Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:784

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
16-08-2019
Zaaknummer
75400822 CV 18-7975
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, overlast, ontruiming. Voorzienbaar is dat er vervangende woonruimte komt. Te laat aangeleverde producties worden wel in de beoordeling meegenomen nu het correspondentie betreft waarover beide partijen al beschikten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 75400822 VC EXPL 18-7975

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 29 januari 2019

in de zaak van:

de stichting

WONINGSTICHTING SERVATIUS,

gevestigd te Maastricht,

eisende partij,

gemachtigde mr. N. Ramljak,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] , en

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. S. Ikiz.

Partijen zullen hierna Servatius, [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de door Servatius ingebrachte producties 40 t/m 45

  • -

    de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ingebrachte producties (twee)

  • -

    de mondelinge behandeling van 28 januari 2018 waarbij [naam vertegenwoordiger eiseres] (die blijkens de overgelegde machtiging van de bestuurder van Servatius, Servatius in rechte vertegenwoordigt) bijgestaan door mr. N. Kooistra, ten deze vervangende

mr. N. Ramljak, en mr. Ikiz voornoemd zijn verschenen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen Servatius en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is op 9 april 2014 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten waarbij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] per 16 april 2014 de woonruimte gelegen aan de [adres] te [woonplaats 1] van Servatius huurt.

2.2.

Bij Servatius is, kort nadat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in het gehuurde zijn getrokken, een melding van de bewoonster van nr. [X] ontvangen die overlast van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ondervond. Vanaf 26 juli 2016 t/m in ieder geval 4 december 2018 zijn er met betrekking tot door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] structureel veroorzaakte overlast (het afspelen van te harde muziek vanaf 7 uur in de morgen tot laat in de avond, het binnen- en buitenshuis luid schreeuwen, het roken van wiet welke rook de omliggende woningen binnendringt, het uiten van dreigend taalgebruik naar de buurtbewoners en jegens hen een intimiderende en dreigende houding aannemen) veelvuldig klachten bij Servatius ontvangen. Servatius heeft op die klachten bij brieven van augustus 2016, oktober 2016, februari 2017, december 2017 en juni 2018 naar [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toe gereageerd en er hebben 3 huisbezoeken door medewerkers van Servatius bij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] plaatsgevonden waarbij met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tevergeefs afspraken zijn gemaakt. Daarnaast heeft op 21 december 2017 een gesprek tussen Servatius, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en de wijkagent plaatsgevonden en heeft Servatius buurtbemiddeling aangeboden. Op 26 april 2018 hebben afzonderlijke gesprekken tussen de buurtbemiddelaar en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en tussen de buurtbemiddelaar en de omwonenden van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] plaatsgevonden. Ook die gesprekken hebben er niet toe geleid dat de overlast stopte, deze werd alleen maar erger.

2.3.

Bij brief van 13 juni 2018 heeft Servatius een laatste waarschuwing aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gegeven en hun gesommeerd de overlast te staken bij gebreke waarvan Servatius aankondigde een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te zullen starten.

2.4.

De relatie tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is beëindigd. [gedaagde sub 1] woont nog in het gehuurde en [gedaagde sub 2] woont (tijdelijk ?) thans met de kinderen in [woonplaats 2] .

3 Het geschil

3.1.

Servatius vordert - verkort weergegeven - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen met veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de kosten en in de nakosten van dit geding.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vordering voert Servatius (samengevat) aan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich niet als een goed huurder gedragen en dat er sprake is van een onhoudbare situatie omdat de overige huurders in zowel de belendende woningen als de woningen in de nabijheid van die van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ernstig in hun huurgenot worden beknot en zich persoonlijk bedreigd voelen als gevolg van de overlast die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veroorzaken. Aangezien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , ondanks meerdere gemaakte afspraken, de overlast laten voortduren en verergeren heeft Servatius besloten de ontruiming van de woning te vorderen.

4 De beoordeling

4.1.

Servatius maakt ter zitting nog bezwaar tegen de door (de gemachtigde van) [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op vrijdagmiddag 25 januari 2019 aangeleverde producties, nu dat in strijd met een goede procesorde is. De kantonrechter geeft aan dat hij diezelfde producties (een brief van de psychiater bij Mondriaan waaruit volgt dat [gedaagde sub 1] vanaf eind 2010 bij hun in behandeling is en een brief van de gemachtigde van [gedaagde sub 1] van 23 april 2018 aan de buurvrouw van [gedaagde sub 1] gericht) op dezelfde dag en tijdstip als Servatius heeft ontvangen en er op die dag inhoudelijk kennis van heeft genomen. Hij biedt Servatius een leespauze aan die Servatius, volgens haar verklaring ter mondelinge behandeling, niet nodig heeft. De kantonrechter houdt partijen vervolgens voor dat hij deze producties, voor zover nodig, in de beoordeling van deze procedure zal meenemen.

