Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:7982

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
03/659235-18 en 01/845257-17 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

8 jaar gevangenisstraf voor tweemaal poging tot doodslag (schiet- en steekincident), diefstal auto en beschadiging woning. Overwegingen ten aanzien van betrouwbaarheid getuigenverklaring, valse sleutel, opzet, uiterlijke verschijningsvorm en immateriële schade bij afwezigheid van fysiek letsel benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 03/659235-18 en 01/845257-17 (tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 september 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

gedetineerd in [detentieadres verdachte] .

De verdachte/veroordeelde, hierna uitsluitend te noemen: verdachte, wordt bijgestaan door mr. M.J. Beukers-Bouten, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 augustus 2019. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, na wijziging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

  1. op 2 augustus 2018 heeft getracht [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven door gericht op (de woning waarin zij zich bevonden) te schieten. Subsidiair is dit feit als een bedreiging ten laste gelegd;

  2. op 2 augustus 2018 de woning van [slachtoffer 3] heeft beschadigd;

  3. op 30 juli 2018 een Volkswagen Caddy heeft gestolen door middel van een valse sleutel;

  4. op 30 juli 2018 [slachtoffer 2] heeft getracht van het leven te beroven door met een mes in de richting van diens hoofd te steken. Subsidiair is dit feit al een poging zware mishandeling ten laste gelegd en meer subsidiair als een bedreiging.

3 De beoordeling van het bewijs

Inleiding

Verdachte en zijn, al dan niet op dit moment ex-, vriendin [(ex-)vriendin van verdachte] hebben samen een zoon. De relatie tussen hen heeft geleid tot problemen tussen verdachte en zijn schoonfamilie, zo volgt uit hun verklaringen. Dat conflict zou in de zomer van 2018 geëscaleerd zijn. Op maandag 30 juli 2018 vond op de [straatnaam 1] in Weert een incident plaats waarbij [slachtoffer 2] , de broer van [(ex-)vriendin van verdachte] , in zijn auto werd aangevallen door een persoon met een mes (feit 4). Diezelfde persoon zou nadien die auto hebben gestolen (feit 3). Enkele dagen later, in de vroege ochtend van woensdag 2 augustus 2018, werd de woning van [slachtoffer 3] , de moeder van [(ex-)vriendin van verdachte] , aan de [straatnaam 2] in Weert beschadigd (feit 2). Een persoon zou eerst stenen tegen een rolluik hebben gegooid. Daarna zou die persoon met een vuurwapen hebben geschoten in de richting van de deuropening, net op het moment dat [slachtoffer 1] , de vader van [(ex-)vriendin van verdachte] , naar buiten wilde komen door die deur (feit 1). Eerdergenoemde [slachtoffer 2] zou zich op dat moment vlak achter zijn vader [slachtoffer 1] hebben bevonden. Verdachte zou telkens de dader zijn geweest.

Het schieten op de woning (feit 1) is primair ten laste gelegd als een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als een bedreiging. Datzelfde geldt voor het steekincident (feit 4): primair is dat ten laste gelegd als een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als een bedreiging.

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de poging tot doodslag op zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] (feit 1 primair), de beschadiging van de woning (feit 2), de gekwalificeerde diefstal van de auto (feit 3) en de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] (feit 4 primair).

Daartoe heeft zij erop gewezen dat voor alle feiten sprake is van een herkenning van de verdachte als de dader: bij het steekincident is hij door twee getuigen herkend en bij het schietincident is hij door aangever herkend, terwijl die herkenning steun vindt in (het signalement zoals zichtbaar op) de camerabeelden en het aangetroffen DNA van verdachte op stenen die voorafgaand aan het schietincident in de richting van de woning zijn gegooid.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle feiten bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de herkenningen bij het schietincident onbetrouwbaar zijn en dat het aangetroffen DNA geen ondersteuning kan bieden omdat het DNA van de verdachte op een andere wijze op de stenen terecht kan zijn gekomen. Voorts heeft zij betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige 1] over het steekincident en de diefstal van de auto vooringenomen en daarom onbetrouwbaar zijn, terwijl geen objectief bewijs voorhanden is.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Redengevende feiten en omstandigheden feit 3 en feit 4: steekincident en diefstal auto

[slachtoffer 2] deed, mede namens [eigenaar van Volkswagen Caddy], aangifte en verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt.

