de biggen en D 3.2.15.4 voor de vleesvarkens). Deze coderingen stemmen overeen met bijlage 1 van de Rav zoals die in werking is getreden per 13 december 2017 en gold ten tijde van de vergunningverlening. Er is geen grond om te oordelen dat verweerder daarmee een onjuist kader of criterium heeft aangehouden. Voorafgaand aan die versie van de Rav gold de versie zoals in werking getreden op 1 augustus 2015 (Staatscourant 2015, nr. 16866) met opvolgende wijzigingen met verschillende inwerkingstredingsdata. Dat verweerder daarbij de wijzigingen sinds 2015 heeft benoemd is niet onjuist en wil ook niet zeggen dat verweerder die strikt genomen niet meer in werking zijnde (bijlagen bij de) Rav ook heeft toegepast bij de vergunningverlening. De beroepsgrond slaagt niet.

25. Het beroep is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mr. Th.M. Schelfhout en mr. R.M.M. Kleijkers, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 september 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.