4.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen voorop dat deze zaak te complex is om in een kort geding procedure te behandelen en dat er door de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring, indien de vordering wordt toegewezen, een onomkeerbare situatie zal ontstaan. Bovendien is er geen sprake van een spoedeisend belang. Niet zij doch hun buurvrouw ( [naam buurvrouw] ) veroorzaakt overlast en zij hebben het gevoel dat de buurt tegen hen is opgezet. Nu de relatie tussen gedaagden inmiddels is beëindigd en [gedaagde sub 1] van plan is uit de woning te vertrekken, zou voor [gedaagde sub 2] en de kinderen een gesprek met bijvoorbeeld het Veiligheidshuis een oplossing kunnen bieden. Als er dan afspraken met [gedaagde sub 2] kunnen worden gemaakt dan zou zij met de kinderen in de woning kunnen blijven wonen, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

4.3.

Servatius voert nog aan dat zij zich door de toenemende, veelvuldige klachten van diverse buurtbewoners, de ongewijzigde houding van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en de situatie dat de directe buurvrouw [naam buurvrouw] gezien de bedreigingen nauwelijks meer in haar woning durft te verblijven, gedwongen zag ontruiming bij voorlopige voorziening te vorderen. Bovendien is de zaak helemaal niet complex als men de feiten afzet tegen inhoud van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, de algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte d.d. 9 oktober 2013 en art. 7:213 BW. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedragen zich niet als een goed huurder en houden zich niet aan gemaakte afspraken. Daarnaast zijn, bij een eventueel toewijzend vonnis, er voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voorzieningen voorhanden (bijvoorbeeld door tussenkomst van het al door Servatius ingeschakelde Veiligheidshuis) voor vervangende woonruimte. Voor Servatius is (na verschillende interventies) de maat echter vol en zij persisteert bij haar vordering.

4.4.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten bezien, de stellingen die Servatius met geschrift, beeld en geluid gemotiveerd heeft onderbouwd, het feit dat de buurvrouw van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wegens angst sinds medio november 2018 niet meer in haar woning woont en dat de (voortdurende) overlast de laatste maanden in hevigheid is toegenomen, staat het spoedeisend belang genoegzaam in rechte vast.

4.5.

Het verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , kort gezegd inhoudende dat niet zij doch hun directe buurvrouw [naam buurvrouw] overlast veroorzaakt, is gezien de betwisting zijdens Servatius en zonder enige nadere onderbouwing slechts een slag in de lucht. Verder lijken [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet echt in staat uit te leggen, waarom zij zich niet aan de (vaker) gemaakte afspraken hebben gehouden of kunnen houden. Dat er mogelijk een psychische oorzaak een rol speelt, doet daar verder niet aan af en wordt ook verder niet onderbouwd.

4.5.1.

Met Servatius is de kantonrechter van mening dat er geen garantie bestaat, dat [gedaagde sub 1] , die thans nog in de woning verblijft en de hoofdveroorzaker van de overlast lijkt te zijn, na zijn vertrek uit de woning daar niet meer in zal terugkeren en dat [gedaagde sub 2] , als medeveroorzaker van de overlast, zich na alle tevergeefs gemaakte afspraken nu wel aan de afspraken, de huurovereenkomst en de wet zal houden. Nu [gedaagde sub 2] kennelijk al elders woont met beide kinderen heeft zij verder geen belang, althans dat heeft zij onvoldoende gesteld, bij haar stelling dat de gevolgen bij een toewijzend vonnis onomkeerbaar zijn. Dat laatste geldt ook voor de stelling dat vertrek uit de woning een (te) grote belasting zou vormen voor de jonge kinderen van gedaagden.

4.6.

De gevorderde ontruiming zal dan ook worden toegewezen met dien verstande dat Servatius geen machtiging van de kantonrechter behoeft om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat Servatius bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.

4.7.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Servatius worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 101,81

  • -

    griffierecht 119,00

  • -

    salaris gemachtigde 600,00

totaal € 820,81.

4.8.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als in het dictum is bepaald.

5 De beslissing

De kantonrechter in kort geding.

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats 1] met al het hunne en de hunnen te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Servatius te stellen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van Servatius gevallen en tot op heden begroot op € 820,81, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door Servatius volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&T op € 100,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met € 68,00 aan betekeningskosten indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

type: YT