Op maandag 30 juli 2018, omstreeks 22:00 uur, werd ik gebeld door mijn zusje [(ex-)vriendin van verdachte] . Zij belde mij omdat haar vriend [verdachte] thuis alles kort en klein aan het slaan was en ze vroeg mij of ik langs wilde komen. Ik ben toen samen met een vriendin van mijn zusje genaamd [getuige 1] naar de woning van mijn zusje gelegen aan de [straatnaam 1] in Weert gereden. Ik reed hier in een Volkswagen Caddy naartoe. (...) Deze auto is eigendom van mijn werkgever [eigenaar van Volkswagen Caddy] . Omstreeks 22.30 uur parkeerde ik de auto recht voor de woning van mijn zusje met de neus in de richting van [straatnaam 3] . Ik had mijn autoruit omlaag en zag dat [verdachte] uit het niets langs mijn portier stond. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei: “waar is mijn kind”. Ik zag dat [verdachte] een groot keukenmes in zijn rechterhand vast hield. Ik zag dat het mes een zwart handvat had. Ik zag dat het mes ongeveer 30 centimeter lang en een centimeter of 2 breed was. Ik droeg een heuptasje die links ter hoogte van mijn linker heup zat. Ik zag en voelde dat [verdachte] met het keukenmes tegen mijn heuptasje aan het porren was. Dit deed hij met kracht een stuk of vier keer achter elkaar. Ik probeerde het mes van mij weg te duwen en duwde met mijn rechterhand het mes weg. Ik heb hierbij een snee opgelopen op mijn wijsvinger en op mijn pink. Ik merkte dit pas later. Ik zag dat hij vervolgens met het mes in de richting van mijn gezicht zwaaide. Ik leunde naar achteren toe zodat hij mij niet kon raken. Ik zag dat [getuige 1] die naast mij op de bijrijdersstoel zat haar portier opende en weg rende in de richting van [straatnaam 4] . Ik ben vervolgens ook via de bijrijdersportier uit de auto geklommen (…). Ik zag dat [verdachte] vervolgens via de bestuurdersportier de Caddy instapte en rechts [straatnaam 3] opreed in de richting van de [straatnaam 5] .2

De Bijlage goederen, gevoegd bij de aangifte vermeldt als gestolen goed een bestelauto, Volkswagen Caddy, met kenteken [kenteken] .3

A. ( [getuige 1] verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt.

Op maandag 20 (de rechtbank begrijpt: 30) juli 2018 (…), ik denk rond 10 uur ’s avonds reed ik samen met [slachtoffer 2] naar de woning van [(ex-)vriendin van verdachte] . (…) We reden in een Volkswagen Caddy (…). We reden stapvoets langs de woning van [(ex-)vriendin van verdachte] en toen zagen we ineens [verdachte] staan met een mes. (…) Ik zag dat hij een keukenmes van 35 a 40 centimeter lang vast had. Ik hoorde hem naar [slachtoffer 2] roepen: “Waar is mijn kind, waar is mijn kind”. (…) Hij stond precies bij het raam van de bestuurdersstoel. Het raam was op dat moment naar beneden. Ik zag dat hij een aantal keer een stekende beweging maakte in de auto. Ik zag dat hij het mes vasthad bij het gedeelte wat daarvoor is. Het scherpe gedeelte stak naar buiten. Hij had het dus niet vast zoals je een normaal mes vast hebt als je aan het snijden bent. Hij had het mes vast op de manier hoe je ermee kunt steken. Ik zag dat hij schuin naar beneden stak. Ik zag dat het mes het schoudertasje raakte dat [slachtoffer 2] om had. De plaats waar het mes het schoudertasje raakte was ter hoogte van [slachtoffer 2] zijn buik. Hij stak dus daadwerkelijk meerdere malen met het mes in de richting van de buik van [slachtoffer 2] . (…) Ik zag dat [verdachte] hoger begon te steken met het mes. Richting de nek van [slachtoffer 2] bedoel ik. [slachtoffer 2] week uit en ik zag dat hij bijna bij mij op schoot lag. (…) Ik heb toen de deur aan de passagierszijde open gedaan en ben gaan rennen. (…) Op enig moment zag ik de Caddy van [slachtoffer 2] heel hard wegrijden.4

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft getuige [getuige 1] een groot koksmes aangewezen met een zwart handvat als het mes dat verdachte in zijn handen had, en heeft zij verklaard dat ze het blad van het mes 20 à 25 centimeter schat.5

Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft camerabeelden van de [straatnaam 1] van 30 juli 2018 om 22.06 uur bekeken. Hij heeft gerelateerd dat hij daarop zag:

  • -

    dat een persoon aan de linkerzijde van de weg tussen twee aldaar geparkeerd staande auto’s staat;

  • -

    dat de eerder beschreven persoon de weg rennend oversteekt en naar de auto loopt en ter hoogte van het bestuurdersportier blijft staan;

  • -

    dat rechts achter een persoon uit de tot stilstand gekomen personenauto stapt die vervolgens weg rent richting het aldaar gelegen ziekenhuis;

  • -

    dat de persoon die eerder de weg is overgestoken om 22:07:20 uur weer terug rent in de richting van de plaats waar hij eerder al tussen de twee geparkeerde auto's had gestaan;

  • -

    dat een tweede persoon aan de bijrijderszijde uit de personenauto lijkt te stappen en voor de personenauto langs wegrent in de richting van [straatnaam 3] ;

  • -

    dat een persoon weer naar de hierboven bedoelde personenauto rent, het bestuurdersportier opent, instapt, het portier sluit, de verlichting inschakelt en wegrijdt in de richting van [straatnaam 3] .6

[getuige 2] verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt.

