Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:7906

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
29-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1849
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AW. Herwaardering functie. Artikel 5a BBRA. Persoonlijke- of organieke schaal. Kader organisatie- en formatiebeheer Rijkswaterstaat. Ingangsdatum inschaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/1849

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiseres]

(gemachtigde: mr. G.P.F. van Duren),

en

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. W. van den End).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld per

1 januari 2017 haar persoonlijke schaal en functietypering aan te passen.

Bij besluit van 25 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] .

Overwegingen

1. Eiseres is werkzaam als bestuurlijk-juridisch adviseur bij de [diensttak] , onderdeel van Rijkswaterstaat (RWS) [arrondissement] . Op 2 december 2016 heeft eiseres een verzoek tot herwaardering van haar functie op grond van artikel 5a van het BBRA ingediend. Op 1 mei 2017 heeft het Expertise Centrum Organisatie en Personeel een rapport (herwaarderingsrapport) uitgebracht over de waardering/indeling van de opgedragen taken van eiseres. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden van de Senior adviseur Bedrijfsvoering Juridische Zaken in te delen in de functiefamilie Bedrijfsvoering, functiegroep Senior adviseur bedrijfsvoering, functietypering schaal 12 BBRA. Bedrijfsvoering bestaat uit drie afdelingen, waaronder de [diensttak] die bestaat uit twee senior bestuurlijk-juridisch adviseurs (S12), twee bestuurlijk-juridisch adviseurs (S11: onder wie eiseres) en één bestuurlijk-juridisch adviseur (S10). Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten om de persoonlijke schaal en functietypering van eiseres per 1 januari 2017 aan te passen conform het herwaarderingsrapport. Door de aanpassing van de persoonlijke schaal is voor eiseres tevens ‘mobiliteit’ aan de orde, aangezien persoonlijke schaal en haar formatieve schaal niet meer met elkaar stroken. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, conform het advies van de Bezwarenadviescommissie, het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, onder aanpassing van de indeling van de functie van eiseres in de functiefamilie Advisering.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat eiseres en haar leidinggevende ( [naam 2] ) voorafgaand aan de herwaardering van haar functie overeenstemming hebben bereikt over het feitelijk samenstel van haar werkzaamheden. Vervolgens zijn deze werkzaamheden systematisch gewaardeerd middels het FUWASYS-systeem zoals weergegeven in het herwaarderingsrapport. Conform dit rapport is besloten de persoonlijke schaal en functietypering van eiseres aan te passen.

3. Eiseres voert in beroep aan -kort samengevat- dat het verslag van de hoorzitting van 12 december 2017 deels onjuist en deels onvolledig is. Aangezien het bestreden besluit is gebaseerd op een advies van de Bezwarenadviescommissie dat is gebaseerd op voormeld verslag, is, volgens eiseres, het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Voorts stelt eiseres dat verweerder in het primaire besluit ten onrechte haar persoonlijke schaal heeft aangepast, in plaats van de formatieve schaal, hetgeen in strijd is met het BBRA. Dit betekent, volgens eiseres, dat ook de aan haar opgelegde mobiliteit niet aan de orde is. Verplichte mobiliteit is alleen maar aan de orde als de persoonlijke inschaling hoger is dan het schaalniveau van de opgedragen functie, welke situatie hier niet aan de orde is. In dit verband beroep eiseres zich ook nog op het gelijkheidsbeginsel. Ten slotte stelt eiseres dat zij per 1 april 2013 zou moeten worden ingeschaald in schaal 12, aangezien zij per deze datum haar functie volledig en naar behoren uitvoerde. Het feit dat zij voor de ingangsdatum van haar bevordering bewust is beloond, doet daar, volgens eiseres, niet aan af. Aan het WhatsApp-bericht van 27 juni 2017 kan niet de betekenis worden toegekend dat zij zou hebben afgezien van haar aanspraken met betrekking tot een eerdere ingangsdatum.

In haar aanvullend beroepschrift van 10 mei 2019 stelt eiseres, samengevat, dat de haar opgedragen werkzaamheden blijvend en structureel niet meer overeenkomen met haar organieke functie. Met betrekking tot de ingangsdatum (van inschaling) stelt eiseres dat haar verzoek door verweerder had moeten worden afgehandeld als een verzoek ex artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met inachtneming van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) terzake. Voor wat betreft de mobiliteit en haar beroep op het gelijkheidsbeginsel wijst zij op de zaak van [naam 3] (adviseur bedrijfsvoering).

4 De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA), voor zover hier van belang, wordt de salarisschaal welke voor de ambtenaar geldt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, bepaald met inachtneming van de zwaarte van zijn functie en van bijzondere regelingen, als bedoeld in artikel 13 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling. Ingevolge het derde lid wordt de zwaarte van de functie bepaald binnen de in de bijlage B van dit besluit aangegeven indelingsstructuur, met inachtneming van het door of in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde normeringsstelsel

Op grond van artikel 5a, eerste lid, van het BBRA kan de ambtenaar die zich niet kan verenigen met de uitkomst van de bepaling van de zwaarte van zijn functie als bedoeld in artikel 5, derde lid, het voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, bevoegde gezag verzoeken die waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen.

5. Over de vraag of verweerder ten onrechte de persoonlijke schaal van eiseres heeft aangepast in plaats van de formatieve/organieke schaal overweegt de rechtbank het volgende.

De functiewaarderingsprocedure bestaat (doorgaans) uit drie stappen: een beschrijving van de functie, waardering van de vervulde functie en inpassing van de ambtenaar in een salarisschaal. Er is sprake van drie afzonderlijke beslispunten, resulterend in drie besluiten in de zin van de Awb. In de praktijk zal dikwijls sprake zijn van één schriftelijk stuk. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres is gericht tegen haar inpassing in een salarisschaal (derde stap).