Volgens mij was het de dag nadat [verdachte] [de rechtbank: verdachte] was opgepakt toen [verdachte] naar mijn mobiel nummer belde. (…) Ik vroeg aan [verdachte] van dat mes in de [straatnaam 1] . Ik hoorde dat hij zei dat (…) hij toen met dat mes had gezwaaid en was weggerend.7

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het de verdachte is geweest die op 30 juli 2018 in Weert door het geopende raam van het portier stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam en het hoofd van [slachtoffer 2] , en kort daarna in de Caddy, op dat moment toebehorende aan [slachtoffer 2] , is weggereden waarmee hij zich de Caddy wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Partiële vrijspraak feit 3

Dat de sleutel kennelijk nog in het contact zat zodat de verdachte eenvoudig met de Caddy kon wegrijden, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat hij de Caddy onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een ‘valse sleutel’ in de zin van artikel 311 van het Wetboek van strafrecht, zodat de verdachte in zoverre zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen feit 4

De lengte van het mes (rond 30 cm met een lemmet van 20 à 25 cm), in samenhang met de richting waarin de verdachte heeft gestoken (de buik, de nek, het gezicht) en het gegeven dat [slachtoffer 2] , die nog op de bestuurdersstoel zat, de steken maar ternauwernood kon ontwijken, maken dat de rechtbank dit feit kwalificeert als een poging tot doodslag.

Betrouwbaarheid verklaringen.

De raadsvrouw heeft namens de verdachte aangevoerd dat sprake is van een complot waarin de familie van [(ex-)vriendin van verdachte] , de destijds ex maar inmiddels weer partner van de verdachte, tegen hem samenspant. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw verwezen naar een opname die zou zijn gemaakt van de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris. Kennelijk was bedoeld dat [slachtoffer 2] deze opname kon beluisteren voordat hij zelf in verhoor ging, zodat hij zijn verklaring over het steekincident hierop kon afstemmen. .

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer als volgt.

De aanname dat het een complot van de familie [slachtoffer 2] betreft waarvan de verdachte het slachtoffer zou zijn geworden, vindt geen enkele steun in het dossier en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige 1] op louter fictie zouden berusten, wordt weerlegd door de hiervoor aangehaalde verklaring van de vader van de verdachte en de hierboven genoemde camerabeelden. Wat betreft de – clandestiene – opnamen gemaakt in het kabinet van de rechter-commissaris overweegt de rechtbank dat zelfs indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat [slachtoffer 2] voorafgaand aan zijn verhoor van de opname heeft kunnen kennisnemen, op geen enkele wijze blijkt dat hij daadwerkelijk zijn eigen verklaring hierdoor heeft laten beïnvloeden.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 1 en feit 2: schietincident en beschadiging woning

F. ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 2] deed, mede namens [slachtoffer 3], aangifte en verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt.

Ik doe aangifte tegen [verdachte] . Ik ben namens mijn ex-vrouw [slachtoffer 3] gerechtigd tot het doen van aangifte van de vernieling. Het vernielde hek en rolluik is namelijk haar eigendom. (…) Vannacht waren mijn ex-vrouw, mijn zoon [slachtoffer 2] en ik in de woning [straatnaam 2] te Weert. (...) Afgelopen nacht, 2 augustus 2018 omstreeks 06.00 uur, werden wij wakker van twee knallen. Niemand van ons wist precies wat er aan de hand was (…), dus zijn we verder gaan slapen. (…) Vervolgens, 2 augustus 2018, omstreeks 06.45 uur, was ik wakker en ging ik via de voordeur naar buiten. Ik bleef buiten op de verhoogde veranda staan om een sigaretje te roken. Op dat moment is mij niets opgevallen. (...) Nadat ik mijn sigaret gerookt had ben ik weer naar binnen gegaan. Hierop, ik denk een paar minuten later, zag ik vanuit de voordeur [verdachte] in het afgesloten speeltuintje voor onze woning staan. Hierop wilde ik door de voordeur naar buiten lopen. Toen ik in de deuropening stond herkende ik op een afstand van ongeveer 15 meter duidelijk [verdachte] , die in het speeltuintje stond. Ik zag dat hij rechts naast het houten kindertafeltje stond. Ik zag dat hij zijn handen in elkaar vouwde alsof hij een vuurwapen vast had en dat hij op mij richtte. Ik schrok hiervan en dacht dat hij ging schieten, dus ik rende meteen terug naar binnen. Achter mij stond mijn zoon [slachtoffer 2] , die ik ook wegduwde. Direct hierop volgend ben ik toch naar buiten gegaan en zag ik [verdachte] niet meer. (…) Ik zag dat voor de voordeur twee stenen op de grond lagen. (…) Ik ben vervolgens om de woning gelopen en zag dat aan de linkerzijde van de woning, gezien vanaf de voorzijde/voordeur, twee van dezelfde stenen op de grond lagen. Ik zag dat ter hoogte van de stenen het rolluik vernield was. (…) Ik zag dat er een deuk in de omlijsting van het rolluik zat en dat er een deuk in het rolluik zelf zat. Voornoemde schade was gisterenavond allemaal zeker nog niet. (…) Ik kon zijn gezicht wel goed zien en herkende [verdachte] duidelijk.8

Nadien verklaarde [slachtoffer 1] nog als volgt.

Ik herkende [verdachte] aan zijn gezicht. Ik ken [verdachte] al van kleins af aan. Ik heb hem dus zien opgroeien. Hij was bij mij kind aan huis vroeger toen ik nog getrouwd was.9

De Forensische Opsporing heeft onderzoek verricht op de plaats delict en relateerde – zakelijk weergegeven – het volgende.

Op 2 augustus 2018 hebben wij een forensisch onderzoek verricht op de [straatnaam 2] te Weert. (…) Wij zagen aan de buitenzijde, aan de linkerzijde naast de achterdeur, een gat zitten. Het gat zat 22 cm links langs de deur, op een hoogte van 165 cm in de gevelbeplating. In de woning, de binnenzijde van de buitenmuur, ter hoogte van het gat, zagen wij dat het stucwerk ietwat uitgebold was. (…) Wij hebben middels een sonde, welke vanaf de buitenzijde exact in het inschot paste, gemeten dat het zeer waarschijnlijk gaat om een projectiel afkomstig van een wapen met een .22 kaliber. (…) Door het bekijken van de camerabeelden werd de schietpositie van de schutter bepaald. De afstand tussen de positie van de schutter en het inschot in de gevel van de woning, bedraagt ongeveer 14 à 15 meter. (…) Op het beklinkerde terras achter de woning, onder de gesloten rolluiken van de drie ramen in de achtergevel zagen wij twee keien liggen. Dergelijke soort keien kwamen niet voor in de tuin. Kijkende tegen de achtergevel zagen wij dat er schade zat op het neergelaten rolluik van het middelste raam in de achtergevel. Wij zagen dat er een deuk in de linker geleider zat en daaronder een deuk in een van de lamellen. Beide keien zijn veiliggesteld voor de afname van biologisch celmateriaal in de vorm van epitheel sporen. (…) Sporendragers: AALI8279NL (steen) en AALI8280NL (steen).10

Het NFI heeft onderzoek verricht aan de bemonstering van de hiervoor genoemde stenen. Het rapport vermeldt – zakelijk weergegeven – het volgende:

De bemonstering AALI8279NL#01 bevat een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen, waarvan minimaal één man. Het DNA kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte] en minimaal twee onbekende personen. (…) Dat mengprofiel is ca. 100.000 keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 (de bemonstering bevat DNA van verdachte en 2 onbekenden) dan wanneer hypothese 2 (de bemonstering bevat DNA van 3 onbekenden) waar is.

De bemonstering AALI8280NL#01 bevat een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man. Het DNA kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte] en minimaal één onbekende persoon. (…) Dat mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 (de bemonstering bevat DNA van verdachte en 1 onbekende) dan wanneer hypothese 2 (de bemonstering bevat DNA van 2 onbekenden) waar is.11

Verbalisant [naam verbalisant 2] heeft de camerabeelden, die door aangever ter beschikking waren gesteld, bekeken. Hij relateerde daarover onder meer het volgende.

  • -

    Op 02 augustus 2018, om 06.06:22 uur is de camera gestart met registeren. Op de parkeerplaats is een persoon te zien, die kennelijk zijn aandacht vestigt op de woning [straatnaam 2] . De persoon die te zien is betreft een man met een donkerkleurige jas / vest, een blauwe broek, donkere schoenen met een lichtkleurige zool. Daarbij draagt de man een donker petje op zijn hoofd. Daar waar in dit proces-verbaal gesproken wordt over 'de man' of 'de man met zijn scooter', wordt de hierboven beschreven persoon bedoeld. De man loopt over de parkeerplaats en blijft kijken in de richting van [straatnaam 2] . Op de parkeerplaats staat een kleine vrachtauto geparkeerd, hier loopt de man achter en komt enkele seconden later op een scooter weer in beeld. Met de scooter stopt de man naast een berg die op de parkeerplaats ligt. De man stopt zijn scooter naast deze berg, stapt af en raapt kennelijk iets op van deze berg. Hierna maakt de man tweemaal een gooiende beweging in de richting van [straatnaam 2] .

  • -

    Op 02 augustus 2018, om 06.11:20 uur is de camera gestart met registreren. De man staat weer in beeld bij de kleine vrachtauto en de berg op de parkeerplaats. De man maakt in totaal 3 gooiende bewegingen in de richting van [straatnaam 2] , waarbij te zien is dat er na 2 worpen een voorwerp in de tuin belandt.

  • -

    Op 02 augustus 2018, om 06.53:11 uur is de camera gestart met registreren. De rolluiken van [straatnaam 2] zijn geopend. De deur wordt geopend en een man (…) loopt naar buiten om een sigaret te roken. Hij blijft enkele minuten buiten en gaat dan vervolgens weer naar binnen.