6. Blijkens de brief van eiseres van 2 december 2016 heeft zij een verzoek tot herwaardering ingediend op grond van artikel 5a van het BBRA. Zij is van mening dat zij langdurig taken heeft uitgevoerd in een parallelle functie met meerdere collega’s met dezelfde taken en functie op S12-niveau. Blijkens het herwaarderingsrapport wordt geadviseerd om het niveau van de werkzaamheden van Senior adviseur Bedrijfsvoering Juridische Zaken te waarderen op een schaal 12-niveau.

7. Volgens de Leidraad Personele Regelingen van 12 december 2016 (Leidraad) houdt een persoonlijke schaal in, dat een medewerker in een hogere schaal wordt bezoldigd dan de formatieve schaal waarop de functie is gewaardeerd. Dit wordt volgens de Leidraad zowel voor de medewerker als de organisatie onwenselijk geacht. De meest ideale situatie, volgens de Leidraad, is uiteraard dat de scheefgroei van persoonlijke schalen ongedaan wordt gemaakt. Het is dus zaak om medewerkers naar een organieke functie te begeleiden, die in overeenstemming is met het persoonlijke bezoldigingsniveau. Het is dus nadrukkelijk de bedoeling dat er geen nieuwe persoonlijke schalen meer worden toegekend.

8. In het in maart 2016 vastgestelde Kader organisatie- en formatiebeheer Rijkswaterstaat (het Kader) is beschreven hoe binnen RWS wordt omgegaan met het beschrijven en waarderen van functies: “indien aan een medewerker aantoonbaar zwaardere taken wordt opgedragen die het niveau van een formatieve schaal overstijgen kan dit niet leiden tot aanpassing van de (waardering van) een organieke functie” en “indien de uitslag van het waarderingsonderzoek van een medewerker hoger uitvalt, heeft de medewerker recht op deze hogere schaal. Het schaalniveau van de organieke functie wordt niet aangepast, maar de medewerker wordt zo snel als mogelijk verplaatst naar een functie overeenkomstig het schaalniveau van de feitelijk opgedragen functie van de medewerker”.

9. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is gebaseerd op het advies van de Bezwarenadviescommissie van 11 januari 2018. In dit advies wordt met betrekking tot de aanpassing van de persoonlijke in plaats van de organieke schaal verwezen naar voormelde werkwijze uit het Kader. Deze werkwijze komt de Bezwarenadviescommissie alleszins redelijk voor.

De rechtbank overweegt hierover dat voornoemd Kader is gebaseerd op de brief van de Directeur-Generaal van RWS van 10 juli 2012 en de nota Bestuur RWS van 26 maart 2015 en moet worden geïnterpreteerd met inachtneming hiervan. In voormelde brief wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds een structurele verandering van werk, hetgeen in principe zal moeten leiden tot een aanpassing van de formatie inclusief bijbehorende waardering (hier kan alleen sprake van zijn als aantoonbaar sprake is van nieuwe taken of een taakverzwaring), en anderzijds een individuele aangelegenheid, die niet tot een structurele herwaardering zal moeten leiden (hiervoor zijn voor het management andere beloningsinstrumenten beschikbaar). Voorts is in de Nota vermeld dat “de formatie van RWS niet in beton gegoten zit. Er zal altijd periodiek onderhoud nodig zijn om de formatie goed aan te laten sluiten op de (toekomstige) ontwikkelingen in het werk van RWS. Uitgangspunt is dat de organisatieonderdelen zelf verantwoordelijk zijn voor hun O&F-beheer”.

Aangezien niet in geschil is dat aan eiseres structureel en niet incidenteel zwaardere werkzaamheden zijn opgedragen, hetgeen ook blijkt uit het herwaarderingsrapport, is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor beschreven werkwijze uit het Kader, met inachtneming van het gestelde in voornoemde brief van de DG en de Nota, niet van toepassing is op het verzoek van eiseres.

10. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verweerder door middel van zijn besluitvorming, waarbij aan eiseres een persoonlijke schaal is toegekend, tem onrechte heeft nagelaten een besluit te nemen op het verzoek van eiseres over de inpassing van haar in een organieke salarisschaal. Dit betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

11 Over de ingangsdatum van de inschaling overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2016:2261) geldt als ingangsdatum van inschaling het tijdstip waarop, binnen een redelijke termijn na het verzoek daartoe, de uitkomst van het functie-onderzoek door het bevoegd gezag is vastgesteld. Voor zover is beoogd met ingang van een datum gelegen voor dit verzoek hoger te worden ingeschaald, dient dit te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit. In dit kader is eiseres gehouden nieuwe feiten of omstandigheden aan te voeren (artikel 4:6 Awb).

12. Verweerder heeft de (persoonlijke) schaal van eiseres per 1 januari 2017 aangepast. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestond voor een eerdere ingangsdatum van deze aanpassing. Het had naar het oordeel van de rechtbank namelijk op de weg van eiseres gelegen om eerder een verzoek om herwaardering in te dienen dan 2 december 2016. Zij stelt immers sedert 1 april 2013 deze functie volledig uit te oefenen. Van feiten of omstandigheden die hieraan in de weg zouden hebben gestaan, is de rechtbank niet gebleken.

13. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden van eiseres (mobiliteit, gelijkheidsbeginsel) komt de rechtbank gelet op het vorenstaande niet meer toe.

14. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht (voorzitter), en

mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. P.J.M. Bruijnzeels, leden, in aanwezigheid van

mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 augustus 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.