  • -

    Op 02 augustus 2018, om 07.03:41 uur is de camera gestart met registreren. De man op de scooter komt weer in beeld (…) en rijdt enkele malen rondjes over de parkeerplaats. Uiteindelijk stopt de man zijn scooter ter hoogte van de omheining van het speeltuintje en stapt af. Dan loopt hij naar de omheining, waarna hij tegen deze omheining trapt. De omheining wordt hierdoor vernield.

  • -

    Op 02 augustus 2018, om 07.06:16 uur is de camera gestart met registreren. De man loopt vanuit zijn scooter in de richting van [straatnaam 2] . De man trekt ondertussen een capuchon over zijn hoofd. Terwijl de man in de richting van [straatnaam 2] loopt, haalt hij iets tevoorschijn, waarna hij beide armen richt op de woning [straatnaam 2] . Op dat moment gaat de deur van de woning een klein stukje open en dan is er bij de man zijn armen een rookwolkje waarneembaar. Achteraf bleek dus dat de man op dat moment heeft geschoten in de richting van de deur, waar aangever [slachtoffer 1] net naar buiten wilde stappen. Na het schot gaat de deur direct dicht en loopt de man terug naar zijn scooter. Dit alles speelt zich af in 8 seconden tijd.12

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het de verdachte is geweest die op 1 augustus 2018 in Weert een aantal stenen heeft gegooid naar de woning van [slachtoffer 3] , waarbij een rolluik werd beschadigd, en korte tijd later heeft geschoten in de richting van [slachtoffer 1] , die op dat moment in de deuropening stond, waarbij de gevelwand van de woning werd beschadigd.

Bewijsoverweging feit 1

Verdachte heeft met een vuurwapen geschoten op een woning. Juist op het moment van schieten opende [slachtoffer 1] de gedeeltelijk uit glas bestaande (achter)deur van die woning. Uit onderzoek is gebleken dat de kogel op 1,65 meter hoogte en op 22 centimeter naast de deur is ingeslagen. Dat is dus vlak naast het bovenlichaam van [slachtoffer 1] . Van algemene bekendheid is dat het bovenlichaam, waarin zich verscheidene kwetsbare en vitale organen bevinden, een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is. De kans dat aangever hieraan zou kunnen komen te overlijden is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De gedragingen van de verdachte, te weten het met twee handen vastpakken van wat het vuurwapen moet zijn en daarmee daadwerkelijk recht vooruit en dus gericht op [slachtoffer 1] schieten, dienen daarmee naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat hij ook daadwerkelijk dat opzet had. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is niet gebleken.

Aldus acht de rechtbank de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag gericht op [slachtoffer 1] bewezen.

Partiële vrijspraak poging doodslag [slachtoffer 2]

Niet wettig en overtuigend bewezen acht de rechtbank dat verdachte tevens het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had op het doden van [slachtoffer 2] . Op grond van het dossier is niet vast te stellen waar [slachtoffer 2] zich exact bevond op het moment dat de verdachte het schot loste. Van meer dan één schot is niet gebleken. De rechtbank zal de verdachte dan ook in zoverre vrijspreken.

Betrouwbaarheid verklaringen

De raadsvrouw heeft namens de verdachte aangevoerd dat het een complot betreft waarin de familie van [(ex-)vriendin van verdachte] , de destijds ex vriendin maar inmiddels weer partner van de verdachte, tegen hem samenspant. Het DNA zou op de stenen terecht kunnen zijn gekomen doordat de verdachte deze van zijn zoon zou hebben aangepakt, die vaak met stenen speelde.

De rechtbank verwerpt het verweer dat het een complot zou betreffen, nu dit op geen enkele wijze aannemelijk is geworden. Ook het verweer met betrekking tot het DNA wordt verworpen. Uit de hiervoor aangehaalde beschrijving van de camerabeelden blijkt immers dat de schutter, die door de aangever als de verdachte is herkend, dezelfde is geweest als de man die kort er voor de stenen had gegooid. Dit strookt met de bevindingen dat het DNA van de verdachte op de stenen is aangetroffen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

1. primair:op 2 augustus 2018 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in de richting van de (deur van de) woning waarin die [slachtoffer 1] zich bevond heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.op 2 augustus 2018 in de gemeente Weert opzettelijk en wederrechtelijk de wand en een rolluik van een woning, gelegen aan de [straatnaam 2] , toebehorende aan [slachtoffer 3] , heeft beschadigd;

3.op 30 juli 2018 in de gemeente Weert een bestelauto, merk Volkswagen Caddy gekentekend [kenteken] , toebehorende aan [eigenaar van Volkswagen Caddy] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen;

4. primair:op 30 juli 2018 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de nek en het bovenlichaam van genoemde [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot doodslag

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 3:

diefstal

ten aanzien van feit 4 primair:

poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Het Pieter Baan Centrum (PBC) heeft over de geestvermogens van de verdachte op 23 juli 2019 een rapport uitgebracht. Verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het onderzoek. Desalniettemin hebben de rapporteurs gemeend dat de levensloop van verdachte aanwijzingen bevat voor enig disfunctioneren. Dat disfunctioneren zou zichtbaar zijn in leerproblemen, problemen in de arbeidscarrière, relationele problemen, antisociale gedragingen, politie/justitiecontacten en problemen in agressieregulatie. Samenvattend concludeert men tot een gebrekkig verlopen persoonlijkheidsontwikkeling en daarmee ook van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, zonder dat deze nader kan worden gespecificeerd. Gelet op de beperkte informatie bleek het niet mogelijk om de vragen naar eventuele doorwerking van die gebrekkige ontwikkeling, het recidiverisico en geïndiceerde interventies te beantwoorden.

De rechtbank komt op basis van die bevindingen niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

Nu ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten, is de verdachte strafbaar.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 8 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, ingeval van een veroordeling voor alle feiten, aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 4 jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft geprobeerd om zijn (ex-)schoonvader te doden door op hem te schieten en hij heeft geprobeerd om zijn (ex-)schoonbroer te doden door hem neer te steken met een mes. Daarbij heeft hij ook nog een auto gestolen en een woning beschadigd. In het bijzonder de twee pogingen tot doodslag rechtvaardigen een jarenlange gevangenisstraf.

Deze explosie van geweld vloeit voort uit een conflict in de familiaire sfeer. Uit het dossier valt af te leiden dat nagenoeg het hele gezin van de slachtoffers in angst leefde voor de verdachte. De moeder van zijn zoon zag zich zelfs genoodzaakt om op een geheime locatie onder te duiken en haar vader verbleef tijdelijk weer in huis bij haar moeder om een oogje in het zeil te houden.

Dat de verdachte er niet voor terugdeinst om, binnen enkele dagen na elkaar, twee levensdelicten te begaan, is uiterst ernstig en verontrustend. De bevindingen van de rapporteurs van het PBC, te weten de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte, die onder meer zichtbaar was in antisociale gedragingen en problemen in agressieregulatie, vinden bevestiging in deze feiten.

Uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat de verdachte al veelvuldig is veroordeeld voor uiteenlopende strafbare feiten, waaronder voor diverse woningbraken, maar ook voor geweld. Bovendien liep verdachte ten tijde van onderhavige feiten in een proeftijd.

Ter terechtzitting heeft verdachte geen enkele blijk gegeven van enig inzicht in de ernst en het verwerpelijke van de strafbare feiten zoals die hem zijn voorgehouden. Integendeel, voor alle ten laste gelegde feiten maar ook voor de strafbare feiten op zijn justitiële documentatie houdt hij andere mensen verantwoordelijk.

Een terbeschikkingstelling acht de rechtbank, gelet op de relatief beperkte informatie en het ontbreken van een advies daartoe, thans niet aan de orde. Zolang de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte geen niet wordt behandeld, gaat de bescherming van de (ex-)partner van de verdachte, haar familie en van de maatschappij, voor. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank slechts een langdurige gevangenisstraf passend. In de ernst van de feiten, de persoon van de verdachte en het gevaar van herhaling ziet de rechtbank reden om aansluiting te zoeken bij de eis van de officier van justitie. De rechtbank realiseert zich dat zij daarmee in verhouding een hogere straf zal opleggen – de eis was immers gebaseerd op in totaal drie pogingen tot doodslag – maar zij acht deze niettemin, gelet op het voorgaande, gerechtvaardigd. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 8 jaren.

Deze straf biedt geen mogelijkheid tot een voorwaardelijk deel zoals geadviseerd door de reclassering. Voor bijzondere voorwaarden in de vorm van een behandeling en begeleiding is mogelijk in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling plaats.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

De volgende slachtoffers hebben zich in de strafzaak gevoegd als benadeelde partijen:

[slachtoffer 1] (feit 1) heeft verzocht om een schadevergoeding van 10.041,07 euro, bestaande uit de volgende posten:

  1. kosten opvragen medische gegevens: 41,07 euro

  2. immateriële schade: 10.000 euro

[slachtoffer 2] (feiten 1 en 4) heeft verzocht om een schadevergoeding van 10.665,55 euro, bestaande uit de volgende posten:

  1. BlackBerry mobiele telefoon: 499 euro

  2. portemonnee: 10 euro

  3. inhoud portemonnee: 60 euro

  4. rijbewijs: 39,75 euro

  5. identiteitskaart: 56,80 euro

  6. immateriële schade: 10.000 euro

[slachtoffer 3] (feit 2) heeft verzocht om een schadevergoeding van 11.114,92 euro, bestaande uit de volgende posten:

  1. schade aan hekwerk (offerte): 619,52 euro

  2. schade rolluiken (nota): 205 euro

  3. kogelgat in woning (begroting): 290,40 euro

  4. immateriële schade: 10.000 euro

Alle benadeelden hebben tevens verzocht om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle vorderingen toewijsbaar, met de opmerking dat de rechtbank het bedrag aan immateriële schade in redelijkheid kan vaststellen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat:

  • -

    de immateriële schade van de benadeelde [slachtoffer 1] aanzienlijk gematigd dient te worden, omdat de als vergelijkbare aangehaalde zaak niet vergelijkbaar is;

  • -

    de benadeelden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard voor zover het betreft de post “immateriële schade” nu niet is voldaan aan de eisen die in de rechtspraak aan de onderbouwing hiervan worden gesteld;

  • -

    de benadeelde [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover het betreft de posten “BlackBerry” en “portemonnee” nu die onvoldoende zijn onderbouwd;

  • -

    de benadeelde [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover het betreft de posten “schade aan het hekwerk” en “kogelgat in woning” nu eerstgenoemde niet in causaal verband staat tot het bewezenverklaarde en laatstgenoemde niet onderbouwd is.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de posten:

  • -

    “kosten opvragen medische gegevens” van [slachtoffer 1] ;

  • -

    “inhoud portemonnee”, “rijbewijs” en “identiteitskaart” van [slachtoffer 2] ;

  • -

    “schade rolluiken” van [slachtoffer 3] .

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen: immateriële schade

Als van fysiek letsel geen sprake is, dient te worden bezien of sprake is van aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze (in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW). Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van de persoon op andere wijze is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen.13 Een ‘enkel psychisch onbehagen’ of een zich gekwetst voelen is niet genoeg.14 De benadeelde zal ‘voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld’.15

De Hoge Raad heeft bepaald dat op dit uitgangspunt uitzonderingen kunnen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.16 In dat geval is vergoeding van immateriële schade toch mogelijk in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer. Het strafbare feit vormt een dusdanig ernstige inbreuk op een fundamenteel recht (bijvoorbeeld het zelfbeschikkingsrecht of de lichamelijke integriteit) dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze dient te worden beschouwd. Daarmee kan ook zonder dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld vergoeding van smartengeld aan de orde zijn.17

Het voorgaande betekent dat de toewijsbaarheid van een vordering tot vergoeding van immateriële schade in gevallen zonder lichamelijk letsel sterk afhangt van wat ten aanzien van die schade is aangevoerd. Daarbij kan bijvoorbeeld van belang zijn dat de verdachte de gezondheid en veiligheid van het slachtoffer ernstig in gevaar heeft gebracht en het slachtoffer heeft aangegeven dat hij tijdens het voorval heeft gevreesd voor zijn leven, dat hij beseft dat hij geluk heeft gehad en dat het voorval veel impact op hem heeft gehad, waarvan hij soms nog belemmeringen in zijn werk ondervindt.

Benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

Naar het oordeel van de rechtbank is de post “kosten opvragen medische gegevens” die door de verdediging niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank de materiële schade zal vaststellen op een bedrag van 41,07 euro.

In het kader van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De benadeelde heeft geen fysiek letsel opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde. Wel ging het hierbij om een poging tot doodslag bestaande uit het schieten met een vuurwapen, waarbij de kogel insloeg in de wand op slechts enkele centimeters naast de plek waar de benadeelde zich bevond.

De benadeelde heeft zijn schade onderbouwd aan de hand van diverse stukken, waaruit de rechtbank begrijpt dat benadeelde zich heeft gewend tot de huisarts en na doorverwijzing ook gesprekken met een psycholoog heeft gevoerd. De huisarts vermoedde daarbij diverse stoornissen; tot een diagnose is het nog niet gekomen. Wel stelt benadeelde dat hij zijn werk heeft moeten opgeven.

De rechtbank kan, mede gelet op de relatief beperkte informatie en de omstandigheid dat de hulpverlening zich nog in een beginstadium bevindt, thans niet beoordelen of een bedrag van 10.000 euro gerechtvaardigd is. Daarom zal zij een naar billijkheid te schatten bedrag van 1.500 euro toewijzen en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, waarbij benadeelde de mogelijkheid behoudt zich alsnog tot de burgerlijke rechter te wenden.

De rechtbank zal de totale schade dus vaststellen op een bedrag van 1.541,07 euro.

Benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1 en 4)

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de posten “BlackBerry” en “portemonnee” onvoldoende zijn onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

De posten “inhoud portemonnee”, “rijbewijs” en “identiteitskaart” zijn door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal dan ook de materiële schade vaststellen op een bedrag van 156,55 euro.

In het kader van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte zal worden vrijgesproken van de poging tot doodslag op benadeelde bij het schietincident. Aan de beoordeling van de immateriële schade kan dus alleen het steekincident ten grondslag liggen. Als gevolg van dit steekincident heeft de benadeelde fysiek letsel opgelopen, te weten twee sneeën in vingers.

De benadeelde heeft zijn schade summier heeft onderbouwd. Benadeelde is niet onder behandeling, en niet blijkt waaruit het psychisch letsel bestaat. Dat het steekincident een grote impact heeft op de benadeelde, acht de rechtbank wel aannemelijk. De rechtbank kan echter niet vaststellen of die impact in combinatie met het letsel een vergoeding van 10.000 euro rechtvaardigt. Daarom zal zij de vordering een naar billijkheid te schatten bedrag van 500 euro toewijzen, onder niet-ontvankelijkverklaring van het overige deel, waarbij benadeelde de mogelijkheid behoudt zich alsnog tot de burgerlijke rechter te wenden.

De rechtbank zal de totale schade dus vaststellen op een bedrag van 656,55 euro

Benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 2)

De (schade als gevolg van de) vernieling van het hekwerk (post a.) is weliswaar niet afzonderlijk ten laste gelegd en bewezenverklaard, maar staat wel in zodanig dicht verband tot de beschadiging van de woning van [slachtoffer 3] door het gooien van stenen en schieten, dat naar het oordeel van de rechtbank desalniettemin sprake is van rechtstreekse schade. De schade aan de rolluiken (post b.), die door de verdediging niet is weersproken, is eveneens voor toewijzing vatbaar. De schade als gevolg van het kogelgat in de woning (post c.) is weliswaar geschat en niet onderbouwd met een offerte of nota, maar ingeval van zaaksbeschadiging zoals in deze geldt een abstracte schadeberekening, die ook geschat kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze schatting redelijk en daarmee voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de totale materiële schade dus vaststellen op een bedrag van 1.114,92 euro.

In het kader van de immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank op basis van de thans beperkte stukken niet vast te stellen dat, en in hoeverre deze schade is geleden. Daarom zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor wat betreft de immateriële schade, waarbij benadeelde de mogelijkheid behoudt zich alsnog tot de burgerlijke rechter te wenden.

De rechtbank zal de totale schade dus vaststellen op een bedrag van 1.114,92 euro.

Algemeen

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schades. De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedragen gemaakt, tot heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal per toegewezen vordering aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de op 4 mei 2018 door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van 100 dagen (parketnummer 01/845257-17).

Nu verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten, komt de vordering van de officier van justitie voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te beslissen en zal de vordering toewijzen, en gelasten dat de aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 100 dagen alsnog ten uitvoer wordt gelegd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 287, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.5 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], ten aanzien van feit 1 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen 1.541,07 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 2 augustus 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige niet ontvankelijk is en dat hij dit gedeelte van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van 1.541,07 euro, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 2 augustus 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], ten aanzien van feiten 1 en 4 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen 656,55 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 30 juli 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige niet ontvankelijk is en dat hij dit gedeelte van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van 656,55 euro, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 13 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 30 juli 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], ten aanzien van feit 2 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen 1.114,92 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 2 augustus 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige niet ontvankelijk is en dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van 1.114,92 euro, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 2 augustus 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01/845257-17:

- gelast dat de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van 100 dagen, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Teeuwissen, voorzitter, mr. R.A.M.M. Gijselaers en mr. K.G. Witteman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2019.

Buiten staat

Mr. Witteman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving en wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 2 augustus 2018 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) in de richting van de (deur van de) woning waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden heeft geschoten althans een of meer kogel(s) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 2 augustus 2018 in de gemeente Weert [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen een of meer kogel(s) in de richting van de (deur van de) woning waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden te schieten, althans een of meer kogel(s) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te schieten;

2.hij op of omstreeks 2 augustus 2018 in de gemeente Weert opzettelijk en wederrechtelijk de wand en/of een rolluik van een woning, gelegen aan de [straatnaam 2] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft vernield en/of beschadigd;

3.hij op of omstreeks 30 juli 2018 in de gemeente Weert een bestelauto, merk Volkswagen Caddy gekentekend [kenteken] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [eigenaar van Volkswagen Caddy] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen bestelauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van de niet aan hem, verdachte, toebehorende en bij die bestelauto behorende sleutel;

4.hij op of omstreeks 30 juli 2018 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de nek en/of het bovenlichaam van genoemde [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 30 juli 2018 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de nek en/of het bovenlichaam van genoemde [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 30 juli 2018 in de gemeente Weert [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, tegen het door genoemde [slachtoffer 2] gedragen heuptasje te porren en/of door meermalen, althans eenmaal, met voornoemd mes, in elk geval met voornoemd scherp voorwerp, in de richting van het gezicht en/of (boven)lichaam van genoemde [slachtoffer 2] te zwaaien en/of stekende bewegingen te maken in de richting van het gezicht en/of het (boven)lichaam van genoemde [slachtoffer 2] .

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, onderzoek Zaragoza / LB1R018081, proces-verbaalnummer 32, gesloten d.d. 19 oktober 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 207.

2 Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 31 juli 2018, p. 46-49.

3 Bijlagen goederen d.d. 31 juli 2018, pg. 49.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , d.d. 1 augustus 2018, p. 50-51.

5 Proces-verbaal verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris d.d. 21 maart 2018, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2018, p. 71

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 13 augustus 2018, p. 81-85.

8 Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 2 augustus 2018, p. 101-103.

9 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 2 augustus 2018, p. 104-108.

10 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 22 september 2018, p. 159-162.

11 Rapport DNA onderzoek naar aanleiding van een geweldsincident in Weert op 2 augustus 2018 van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 januari 2019, los opgenomen.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 augustus 2018, pg. 110-119.

13 HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519.

14 HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366.

15 HR 9 mei 2003, NJ 2005.

16 HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519.

17 HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721, NJ 2005